De Klok

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

clockwork_time

Ik had niets om me schuldig over te voelen, en toch schrok ik van de telefoon. Er was nooit iemand die me belde, behalve mijn moeder. Maar die belde altijd ’s avonds, niet aan het eind van de ochtend.
“Bart, met Isa.”
“Hallo Isa.” Mijn schrik maakte plaats voor zenuwachtige verrassing.
“Jij bent toch goed met techniek? Ik heb je nodig. Dringend.”

Haar stem was gehaast, zangerig, licht, en hoog van toon. Ik kende Isa uit de collegebanken. We volgden een vak samen. Of, om eerlijk te zijn, ik nam een keuzevak omdat ik wist dat Isa dat ook deed. Dat kostte me geen extra moeite want het studeren ging me gemakkelijk af. Lorentztransformaties zijn wiskundig gezien eenvoudig, en dus kon ik tijdens de gemeenschappelijke colleges over dat onderwerp mijn aandacht zonder problemen vooral op Isa richten. Ze merkte me nauwelijks op en dat was niet zo raar. Studeren was eigenlijk het enige dat in mijn studententijd soepel ging. De kroeg interesseerde me niet, de stad was een bron van onaangename prikkels die me afleidden en onrustig maakten, en ik was te onhandig en te vreemd om bestendige vriendschappen op te bouwen. Laat staan om Isa te versieren.

“Eh…ja. Wat is er stuk? Ik kan morgen wel langskomen als…”
“Niet morgen, nu. De klok is kapot. Spring op je fiets en kom. Je kent het adres.”
Ze verbrak de verbinding en liet me in verwarring achter.

Ik was een ‘student-aan-huis’ lang voordat het zo genoemd werd. Van computers tot tv’s, van wasmachines tot CV-ketels, ik repareerde en installeerde alles. Het liefste iets met een motor of een ander mechaniek, hoe kleiner hoe fijner, bij voorkeur horloges. Ik herstelde een beschadigde IWC of een Patek Philippe voor de helft van de astronomische prijs die een juwelier daarvoor rekende en dat had me al een trouwe klantenkring bezorgd. Met de opbrengst kon ik mijn wiskundestudie en mijn kamer bekostigen. Bovendien gaf het me rust en focus.

Tien minuten na het telefoontje zat ik op de fiets, met haastig bijeengeraapt gereedschap en instrumenten in mijn rugzak. Isa woonde bij een hospita in een nette buitenwijk. Ik had haar daar een keertje afgezet na een werkcollege in de avond. De zoen die ze me op mijn wang had gegeven had ik in mijn fantasie ongecontroleerd laten groeien. Dat durf ik nu wel te zeggen. Isa was een loner, net als ik. Ze was blond, niet al te groot en op een prettige manier introvert. Ze had een zachtaardig, bijna engelachtig voorkomen, en in vervlogen eeuwen had ze zo model kunnen staan voor een vroom Mariabeeld of een piëta. Maar in mijn klamme dromen veranderde de onschuldige studente in een onbeschaamde vrouw, een godin van lust, die me willens, wetens en zonder scrupules verleidde en me haar lichaam aanbood. Isa ontketende verlangens in me die ik -jong en bleu als ik was- krampachtig probeerde te ontkennen. Ik trapte harder op de pedalen voor haar dan voor de kapotte klok.

Het was niet Isa die de voordeur van de villa opendeed.
“Ah, de klokkenman. Kom verder.”
De vrouw had een bleek gezicht en oogde vermoeid. Ondanks dat zag ik de fijne trekken van haar gezicht. Haar linkeroog leek iets kleiner dan het rechter, haar kaaklijn was smal. Ergens kwam ze me bekend voor. Het ergerde me dat ik haar leeftijd niet kon schatten. Ouder dan ik, jonger dan mijn moeder, verder kwam ik niet. Ze was helemaal in het zwart gekleed. Zonder verdere plichtplegingen liet ze me binnen en ging me voor. Haar hakken tikten als een uurwerk op de zwart-witte plavuizen in de gang. Ze liep niet, maar schreed. Ik keek naar haar kont en haar kuiten en bloosde toen ik me dat realiseerde. In haar elegantie beantwoordde ze niet aan het beeld dat ik van een hospita had.

