Heterochroom (1)

De lezing

Het oude auditorium van het museum ruikt naar boenwas. De houten stoelen zijn bekleed met rood nepfluweel en versleten. Een enkele bezoeker schuifelt nog naar een plaats, slechts de helft van stoelen is bezet. Dat verbaast me niet; Grimshaw is nu eenmaal geen oude meester en publiekstrekker zoals van Gogh of Turner, althans niet voor het grote publiek. Voor mij is hij dat wel, en de doelstelling van mijn lezing is dat mijn toehoorders -met hoe weinig ze ook zijn- straks de zaal verlaten in de overtuiging van zijn virtuositeit. Niemand was in staat de nacht zo te schilderen als John Atkinson Grimshaw, geboren in 1836 in het Engelse  Leeds.

De aanwezigen luisteren beleefd. Aan de hand van een dia van zijn Glasgow Docks neem ik hen mee in Grimshaw’s thematiek en stijl, zijn unieke gave om de nacht zoveel meer te laten zijn dan een schaduwspel, om de uren na zonsondergang tot leven te brengen. De kade in het maanlicht, de schepen, gereduceerd tot zwarte skeletten van masten tegen de lucht, de silhouetten van nachtdwalers in het schaarse schijnsel van een verlichte winkeletalage.
Een enkele bezoeker stelt een beleefde vraag. Zoals gewoonlijk als ik over Grimshaw vertel verbaast het publiek zich over het feit dat hij autodidact was. Na een uur neem ik neem een bescheiden applaus in ontvangst en raap mijn papieren van de lessenaar. Terwijl de mensen schuifelend de zaal verlaten komen twee personen juist op me toe, een statige vrouw van midden veertig in gezelschap van een kleine jongere vrouw. De laatste neemt het woord.

“Neemt u ons niet kwalijk, meneer Vanderbilt. De barones Betancourt zou graag een kort onderhoud met u willen.” Ze is nog niet uitgesproken of ze zet dienstbaar een stapje naar achteren. Ik kijk naar de oudere vrouw. Ze is elegant gekleed, maar haar houding is formeel, haar gezicht strak. Ze neemt het woord over.
“Een hoogst interessante lezing, meneer Vanderbilt. Het zou ons een genoegen zijn als u tijd zou kunnen vinden ons te bezoeken. We hebben een Grimshaw in ons privébezit die uw interesse zal hebben. Normaal gezien ontvangen we geen bezoek, maar iemand met uw kennis en belangstelling verwelkomen we graag.” Haar woorden zijn te vriendelijk. Ze zijn emotieloos, ijzig bijna, ze onderstreept haar kilte met het gebruik van de pluralis maiestatis. Mijn nieuwsgierigheid naar Grimshaw vecht met mijn afschuw voor de arrogantie van de adel, die me door mijn socialistische vader is meegegeven.
“Een Grimshaw?” vraag ik verbaasd. “Is die gecatalogiseerd?”
“Nee,” antwoordt de barones kortaf. “Nog niet. Maar u bent meer dan welkom hem te bekijken en te beschrijven ten behoeve van het publiek.”
Het publiek. Ze had net zo goed ‘het gepeupel’ kunnen zeggen. De barones overhandigt me een kaartje met alleen een adres en telefoonnummer.
“Wilt u onze uitnodiging in overweging nemen?”
Ik kijk naar het kaartje, dan naar de barones en de knappe jonge vrouw naast haar die even haar ogen naar me opslaat alsof ook zij wacht op een antwoord. Er is iets met haar blik. Mijn nieuwsgierigheid wint het.
“Met genoegen,” antwoord ik.
Ze knikt tevreden. “Virginie zal u bellen voor een afspraak.” Ik kijk naar het meisje aan haar zijde, even hebben we oogcontact. En dan zie ik het. De irissen van haar amandelvormige ogen zijn verschillend van kleur, het ene hazelnootbruin, het andere blauw als staal. Heterochromie. Er is me slechts een moment gegund om me erover te verwonderen. Dan keert ze me de rug toe, op aangeven van haar patrones. “Kom, Virginie.”

Het is geen uitnodiging maar een bevel. Bazig duwt de barones haar jonge bediende voor zich uit in de richting van de uitgang. Terwijl ik hen nakijk lost de geur van hun zoete parfum op in de avond en blijf ik achter in de weeïge lucht van boenwas.

(Wordt vervolgd…)

Condenssporen

Tijdens zijn nacht in de cel nam Bob het besluit te vertrekken. Het was genoeg, het was klaar, hij kon niet meer.
In de ochtend, stram en stijf van het harde celbed, hielp hij de dienstdoende agent nog bij het corrigeren van diens spelfouten in het proces-verbaal. Hij kreeg een afschrift, vouwde het dubbel en stopte het in de binnenzak van zijn jasje.
“U kunt gaan maar u moet waarschijnlijk voorkomen,” zei de jonge agent. “Vernieling van publiek eigendom is een serieuze zaak. De Officier van Justitie zal dat verder beslissen.”
“Tegen die tijd ben ik er niet meer,” mompelde Bob. “En mijn spuitbus? Mijn trapladder?”
“In beslag genomen,” zei de agent kortaf.

Hij had er geen spijt van dat hij de snelheidsmeter langs de laan bij zijn huis met zwarte verf had beklad, alhoewel het waarschijnlijk slimmer was geweest dat niet tijdens de avondspits te doen. Maar wat hem de grootste ergernis bezorgde was dat hij de politie maar niet had kunnen overtuigen van de rechtvaardigheid van zijn actie.
“Het boeit me niet dat ik geconfronteerd word met het feit dat ik te hard rijd,” had hij gezegd. “Maar zo’n smiley van een rood verdrietig hoofd als je boven de vijftig rijdt is gewoon misdadig.” De diender had hem meewarig aangekeken.
“Wat maakt dat nou uit, meneer?”
“Wat dat uitmaakt? Alles. Wie representeert dat gezichtje? Is de burgemeester soms teleurgesteld in me? De politie? Is de maatschappij verdrietig over mijn gedrag? Lazer op met die infantiele moralistische symboliek. Geef me een boete, maar bemoeder me niet!”
“Rustig meneer. Heeft u gedronken? Drugs gebruikt?”
Bob besefte dat hij, zoals zo vaak, maar beter zijn mond kon houden omdat hij zich, zoals meestal, onbegrepen voelde.
“Helaas niet,” zei hij en zweeg verder.
Het was klaar. En nu echt.

In de maand na het voorval verkocht hij zijn huis en incasseerde de overwaarde, liet zijn pensioen definitief ingaan, gaf het grootste deel van zijn inboedel aan de kringloop en tegen de tijd dat de alllereerste dagvaarding uit zijn brave en betekenisloze leven in de bus viel verhuisde hij – nu voorgoed – naar zijn oude stacaravan in het noorden, aan de rand van het bos. Het was een opwelling van daadkracht die hij van zichzelf niet herkende en alleen kon verklaren omdat hij nu helemaal alleen was en niets hem meer bond. Bob vertrok.

De eerste weken na zijn verhuizing wandelde hij meer en dronk hij minder dan hij in jaren had gedaan en genoot ervan dat hij met niemand hoefde te praten, en beter nog, de woordenstroom van anderen niet moest aanhoren. Hij had twee gesprekspartners. De eerste was de vrouw van de kruidenier in het dorp waar hij zijn boodschappen haalde, die van nature nogal nors en daardoor aangenaam kort van stof was. En dan was er Simon, die in een huisje op honderd meter afstand van Bobs caravan woonde en zijn conversaties beperkte tot puntige Engelse one-liners. Die klonken Bob weliswaar bekend in de oren maar duiden kon hij ze aanvankelijk niet. Van de kruideniersvrouw begreep hij echter dat Simon sinds de vroegtijdige dood van David Bowie zijn vocabulaire beperkte tot teksten uit het oeuvre van de Engelse zanger, omdat die ‘alles al had gezegd wat de moeite waard was om te zeggen’. Dat beviel Bob.

Simon begroette hem de volgende ochtend vriendelijk.
“I’m happy, hope you’re happy too.”.
Bob knikte en had zijn antwoord klaar.
“You’re face to face with the man who sold the world,” antwoordde hij, nog wat onwennig met de nieuwe taal. Simon, die zich eindelijk begrepen voelde, glimlachte breeduit. Vanaf dat moment dronken ze af en toe samen thee, rookten een sigaar en aten lunch met soep en weinig woorden.

In de vierde week van zijn zelfopgelegde ballingschap begon Bob een patroon te zien in de condenssporen die de vliegtuigen tegen de helderblauwe, open hemel boven hem achterlieten. Ze begonnen als een smalle streep, waaierden uit, vervaagden dan langzaam om uiteindelijk in het azuurblauw op te lossen. Als het leven zelf, dacht Bob. Tijdens zijn ochtendwandeling ontstond er altijd eentje die van het noordoosten naar het zuidwesten ging, kort daarop gevolgd door een ander spoor dat van zuid naar noord de hemel doorkruiste. Gedurende zijn wandeling in de namiddag was het patroon ingewikkelder, drukker, en deed het hem denken aan een raster voor een hemelse variant van boter, kaas en eieren. Hij installeerde een app op zijn telefoon die het vliegverkeer in kaart bracht en al snel wist hij de oorsprong en bestemming van de passagiers hoog in de lucht. Vlucht AR 5127 van London naar Istanbul, de KL 3330 van Amsterdam naar Milaan; naar Tel Aviv vanaf New York, de EA 5070.
“We scanned the skies with rainbow eyes,” merkte Simon op toen hij getuige was van Bobs nieuwe liefhebberij. “And saw machines of every shape and size”, vulde Bob aan.
’s Avonds in zijn caravan las hij over de bestemmingen waar al die mensen naar toe reisden, beeldde zich in wat ze allemaal zouden bezoeken en zien. De condenssporen werden draden die Bob verbonden met een wereld die hem vergeten was.

In de zesde week tuurde Bob gewoontegetrouw aan het einde van de ochtend omhoog om een glimp van de BA 233 naar Wenen op te vangen. Die was op tijd, maar Bobs oog viel op een wit object in een van de bomen naast het pad waar hij stond. Met wat klauterwerk slaagde hij erin de ballon – want dat was het – naar beneden te krijgen. Aan het touwtje van de ballon zat een kleine envelop. Bob stak hem in zijn binnenzak naast het afschrift van het proces-verbaal en vervolgde zijn wandeling met de ballon in zijn hand.
Pas toen hij terug was in zijn caravan, de ballon tegen het plafond van zijn onderkomen zweefde en hij een kop thee had ingeschonken opende hij de omslag en las het briefje dat erin zat.

Aan mijn toekomstige geliefde

Ontken het niet, want ik weet het zeker:
Je bent daar ergens, en ik hou van je.
Prik de ballon lek, mijn lief
Laat mijn adem ontsnappen en naar me terugkeren,
En me als een lichte bries in mijn gezicht vertellen
Dat je me hebt gevonden, en ik jou.
Het is een kwestie van gunstige wind en van geluk.
Het eerste was er, want je leest me nu
Het tweede wacht op me, daar waar jij bent.
Zeg niet dat ik gek ben, want ik weet het zeker:
Je bent daar ergens, en ik hou van je.

De brief was ondertekend met ‘Elise’ en een adres.

Die is gek, mompelde Bob cynisch en brandde zijn tong aan de hete thee.

Toen de stilte van de nacht hem omringde kon hij echter de slaap niet vatten. Elises brief hield hem bezig. Bob had het merendeel van zijn dromen al lang geleden begraven en wat er resteerde lag in het vriesvak van zijn ziel, maar dat betekende niet dat hij ongevoelig was geworden. Deed deze vrouw niet precies wat hij graag zou willen maar niet kon? Het lot in handen leggen van het toeval? Zich niet haar wil op laten leggen door conventies en regels? En was het toeval dat de brief juist bij hem was beland? Bestond dat überhaupt, toeval? Mischien was ze gek, maar in ieder geval niet gekker dan iemand die zijn best deed vloeiend Bowiesch te leren spreken. Op zijn minst zou hij haar antwoorden dat hij de ballon had gevonden, zeshonderd kilometer ten noordwesten van waar ze hem had losgelaten.
Hij stond op, opende de deur en liep de koele nacht in, haar balllon in zijn hand. Hij stak een sigaartje op en drukte de gloeiende punt tegen het bolle oppervlak.

Twee dagen lang verliet Bob zijn caravan niet. Hij schreef, schrapte, beet een pen stuk, schreef, verfrommelde vloekend het papier, dacht na, schreef, sliep, en schreef en schreef en schreef. Wat een korte vindersnotitie had moeten worden draaide uiteindelijk uit op een mix van memoires, autobiografie, en een surrealistische novelle in tien pagina’s. Zelfs zijn verzetsdaad, het besmeuren van de flitspaal-met-smiley en de daarop volgende arrestatie liet hij niet achterwege (van zijn nacht in de cel maakte Bob ‘een niet onaanzienlijke gevangenisstraf’ en hij wist niet zeker of dat pocherij was of dat hij Elise juist wilde afschrikken). De ondertekening met zijn naam kwam op hetzelfde moment als een klop op de caravandeur. Het was Simon die hem vragend aankeek.
“What’s really happening? I miss your soup. The music is outside,” zei zijn buurman met bezorgde stem en nadruk op het laatste woord. Bob haalde zijn schouders op en gebaarde naar zijn magnum opus. “Changes,” zuchtte hij uitgeput en kortaf. Hij had geen woorden meer over, ze stonden allemaal in zijn brief. Zwijgend wandelden ze samen naar het postkantoor waar Bob een envelop in de bus deponeerde.