“Is Isa er niet?” vroeg ik toen we een ruimte binnenstapten die leek op een bibliotheek. Gevulde boekenkasten strekten zich uit tot aan de hoge, geornamenteerde plafonds. Een chaise-longue stond op een immens Perzisch tapijt.
“Jawel hoor, maak je geen zorgen. Je zult haar straks zien. Belle.”
“Pardon?” stamelde ik.
“Belle. Zo heet ik.” Ze strekte met een vage glimlach haar arm uit en ik schudde bedeesd haar hand. Die voelde koud.
“Bart.”
Belle wendde haar hoofd en ik volgde haar blik. Op een kleine salontafel in het midden van de kamer stond een rechthoekig object, ongeveer vijftig centimeter hoog.
“De klok,” zei Belle.
Ik liep naar de tafel, knielde, en keek aandachtig naar het uurwerk. De behuizing was van een soort antraciet, versierd met kleine florale motieven die een herkomst uit de periode van de art nouveau verraadden. De witte, ronde wijzerplaat vormde de achtergrond van twee wijzers maar was verder leeg: er stonden geen cijfers op. Tot mijn verbazing hoorde ik een licht tikkend geluid en toen ik aandachtig naar de wijzers keek zag ik hoe ze, heel langzaam, bewogen.
“Maar hij loopt gewoon,” zei ik.
“Dat is nou net het probleem,” antwoordde Belle achter me. Ze praatte zacht, alsof de woorden haar moeite kostten.
“Deze klok hoort niet te lopen. Althans niet zoals hij nu doet. Het mechaniek is stuk. Je zult het wel zien als je hem openmaakt. Ik laat je ermee alleen, want ik weet dat je het liefst in stilte werkt. Het is belangrijk dat je hem repareert. Als je klaar bent merk ik het vanzelf.”
Ik sloeg weinig acht op Belle’s woorden, nieuwsgierig als ik was naar het mechaniek in het binnenste van de klok.

Ik opende het deurtje aan de achterkant van het uurwerk en mijn adem stokte. Talloze echappements, ankers, stelschroeven, spiraalveren. Een doolhof van stiften, palletjes, ankerraderen en vorken. Ik had nog nooit zoiets complex gezien en kon er ook bij nadere inspectie geen logica in ontdekken.
Ik stond op het punt de moed op te geven. Hoe kon ik iets maken dat ik niet begreep? Ik sprak mezelf streng toe. Het is een systeem. Er moet orde en structuur zijn. Geheel tegen mijn gewoonte besloot ik me te laten leiden door mijn ervaring en mijn intuïtie.

Na uren voorzichtige demontage, waarbij ik nauwkeurig noteerde en tekende en mijn gedachtes aan Isa helemaal verdwenen, vond ik de boosdoener. Diep in het binnenste van de klok was een minuscuul radertje gekanteld en het blokkeerde daardoor het anker dat het van zijn mechanische hartslag moest voorzien. Ik repareerde het voorzichtig en gebruikte mijn aantekeningen om alle onderdelen weer op hun plaats terug te zetten. Daarna wond ik de klok op met de sleutel die ernaast lag. Ik zag hoe de aandrijfveer spanning opbouwde naarmate ik de sleutel vaker ronddraaide. Toen zette het mechanisme zich in beweging. Vorkjes werden heen en weer getikt, kleine palletjes  grepen zich vast in ankerradertjes, tandwieltjes begonnen om hun as te draaien en hun beweging door te geven aan roterende stiftjes. Al die bewegingen lieten me duizelen, maar ik was verrukt ze te zien. Ik draaide de klok en bekeek de wijzers. Tot mijn verbazing stonden die nu helemaal stil. Ik wachtte een paar minuten gespannen, maar terwijl het verfijnde binnenwerk klikkend en ratelend zijn werk deed was er in de wijzers geen beweging te ontdekken. Ik ging achterover in de stoel zitten en dacht na. Kennelijk had ik iets over het hoofd gezien, maar wat?