Na een korte maar intense correspondentie arriveerde Elise in de tiende week met de ZV 1220, en dit keer staarde Bob niet naar de hemel maar naar het aankomstbord op het vliegveld. De vanzelfsprekendheid van hun omhelzing bracht hem met één been terug in de wereld, het andere volgde toen ze met een glimlach zijn caravan betrad.
“Dus hier zat je.”

Ze bleef drie dagen. Bob en Elise wandelden, praatten. Ze sprak met geen woord over de ballon, alsof het voor haar de normaalste zaak van de wereld was dat die op de plek was aangekomen waar hij moest zijn. Ze was jonger dan Bob, maar begon niet over leeftijd. Hij deed dat evenmin, maar wist dat ze wijzer was dan hij. Ze sliepen samen de eerste nacht, Bob onwennig en onrustig, met verleiding als een delicate draad die hen verbond en die hij niet kapot wilde maken. Ze maakten geen avances, hij omdat hij fatsoenlijk wilde lijken, zij omdat ze dat voelde en hem die ruimte gunde.

Tijdens de eerste ochtendwandeling stak Elise haar arm onder de zijne. Bob wees haar op de condenssporen aan de hemel en duidde die voor haar, zij vertelde hem over haar leven, zonder drama, zonder wrok, berustend in de littekens die ze in overvloed had maar waarvoor ze geen schuldige zocht. Door haar aanwezigheid voelde Bob zich lichter worden. Hij sloeg paden in die hij niet kende om de wandeling te laten duren. Ze vroeg naar hem en hij vertelde zijn geschiedenis, eindigend met de nacht in de cel.
“Een niet onaanzienlijke gevangenisstraf, hmm?” vroeg Elise.
“Ik overdrijf wel eens,” zei Bob met een eerlijkheid die hem opluchtte.
“Well, ain’t that poster love?” riep Simon lachend uit een open raam toen hij hen na de urenlange wandeling gearmd langs zijn huis zag lopen. Bob vond dat ongemakkelijk maar Elise legde haar hoofd met een glimlach tegen zijn bovenarm.
“Neem me mee naar bed, liefste,” zei ze zacht.

Hun bezwete lichamen plakten tegen elkaar. Bob lag op zijn rug, zij met haar hoofd op zijn borst, de lakens lagen rommelig om hun verstrengelde benen. Traag liet ze haar vingertoppen over zijn naakte huid en tussen zijn borsthaar glijden.
“Waarom heb je het gedaan?” vroeg ze zonder hem aan te kijken.
“Wat bedoel je?”
“Die snelheidspaal.”
Bob haalde diep adem. “Ik was boos. Dat anderen, die me niet kennen, een oordeel over me geven. Het maakt me razend als het instituten zijn die dat doen, instanties, overheden. Zielloze organen die bol staan van hypocrisie en eigen schandalen, maar mij willen tracteren op een godvergeten boze smiley.”
Ze zweeg even en streelde zijn wang.
“Ik heb óók over je geoordeeld, nog voordat ik je kende. Ik wist dat ik van je zou gaan houden, ik kende je hart, dat was genoeg.” Ze kroop nog dichter tegen hem aan. “Je bent kwaad, maar ook bang, Bob.”
“Bang?”
“Je bent kwaad omdat je je machteloos voelt. En machteloosheid is een bron van angst. Het zet je aan tot vluchten, en dat heb je ook gedaan.”
“Gelukkig maar, anders was je nu niet hier.” Bob probeerde bijdehand te zijn maar in werkelijkheid was hij betrapt en hij wist het.
“Niet hier, maar dan zouden we ergens anders samen zijn. Ik had je overal gevonden. Geloof je dat?”
Bob keek haar aan. Ze meende wat ze zei, er was geen spoor van twijfel in haar ogen.
“Ja.”
Ze kuste hem en verplaatste haar hand naar beneden.
“Doe het nog eens met me, lieve anarchist.”

Opeens, veel te vlug voor Bob, was het dag drie.
“Neem je tijd. Vluchten voor mij kun je toch niet,” zei Elise bij hun afscheid.
“Dat wil ik ook niet.”
“Wees lief voor de wereld. Geloof in jezelf en in ons. We can beat them, just for one day, zou Simon zeggen.” Ze gaf hem een laatste kus, draaide zich om en liep naar de gate.

Een uur later tuurde Bob weer naar de lucht. Op dertigduizend voet hoogte trokken de straalmotoren van een Airbus een condensspoor naar het zuiden, twee scherpe witte penseelstreken tegen een strakblauw canvas. Voor het eerst was er iemand aan boord die hij kende, iemand die hem leerde opnieuw lief te hebben. Pas toen de strepen waren uitgewaaierd en volledig oplosten in het ijle niets keerde hij naar zijn caravan terug. Op een vel papier tekende hij met groene stift een lachende smiley, stopte die in een envelop en adresseerde hem aan de griffie van de rechtbank. Daarna maakte hij soep voor Simon en plannen voor zichzelf.

Ashes to Ashes – The man who sold the world – Memory of a free festival – What’s really happening? – Cactus – Outside – Changes – Young Americans – Heroes

Altijd Zondag – Voorwoord

Het was een plezier én een eer het voorwoord te schrijven voor ‘Altijd Zondag’, de nieuwe verhalenbundel van Sanna Es. Je kunt haar boek hier als paperback of e-book bestellen.

Ongemakkelijk hè?

Ik weet wat je denkt, lezer. Je hebt dit boek in je handen omdat de omslag je aandacht trok. Die prikkelt je nieuwsgierigheid want hij draagt een belofte in zich, hij appelleert aan iets wat diep in je zit. Je slaat het boek open en leest de colofon. Daarin staat een waarschuwing: 18+. Het bevestigt je vermoeden; waar de buitenkant van het boek weliswaar suggestief is maar door iedereen gezien mag worden, is de inhoud ‘uitsluitend voor volwassenen’. Je twijfelt nu. Misschien voel je je zelfs een beetje betrapt, en als je toch besluit verder te bladeren en bij dit voorwoord bent aangekomen weet je één ding al zeker: als er visite komt zal dit boek niet prominent op je salontafel liggen.

Dat is jammer.

Ja, dit boek bevat ‘expliciet taalgebruik’.  Ja, dit zijn gebundelde verhalen waarin lust en verlangen een prominente plaats innemen. Maar het is zoveel meer, dus schud het ongemak van je af. Je nieuwsgierigheid is terecht en zal worden beloond.

Als het schrijven van een kort verhaal een vak is, is het schrijven van een kort erotisch verhaal een ambacht. Een ambacht dat Sanna Es als geen ander beheerst. Ze weet dat erotiek voor verschillende mensen verschillende dingen betekent, en dat de prikkeling van de behoefte aan lijflijk contact en seks – een behoefte die we allemaal hebben, ook jij – soms door ogenschijnlijk simpele dingen kan worden aangewakkerd: een oogopslag, een gebaar, een paar woorden. Ze weet dat het erotische element in een verhaal geen doel op zich is, maar een vanzelfsprekende en passende consequentie van twee andere zaken: storyline en sfeer. Zonder die ingrediënten is elk kort verhaal iets wat kan, maar niet goed voelt. Zonder plot en ambiance blijft elke vertelling een kaars in een vacuüm: doelloos en koud. Hoe anders zijn de verhalen in dit boek.

Misschien heb je inmiddels ook de achterflap gelezen, waarop staat dat de zestien verhalen in deze bundel gaan over gewone mensen. Maar onder Sanna’s vaardige pen worden ze stuk voor stuk toch bijzonder, krijgen ze hun eigen karakter en gezicht. Soms met een glimlach, vaak met zichtbare krassen en littekens, betraand en met doorgelopen mascara. Maar geef toe: wat is menselijker en herkenbaarder dan dat? Lezen is als kijken in een spiegel, en de spiegel die Sanna ons voorhoudt is kraakhelder. Als er al ongemak zit in het lezen van dit boek is dat in de onverbiddelijke eerlijkheid waarmee de verhalen zijn geschreven en die ons diepe verlangen naar menselijk contact weerspiegelt; onze behoefte aan liefde, lijf en lust. Ook die van jou.

Je gaat het boek nog steeds niet op de salontafel leggen, hè?

Geeft niet. Stop het weg in een kast, leg het onder je bed, lees het voor aan die ene persoon voor wie je je brandende nieuwsgierigheid niet verborgen hoeft te houden. Doe ermee wat je wil. Als je het maar leest, het is de moeite waard. Het is zoveel meer.

Mahotsukai

Borges’ Globe (deel 5, slot): de Ayin

Ik werd wakker en het duurde even voordat ik besefte waar ik was. Uiteindelijk bracht de vertrouwde geur van het antiek en de prullaria uit de winkel me bij mijn positieven. Ik kwam rechtop op de sofa en had het koud. Ik draaide mijn hoofd naar de globe, die bewegingsloos op het tafeltje stond alsof er niets was gebeurd. Maar wat was er eigenlijk gebeurd? Was er überhaupt iets gebeurd?
Zoveel vragen.
Pas toen realiseerde ik me dat ik droomloos had geslapen, voor het eerst in lange tijd. Ik raspte mijn hand langs de stoppels op mijn wang en wreef door mijn ogen.
“Hoe voel je je?”
Ik schrok van de woorden die de stilte doorbraken, maar niet van haar zachte stem. Beatriz was er nog. Ze zat aan de toonbank met een boek. Zonder op een antwoord te wachten schoof ze haar stoel naar achteren, stond zwijgend op en verdween naar het kleine keukentje achter in de zaak. Een paar tellen later kwam ze terug met een glas water. Ze ging naast me zitten op de oude sofa en reikte me het glas. Ik nam het zuchtend aan en dronk.
“Hoe voel je je?” vroeg ze nog een keer.
“Uitgeput. Gedesoriënteerd. We zouden naar huis moeten,” zei ik zacht.
Beatriz glimlachte. Ik voelde de warmte van haar lichaam.
“Dat zal niet gaan, Daniël. Het is na zonsondergang. Er is een uitgaansverbod, weet je nog?”
Ik keek vol ongeloof naar het raam. Buiten was het inderdaad al donker. Het leek nu rustig in de straat.
“Verdomme. Hoe lang heb ik geslapen?”
“De hele dag,” antwoordde ze. “Eigenlijk ironisch, vind je niet? Zolang je je vrij kunt bewegen slaap je, pas als je opgesloten zit word je wakker.”
Ze liet haar hand met gespreide vingers door mijn haar glijden, als een warme, troostende kam van mensenvlees.
“Maak je geen zorgen. Het is normaal. De globe put je uit. Straks voel je je een stuk beter.”
Opnieuw draaide ik wat nerveus mijn ogen naar het antieke object, en Beatriz zag mijn aarzeling.
“Niet bang zijn, Daniël. Hij heeft je zijn dienst bewezen. Het is klaar.”
“Zijn dienst?” schamperde ik. “Het was verschrikkelijk, Beatriz. Ik zag …”
“Je hoeft me niet te vertellen wat je zag. Dat zijn mijn zaken niet. Ik weet wat hij doet, dat is genoeg.”
“En dat is?”
Ze zweeg even terwijl ze naar een onbepaald punt achter de toonbank keek.
“Je weet inmiddels wat een Aleph is. Dit is zijn tegenhanger. Het is een Ayin, een van de weinige die er nog zijn. De Aleph gunt je een blik op alle gebeurtenissen in het universum. Hij kan je, net als in het verhaal van de oude meester, tot waanzin drijven omdat de buitenwereld in al zijn verschrikkelijkheid niet te bevatten is, ook al doe je je uiterste best. Maar een Ayin is anders. Door een Ayin kijk je naar binnen, het is een spiegel van je ziel. Hij laat je alle emoties herbeleven die je ooit hebt gevoeld, alle gedachten die je ooit hebt gehad, alle pijn die je dacht vergeten te zijn. Een Ayin loutert en brengt wijsheid, omdat alles wat je ziet en voelt, hoe pijnlijk ook, bij jou hoort.”
Terwijl ik over haar woorden nadacht stond Beatriz op van de sofa, liep naar haar weekendtas en haalde er een fles uit. Daarna stapte ze vastbesloten naar de etalage en pakte een paar antieke kristallen glazen die daar voor twaalf euro per stuk uitgestald stonden.
“Schuif eens op.” Ze nestelde zich weer in de sofa naast me en schopte haar sneakers uit. “Het ziet ernaar uit dat we tot zonsopgang tot elkaar veroordeeld zijn.”
“Dat vind ik niet erg,” zei ik.
Beatriz schonk twee glazen rum in.
“Ik ook niet. Proost.”

De talloze vragen die ik had vervaagden. Plots leken de antwoorden niet belangrijk meer. We praatten niet langer over de globe. We hadden het niet over de ellende en onrust op straat, in de stad, in het land en de halve wereld buiten. Ik liet de streepjescode in het oude boek van mijn vader voor wat die was. Het enige antwoord dat belangrijk was zat naast me en lachte, en voor het eerst in lange tijd lachte ik terug. En naarmate ons gesprek vorderde, over wat doe jij en wat zoek jij, kreeg ik meer en meer het gevoel dat Borges’ globe inderdaad een last van mijn schouders had genomen. De wereld was lichter geworden.

“Ik heb over jou gedroomd,” zei ik.
“Weet ik. Dat is niet meer nodig Daniël. Nu ben ik hier, bij jou.”