Op dat moment ging de deur van de bibliotheek open.
“Je hebt hem gemaakt.”
In de deurpost stond Isa. Mijn adem stokte en even dacht ik dat ik droomde. Het was niet de Isa uit de collegebanken. Haar bovenlichaam was naakt, haar haar opgestoken. Ze droeg zwarte holdups en een zwarte kanten string. Met haar hoge hakken was ze een stuk langer dan op haar gebruikelijke sneakers. Er was een stout glimlachje in het engelengezicht waarnaar ik zo vaak had zitten staren.
“Isa? Wat is dit? Ik…”
Ze sloot de deur en ging op de chaise-longue zitten. Ze sloeg haar gekouste benen over elkaar en legde haar handen op haar knieën.
“Ja, Isa,” zei ze. “De Isa waar je zo naar verlangt. De Isa uit je fantasie. Beval ik je?”
“Ja…ik bedoel…ja, zeker, maar… de klok…” stamelde ik onsamenhangend.
“Die klok is met mij verbonden. Het is mijn ziel. Hij is heel oud, net zo oud als ik. Je hebt hem gerepareerd en daarmee heb je ook mij geheeld. Ooit staat hij voorgoed stil, maar nu nog niet. Dankzij jou.”
Ik had het warm en het duizelde me.
“Ik begrijp het niet, ik…”
“Nee, dat verbaast me niet,” zei Isa terwijl ze met haar vingers haar hals streelde. “Je zat immers niet op te letten bij de Lorentztransformaties, lieve Bart. Je snapt de algebra en de meetkunde erachter, maar je weet niet wat het betekent. Echt, je hebt geen flauw idee. Tijd is rekbaar. Tijd kan worden gekneed en verwrongen, jaren kunnen worden samengeperst tot dagen, minuten worden opgeblazen tot eeuwen. Een klok kun je repareren, maar je kunt de tijd niet je slaaf maken. Uiteindelijk heerst de tijd over jou. Je had het kunnen snappen, Bart. Maar in plaats daarvan staarde je naar mij, en liet je me dingen voelen die ik lang niet had ervaren. Terwijl ik altijd zo mijn best doe om niet op te vallen.”
Isa stond op en liep heupwiegend naar me toe. Toen knielde ze aan mijn voeten. Terwijl ze haar armen om mijn knieën sloeg legde ze haar wang op mijn schoot, haar ogen gericht op de klok.
“Er is weinig tijd over, Bart,” zei ze zacht. “Ik wil dat je met me doet waar je over hebt gefantaseerd. Ik was erbij, ik heb het gezien, ik heb het gevoeld. Ik wil het. Schaam je niet, omarm wie je bent. Ik zal alles zijn waar je naar verlangt.”