Ik weet niet hoeveel tijd er verstreken was toen ik me realiseerde dat we allebei een kwartslag op de sofa gedraaid waren en Beatriz en ik elkaar recht aankeken, zij in lotushouding en ik met opgetrokken benen, allebei genesteld in een hoek van de bank. Met onverholen belangstelling voor wat er in onze hoofden rondging en, twee glazen rum verder, met nieuwsgierigheid naar wat er onder onze kleding aan lijf zat. Natuurlijk, de alcohol maakte ons losser, maar ergens in de leegte tussen ons in op de sofa nestelde zich een onmiskenbare, onzichtbare aantrekkingskracht. Onzichtbaar maar voelbaar, als de zwaartekracht die ons vaste voet op de aarde geeft.

Er is magie in dat ene moment waarop je stopt te raden naar het verlangen van de ander. Het moment waarop je stopt met raden, omdat je het antwoord weet. Je ziet het in elkaars ogen, voelt het in elke terloopse aanraking die je net daarvoor nog aan het toeval toeschreef. Je hoort het in een verandering in elkaars stem, een verandering die ieder ander zou ontgaan behalve jou en de persoon tegenover je. De magie en opwinding die in dát moment liggen opgesloten zijn misschien nog wel groter dan datgene waar het onontkoombaar toe zal leiden. Het moment dat je weet: ik ben niet de enige die opgewonden is. Ik wil jou en ik weet dat je mij wil. Het moment dat een eerste voorzichtige kus uit de hand loopt, en tongen een afspraak bezegelen: wij.

Ze schuift haar hand over mijn dij omhoog naar de zichtbare verharding in mijn kruis, terwijl onze ogen elkaar niet loslaten. Die van haar zeggen: wat heerlijk dat ik dát bij je teweeg breng. Ze buigt zich naar me toe en ik voel de warmte van haar wang tegen de mijne. Ze fluistert een vraag waarop ze het antwoord al weet.
“Wil jij het ook?”
Haar vingers hebben ondertussen houvast gevonden en kneden lichtjes. Nu zou een ‘waar-vraag’ aan de orde zijn: your place or mine? Maar soms is een keuze niet nodig. Door een uitgaansverbod. Of door lust. Of, zoals nu, door beide.

Beatriz zet haar vingers tegen mijn schouder en duwt me zachtjes naar achteren, mijn rug tegen de leuning van de sofa. Ze kruipt omhoog en knielt schrijlings over mijn bovenbenen. Met ingehouden adem kijk ik toe hoe ze haar armen naar beneden beweegt. Ze omklemt met haar vingers de onderzoom van haar hoody en trekt die binnenstebuiten naar boven, met gekruiste armen, zoals alleen vrouwen dat kunnen. Als haar mooie gezicht een moment verdwijnt achter het zwarte textiel zie ik haar roze t-shirt daaronder uit haar jeans ontsnappen en mee omhoog kruipen, tot net boven haar navel, waar het zich bedenkt en half terugglijdt over de naakte huid van haar buik. Ik slik. Ze gooit de hoody achteloos op de grond, als een vod, en doet geen moeite haar t-shirt recht te trekken. Met behendige vingers knoopt ze haar jeans los en haalt iets uit haar broekzak. Een elastiekje, klein, rond, zwart met een goudkleurig verbindingsstukje. Ze tilt haar kin omhoog en schudt haar hoofd even, kort en krachtig. Zo dwingt ze haar lokken achter haar schouders, terwijl ze het elastiekje iets uitrekt en tot halverwege de palm van haar rechterhand schuift. Haar borsten kruipen omhoog als ze haar handen naar de zijkanten van haar hoofd brengt, haar kin weer naar voren buigt en haar haar samenbrengt in een staart. De geroutineerde vingerbewegingen die volgen heb ik nooit begrepen en zal ik nooit kunnen nadoen; hoe de ene hand het elastiekje overneemt van de andere en er gelijktijdig de staart voor de eerste keer doorheenwurmt, gevolgd door een draai van de tweede hand die het elastiekje rekt, in een 8-vorm kruist en nogmaals om de staart sluit – definitief nu.
“Wát?” vraagt ze lachend als ze mijn geamuseerde blik ziet.
“Onnavolgbaar, dat spiergeheugen,” antwoord ik.
Terwijl ze me blijft aankijken ontfermen haar handige vingers zich over de gesp van mijn broekriem.
“Ik hou er niet van als mijn haar in de weg zit bij wat ik met je van plan ben.”
“Oh? Wat ben je dan van plan?”
“Voelen hoe het met jouw spiergeheugen is, Daniël.”

Ze buigt zich naar voren. Ik sluit mijn ogen. Geen vragen meer.

Borges’ Globe (deel 4)

Met voorzichtige, bijna tedere bewegingen maakte Beatriz de metalen slotjes van de doos los en opende ze het deksel. Haar rechterhand bracht achteloos een lok achter haar oorschelp om te voorkomen dat die haar zicht op de inhoud zou belemmeren. Ik verdeelde mijn aandacht over de fijne trekken van haar witte, wat bleke gezicht en haar handen, die ze zorgvuldig langs de zijden de doos in liet glijden. Voorzichtig haalde ze de globe tevoorschijn, zette hem op tafel en plaatste daarna de doos op de grond, alsof ze ruimte wilde maken voor het ronde object. Ik kwam achter mijn toonbank vandaan en stapte op haar toe.
“Pak een stoel,” zei ze met een zachte, serieuze stem. “Die zul je nodig hebben.”
Ik trok een oude Gispen-stoel uit de winkel dichtbij en ging zitten, mijn rug gekromd, nieuwsgierig voorovergebogen naar de globe. Beatriz stapte achteruit en bekeek half staand, half zittend op de leuning van een oude sofa hoe ik hem inspecteerde.

Lees verder

Borges’ Globe (deel 3)

Klik hier voor het begin van het verhaal.


Een globe is een wonderlijk ding. Het is een kaart, maar geen gewone. Zet je vinger er zachtjes op, draai hem rond met je andere hand en er komt geen moment dat je vingertop de kaartrand bereikt. Kijk ernaar terwijl hij draait, en bij iedere omcirkeling van de gekantelde as is er een ander detail waar je oog op valt, een land of een archipel die je daarnet had gemist en die nu je nieuwsgierigheid verwelkomt. Een globe kan jaren op je bureau staan, je schenkt er misschien weinig aandacht aan, maar zodra je dat wel doet beloont hij dat met een nieuwe bron van verwondering. Altijd. Een globe is bolvormige oneindigheid.

Lees verder

Borges’ Globe (deel 2)

Toen ik eenmaal heelhuids thuis was ging ik rechtstreeks naar de vliering en haalde een paar oude dozen tevoorschijn. Daarin zaten de weinige spullen van mijn vader die ik niet had weggegooid, en één van die dozen was gevuld met boeken. Voor het eerst sinds de begrafenis, vier jaar geleden, wierp ik een blik op de inhoud. Er waren boeken over de Tweede Wereldoorlog, bundeltjes met de titel Antiques and how to collect them (deel 1 tot en met 15), en een enkele roman. Plotseling had ik vast waar ik naar gezocht had.

Jorge Luis Borges
De Aleph en andere verhalen

Lees verder

Borges’ Globe – (deel 1)

Het was de vijfde dag van de onlusten en er was geen enkel teken dat de rellen en de vernielingen die avond minder zouden zijn. Daarom begon ik halverwege de middag mijn administratie al bij te werken – niet dat er veel te administreren viel, maar zo had mijn vader me dat nou eenmaal geleerd; van uitstel komt afstel – en maakte me op om ruim voor de avond viel de winkel te sluiten en naar huis te gaan.

Lees verder

Het Midden van Nergens

Nuria
Het enige wat me overeind houdt is de zee.
Het land kan me gestolen worden. De liefde heeft me ernaartoe gehaald, me een paar maanden van geluk geschonken, en me daarna net zo snel weer in de steek gelaten. Zonder waarschuwing vooraf, zonder verklaring heeft ze me in de polders uitgespuugd. Ik leef vervreemd en doelloos, omringd door mensen met een gesloten hart, mensen die op verjaardagsfeestjes in een kring zitten te wachten tot het tijd is om weer naar huis te gaan.

Hoe gaat het met jou?
Goed, en met jou?
Ook goed.

Dansen doen ze alleen als ze te veel gedronken hebben, in dit oord waar men zich het het liefst nog zou verzekeren tegen het uitdoven van de zon.

Maar dan de zee. Haar golven brengen de belofte van een betere wereld. De zee baart hoop uit een onzichtbare bron aan de horizon. Altijd. En omdat de zee me roept zit ik in een treinstel dat zijn beste jaren heeft gehad en ga ik westwaarts, naar de kust. Ik wil in de branding staan, de wind in mijn gezicht voelen, proeven van de zilte druppeltjes die op mijn lippen landen. Ik wil dat de zee me omarmt, dat de wind me influistert wat me te doen staat. Maar bovenal wil ik dansen, met mijn voetstappen een notenbalk in het zand achterlaten. Dansen, met heel mijn hart en ziel, nu ik het kan. Dansen, omdat de muziek zomaar kan stoppen.

Het boek op schoot heeft mijn aandacht al verloren. Ik kijk naar buiten en even lijkt het alsof het niet de trein is die zich over het vlakke land verplaatst, maar dat de wagon stilstaat terwijl de aarde onder ons doorschuift. Dan – ik kan het niet laten – kijk ik weer naar de vrouw die al sinds ons vertrek tegenover me zit. Ze heeft lang donker haar dat langs haar gezicht tot op haar schouders golft. Haar zwarte wenkbrauwen hebben een geprononceerde knik die haar amandelvormige ogen benadrukt. Ze draagt een mintgroene blauwe tuniek over een jeans.
We kijken naar elkaar. Dat gebeurt wel vaker in een trein, maar dit is anders. In dit land vermijden mensen oogcontact, te bang dat iemand in hun ziel kan kijken. Maar de vrouw tegenover me kent die angst niet. Een paar seconden lang sluiten onze blikken een verbond en zijn we verwikkeld in een onaangekondigde, zoete wedstrijd wie als laatste zijn ogen afwendt. Het wordt een gelijkspel. Ze steekt haar hand uit en biedt me met een zwijgende glimlach een Oreo uit een rolletje aan. Ik kijk naar haar vingers, naar haar verzorgde rode nagels, naar de kleine aderen op haar handpalm die dicht onder de koperkleurige huid liggen. Met een beleefd knikje neem ik het koekje aan. Ze neemt er zelf ook een en ik zie hoe ze het secuur met haar voortanden stuk bijt, om te voorkomen dat er kruimeltjes blijven hangen op haar met zorg gestifte lippen. Ik doe geen moeite te verbergen wat ik denk. Met jou zou ik wel willen dansen.

Thomas
Ik leg mijn pen op het uitgeklapte tafeltje dat aan de stoel vóór me is bevestigd. Het notitieblokje dat er naast ligt is nog leeg. Ik ben niet alleen in de coupé. Verderop zitten andere reizigers, maar ik zie slechts de bovenkant van hun jassen aan de haakjes die als kapstok dienen. Onwillekeurig voel ik met mijn hand aan de rugzak die op de zitplaats naast me ligt. Dat is eigenlijk niet nodig, want ik weet wat er in zit en ik heb mijn bagage niet meer uit het oog gelaten sinds ik van huis ben weggegaan. Ik voel de harde, cylindrische vorm onder het canvas en kijk ondertussen naar het vel papier vóór me. Zijn leegte heeft me opgesloten en houdt me gevangen, met blauwe, onbeschreven lijntjes als de tralies van mijn cel. Excuses gaan me gemakkelijker af dan schrijven: het gehobbel van de trein over de rails dat netjes schrijven lastig maakt; het storende gekletter van de regen tegen de dunne ramen van de coupé; mijn donkere onverschilligheid op de dag dat de noordelijke helft van de aarde zich het verst van de zon heeft afgekeerd.

Vandaag neem ik definitief afscheid van haar. Aan zee, zoals ze het graag wilde. De tijd dringt. Of ik de woorden zacht zal uitspreken of hardop in gedachten weet ik nog niet, dat is van later zorg. Eerst moeten ze nog geschreven worden.

Niloufar
Ze is wat jonger dan ik, de blonde vrouw die tegenover me zit. En mooi is ze ook. Ze kijkt naar me en ik geniet van haar nieuwsgierigheid. Misschien zie ik er simpelweg anders uit dan ze gewend is, maar haar ogen zeggen iets anders. Het boek dat op haar schoot ligt is een excuus. Telkens als ze een paar tellen heeft gelezen wendt ze haar blik van het boek af, alsof ze de betekenis van de woorden die ze leest kan vinden in de lucht die haar omringt, en iedere keer weer streelt haar blik de mijne. Sinds ons vertrek heeft ze daarom nog geen pagina omgeslagen. Ze neemt het koekje aan. Zo te zien houden we beide van zoetigheid.

Ik kijk op mijn horloge als de trein plots vaart vermindert en uiteindelijk met een lichte schok helemaal tot stilstand komt. Weer is de vrouw tegenover me afgeleid, maar dit keer niet door mij. Ze kijkt naar buiten, dan om zich heen. Als een moment later ook de lampen uitgaan en de coupé alleen nog wordt verlicht door het grijs van de hemel buiten kijkt ze over haar schouder, licht bezorgd, in de verwachting dat er ieder moment een conducteur de coupé zal binnenkomen om ons te vertellen wat er aan de hand is. Ik zie haar gedachten: we horen hier niet te stoppen. Er is hier geen station. Ik ben nog niet waar ik moet zijn. Maar soms vergissen mensen zich daarin. Zo nu en dan zijn we zonder het te weten op de juiste plaats, op de plek die voor ons is bestemd. Soms zijn we ergens exact op het juiste tijdstip: op het moment dat de wende zich inzet en de kosmos ons leven verandert en alles alleen maar beter kan worden.


Het midden van nergens
Een paar minuten gaan voorbij. Er komt geen mededeling over de luidsprekers, geen conducteur.
“Wat zou er aan de hand zijn?” vraagt Nuria.
Verderop in de coupé staat een jongeman op van zijn plaats. Nuria heeft hem niet eerder opgemerkt. Hij opent de schuifdeur en maakt aanstalten naar de voorkant van de trein te lopen.
“Ik ga wel even vragen,” zegt hij geruststellend in de richting van de twee vrouwen een paar meter verderop. Twee minuten later is hij terug in de coupé.
“Mechanische storing, volgens de machinist. Het gaat een tijd duren.”
Niloufar stopt haar Oreo-rol in een kleine heuptas en trekt haar jas aan.
“Wat ga je doen? Er is hier geen station, we staan in de middle of nowhere,” zegt Nuria verbaasd.
Niloufar drapeert een bonte doek over haar golvende haar.
“Het midden van nergens. Dat is een treffende omschrijving,” zegt ze met een glimlach.
Nuria pakt haar telefoon. “Ook dat nog. Geen bereik hier.”
Niloufar zwiept haar heuptas om.
“Nou, dan zit er niets anders op,” zegt ze met zekere stem. “Gaan jullie mee? Of heb je soms haast?”
“Mee waarnaartoe in hemelsnaam?” vraagt Thomas. “Ik wil naar zee. Nu zijn we…eh… tja, waar zijn we eigenlijk?”
“In het midden van nergens,” herhaalt Niloufar met zachte stem. Dan wijst ze naar het raam, naar buiten.
“Zien jullie die kerktoren in de verte? Dat is mijn bestemming. Er woont familie. Jullie zijn welkom.”
Nuria voelt dat ook de verwarming in de trein niet meer functioneert. Ze rilt.
“Ik wilde ook naar de kust. Ziet er naar uit dat dat niet meer gaat lukken.”
Thomas drukt zijn neus bijna tegen het glas van het coupéraam en staart naar de torenspits aan de horizon.
“Dat is wel een eindje lopen,” zucht hij.
“Ik wil je niet tot last zijn,” zegt Nuria tegen Niloufar, net iets te voorkomend.
“Je bent het tegendeel.” Niloufar schenkt Nuria een glimlach en stapt het gangpad in. “Soms ben je precies waar je moet zijn. Kom. De zee is er morgen ook nog.”

Drie mensen laten een gestrande trein achter zich. Ze lopen over een onverhard weggetje tussen de kale akkers in de richting van het dorp aan de horizon. De grijze lucht is uitgeregend, maar het drietal is onbeschut tegen de kilte van de wind uit het westen. Plassen water tekenen de bochtige landweg, als vlekken op het vel van een slang die traag over de natte aarde kronkelt. Niloufar en Nuria lopen naast elkaar, de blonde vrouw weggedoken in haar jas. Nuria heeft zich erbij neergelegd dat ze de zee vandaag niet zal zien. In het dorp zal ze een taxi moeten bellen. Ze loopt langzaam, deels om de ergste modder te ontwijken, maar vooral om de nabijheid van Niloufar zo lang mogelijk te laten duren.
Thomas slentert een paar meter achter hen. Ergens aan de hemel in het zuidwesten probeert hij tevergeefs de positie van de zon achter het dikke wolkendek te bepalen, tot hij afgeleid wordt door een haas die even verderop wegvlucht in de dikke klei van de akker. Minder en minder voelt hij de last van zijn rugzak, alsof de frisse lucht die hij inademt hem lichter maakt. Thomas had al geen haast, en nu heeft hij zelfs een nieuw excuus in zijn moeizame zoektocht naar woorden.
“Jullie zaten samen in de coupé, kennen jullie elkaar eigenlijk?” roept hij tegen de wind in.
Nuria en Niloufar draaien hun hoofd en kijken elkaar aan.
“Nee,” antwoordt Niloufar. “Maar zo voelt het wel.”
Ze strekt haar arm opzij in de richting van Nuria. Nuria is verrast en aarzelt even, doet dan hetzelfde. En zo, een meter boven een waterplas op een weggetje tussen de akkers, in het midden van nergens, ontmoeten hun vingers elkaar voor het eerst. Een vluchtige aanraking, dan een warme verstrengeling.
“Ik ben Niloufar. En jij?”
“Nuria.” Ze voelt de kou niet meer. Haar hart danst.
“Fijn dat jullie het vragen,” zegt Thomas quasi-cynisch. “Ik ben Thomas.”
“Aangenaam, Thomas” zegt Niloufar. “We hebben nog een half uur lopen voor de boeg. Waarom vertel je ons ondertussen niet waarom je naar zee wil?”
Thomas denkt even na.
“Ik heb mijn moeder hier bij me.”
Hij brengt zijn hand naar achteren en tikt tegen de onderkant van zijn rugzak.
“Dat wil zeggen, haar urn. Ze hield erg van de zee. Nu breng ik haar terug.”

Het is een lintdorp met een twintigtal huizen. Kraaien cirkelen om het dak van de kerktoren die ze vanuit de trein hebben gezien. Er is niemand op straat.
“Weet je zeker dat we hier moeten zijn, Niloufar?” vraagt Thomas. “Het ziet er nogal verlaten uit. Het voelt alsof ik in een scène van de Noorderlingen verzeild ben geraakt.”
“Vertrouw me nou maar, ongelovige Thomas. Dit is precies waar we moeten zijn.”
Vijftig meter verder houdt Niloufar halt voor een klein pand met een forse winkelruit die van grote, goudkleurige letters is voorzien.

Fashion Hashemi
Al uw verstelwerk – Stomerij – Gordijnen

Binnen brandt licht. Nuria probeert door de winkelruit te gluren maar de bontgekleurde paspoppen in de etalage belemmeren haar zicht. Niloufar laat Nuria’s hand los en loopt naar de deur aan de zijkant van het pand.
“Kom,” zegt ze.
Een winkelbel tingelt als ze de deur openmaakt en naar binnen stapt. Nuria en Thomas volgen haar.
Fashion Hashemi is een eenvoudige zaak. Witte muren, witte plafonds. Een lange wand met rekken vol kleding, sommige in doorzichtige plastic hoezen gehuld: kostuums, jurken, spijkerbroeken, tunieken, avondkleding. Na de kou van de akkers heeft Nuria het idee dat het in de winkel veertig graden moet zijn. Aan het plafond hangen zoemende neonbalken, en vanuit een kooitje zingt een kanarie op de gedempte tonen van muziek die vanuit een belendende ruimte klinkt.
Een deur achterin de winkel gaat open en een kleine gestalte stapt de zaak binnen.
“Goedenavond, oom Jalal,” zegt Niloufar vrolijk.
De tengere man houdt halt. Zijn korte, zwarte haar glanst in het neonlicht. Hij buigt zijn hoofd licht naar voren en kijkt verbaasd over de glazen van zijn leesbril in de richting van de bezoekers. Dan verschijnt er een brede lach op zijn gezicht.
“Niloufar! Lieve nicht!”
Hij strekt zijn armen uit, komt met haastige passen dichterbij en neemt Niloufar’s hoofd tussen zijn handen.
“Je verblijdt mijn hart met je komst, Niloufar. Je straalt. Moge je levenspad vol vreugde blijven.”
Dan wendt oom Jalal zijn hoofd en kijkt vragend naar de anderen.
“Dit zijn Nuria en Thomas, oom.”
De kleine man schudt lachend de hand van Nuria, dan die van Thomas.
“Welkom. Gasten zijn een geschenk van God. Zeker met Yalda.”
“Yalda?” vraagt Nuria verbaasd.
Oom Jalal trekt zijn wenkbrauwen op.
“Heeft Niloufar dat niet verteld? Zoals je aan de muziek hoort zijn we in voorbereiding op het feest. Het is de korste dag van het jaar, voorafgaand aan de langste nacht, Shab-e Yalda. De zon wordt opnieuw geboren, vanaf nu worden de dagen langer, we laten de zorgen van het afgelopen jaar achter ons en gaan op weg naar de lente. Ik hoop dat je trek groter is dan je haast?”
Hij wacht hun antwoord niet af.
“Vooruit, doe je schoenen uit en kom mee naar achteren. Eet en drink. Vereer mijn huis met jullie aanwezigheid.”


Thomas
Kaarsen branden, verse bloemen geuren. Brood, zoetigheid, vruchten en noten zijn zorgvuldig uitgestald op de tafel. De kleine, eenvoudige kamer is gehuld in een zweem van rood en groen: granaatappels, watermeloen, pistachenoten, gebak, een vlag in dezelfde kleuren. Niloufar’s familie praat en lacht, we eten en drinken thee. Ik heb oom Jalal verteld over mijn moeder, en op zijn aandringen heb ik de urn uit mijn rugzak gehaald en op een kastje naast me gezet.
“Ook zij is mijn gast,” zei hij. Hij meende het.
Als oom Jalal opstaat en het boek ter hand neemt dat al de hele avond voor hem ligt doven de vrolijke stemmen van de gasten en wordt het stil. Zelfs de stoeiende kinderen staken hun spel en richten hun ogen op de heer des huizes. Jalal zet de leesbril op zijn neus en opent het boek. Dan leest hij de woorden voor. Hardop maar vooral bedachtzaam, alsof iedere lettergreep van kristal is en bij de geringste verspreking zal breken. De taal klinkt warm en zangerig. Verstaan doe ik het niet.
Hafez,” fluistert Niloufar in mijn oor. “Een groot dichter. Het is traditie hem voor te lezen in de Yalda-nacht.”
“Waar gaat het over?” fluister ik terug.
“Waar gaat het niet over? Het leven, de liefde, vreugde en vergankelijkheid.”
Ik laat de bronzen klanken tot me doordringen. Het leven en de vreugde zie ik om me heen. De liefde is er ook, in de ogen van Nuria en Niloufar die elkaar telkens weer zoeken. De vergankelijkheid, dat is de urn naast me.
Of het Hafez’ geest was die ze me influisterde zal ik nooit weten, maar plots zijn er de woorden die ik zocht, de woorden voor mijn moeder.

Ooit droeg je mij, en alles wat ik ging worden.
Nu draag ik jou en alles wat er van je over is.
As en herinnering.

Nuria
Alle familie en gasten zijn vertrokken, het feest is langzaam opgelost in de stille schemer van de ochtend. Tante Yazmin is naar de keuken. Oom Jalal heeft beloofd ons straks naar zee te rijden. Nu is hij met Thomas naar buiten om te roken. Voor het eerst sinds de trein ben ik met Niloufar alleen. Tevergeefs probeer ik te duiden hoe het leven me in de afgelopen uren heeft overrompeld. We zitten aan tafel en zwijgen. Niet omdat we de woorden niet vinden, zoals Thomas, maar omdat we geen woorden nodig hebben. Als vanzelf zoeken onze vingers elkaar weer. Zachtjes tilt Niloufar mijn hand op en brengt die naar haar wang. Haar huid is zacht en warm. Ze kijkt me aan.
“Je bent onbeschrijflijk mooi,” fluister ik.
Niloufar glimlacht als antwoord en staat dan op van haar stoel.
“Kom.”
Ze leidt me naar het midden van de kamer en brengt haar handen op mijn heupen. Op de zachte tonen van de muziek beweegt ze haar lichaam en ik heb geen andere keus dan haar te volgen. Ik kijk omlaag naar de trage, ritmische stapjes die onze voeten maken, beschroomd bijna. Met haar vinger tilt Niloufar zacht mijn kin omhoog.
“Kijk naar me, Nuria. Dansen doe je ook met je ogen.”
Haar armen sluiten zich om mijn rug. Ik voel de warmte van haar lichaam, haar borsten tegen de mijne, mijn hoofd dichtbij het hare. Een moment lang zijn onze lippen centimeters van elkaar. Dan verdragen ze ook die minieme afstand niet meer.

Niloufar
We zijn de enigen op het strand. Ik kijk naar Thomas die vijftig meter verderop staat. Ondanks de temperatuur is hij blootsvoets, zijn broek opgerold tot boven zijn kuiten. Het koude water rond zijn voeten lijkt hem niet te deren. Terwijl hij de as van zijn moeder in de ruisende branding uitstrooit bewegen zijn lippen en spreekt hij zijn woorden van afscheid.

Ik draai me om naar Nuria. Met een aangespoelde tak heeft ze vijf evenwijdige lijnen in het zand getrokken. Ze draait zich naar de zee, sluit haar ogen en strekt haar armen opzij alsof ze zich door de wind wil laten meevoeren. Dan begint ze te draaien, om haar eigen as, eerst met langzame passen en dan steeds sneller, als een derwish. Dansend en tollend over de lijnen in het zand vindt ze met gesloten ogen haar weg terug naar mijn omhelzing. Samen kijken we naar de voetstappen die ze op de lijnen heeft achtergelaten, naar haar notenbalk aan zee.
Het is het begin van ons lied.

Polaris (slot)

(klik hier om het vorige deel te lezen; klik hier om naar het begin van het verhaal te gaan.)

Göteborg, juli 2017

Met een zucht sloeg Axel Berglund de laatste pagina van de krant dicht en legde die op de stapel die voor hem lag. Hij leunde achterover in zijn stoel en tuurde door het raam naar buiten. De vroege ochtendzon dwong hem zijn ogen tot spleetjes te knijpen. Beneden op straat leek het een gewone dag in Göteborg; voetgangers stroomden als een mierenkolonie uit het metrostation en haastten zich naar hun werk, bestelbusjes vervoerden klusjesmannen naar een klus, een zwerver stond voorovergebogen in een afvalbak op zoek naar iets eetbaars. Toch was er iets veranderd. Sterker nog. Zweden zou nooit meer hetzelfde zijn.

Lees verder