Op dat moment was het alsof er ook in mijn lichaam een mechaniek op gang kwam. Mijn hart klopte niet meer in mijn keel, ik voelde mijn ademhaling rustiger worden. Een onzichtbare hand liet me opstaan en terwijl Isa roerloos geknield bleef zitten haalde ik een strook zwart klittenband en een paar tie-wraps uit mijn rugzak, die ik normaal gebruikte als kabelbinders. Ik knielde achter haar en streelde haar blanke rug. Ze zuchtte en boog haar hoofd opzij, alsof ze wist wat er ging gebeuren. Zonder iets te zeggen legde ik de strook klittenband om haar hals en drukte de uiteinden tegen elkaar. Het was eenvoudig materiaal, maar het was het mooiste sieraad dat ik me op haar huid kon voorstellen. Onyx op ivoor. Even raakte ze de band vluchtig met haar vingertoppen aan.
“Ja, zo was het. Zo zag je me.”
Ze zei het zacht, met vochtige rode lippen, haar hoofd licht naar achteren gebogen en haar ogen gesloten. Isa rechtte haar bovenlichaam en bracht haar armen achter haar rug, haar polsen over elkaar. Het was een onuitgesproken gebod. Ik pakte de tie-wraps en bond haar smalle polsen achter haar rug bij elkaar. Toen drukte ik me van achteren tegen haar aan, omvatte haar borsten en voelde hoe haar tepels verhardden tussen mijn duim en wijsvingers. Ik bracht mijn gezicht naast het hare en luisterde naar haar versnelde ademhaling. De vingers van haar gebonden hand kneedden mijn kruis. Ik was hard.
“Laat het toe, Bart,” fluisterde Isa. “Je geilt op me. Je droomde ervan me zo te hebben. Wat houdt je tegen? Nu mag je. Doe met me wat je wil. Neem wat van jou is, neem de tijd. Neem me!”
Voor het eerst stak ik het niemandsland over dat al die tijd tussen mijn hoofd en mijn hart had gelegen. Er was geen aarzeling meer, geen gêne. Met één hand pakte ik Isa’s haar vast en dwong haar voorover naar de grond. Met mijn andere hand trok ik met een ruk haar slipje tot in haar knieholtes naar beneden. Ze spreidde haar benen zover als het textiel om haar knieën dat toeliet. Ik liet haar los, stond op en trok haastig mijn kleren uit. Ze zei niets, en toch instrueerde ze me. Ze onderwierp zich, maar beheerste al mijn handelingen. Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden.

Ik ging weer in de stoel zitten, naakt, vóór Isa. Voorzichtig pakte ik haar gezicht en bracht haar hoofd naar mijn schoot. Ze opende haar ogen en terwijl ze me in haar mond nam keek ze naar me op, vragend bijna. Weer pakte ik haar haar beet en dwong haar, dieper, sneller, terwijl haar ogen de mijne vasthielden. De warmte van haar mond en haar geur was bedwelmend. Toen liet ze me gaan. Terwijl Isa haar wang tegen mijn harde, vochtige lid aanvleide sloot ze haar ogen weer.
“Ik wil je in me,” zei ze zacht. “Ik wil dat je me neukt. Neuk me zoals jij dat wil. Neuk me alsof de tijd niet bestaat.”
Ik stond op en knielde opnieuw achter haar. Met een korte, stevige ruk scheurde ik het stof van haar slipje kapot. Met kracht liet ik een vlakke hand op haar billen neerdalen.
Ze gehoorzaamde het hardhandige bevel en spreidde haar bevrijde benen. Bijna onmiddellijk kleurde de blanke huid van haar bil lichtrood van de klap. Ik zag hoe ze zich opende, een warme, vochtige uitnodiging die ik niet kon of wilde weerstaan. Ze hield haar adem in toen ik haar vulde en haar speeksel op mijn schacht zich vermengde met het vocht van haar lust. Isa draaide haar hoofd naar me om en keek me aan, haar ogen groot en haar mond licht geopend. In die blik vloeiden de Isa uit de collegebanken en de Isa uit mijn fantasie samen. Ze spraken niet, toch hoorde ik hen allebei.

Wat doe je met me? vroeg Isa, de engel, smekend.
Ja, doe dat met me! gebood Isa, de godin, dwingend.

Ik greep haar gebonden armen bij de ellebogen vast en neukte haar. Hard, diep, en met een verlangen dat ik niet meer onder controle had. Ze hield haar ogen op me gericht, het ene net een fractie kleiner dan het andere, haar geopende mond die haar kaaklijn verder versmalde. Toen ik me in haar ontlaadde ontsnapte een diepe kreet aan haar zachte lippen. Het was een kreet die de eeuwen liet scheuren.

We lagen in stilte op de grond, Isa’s hoofd op mijn borst. Ik staarde naar het uurwerk op de tafel en zag hoe de wijzers langzaam bewogen. Ze gingen tegen de klok in.

***

Na die middag heb ik Isa en Belle nooit meer gezien.
“Spoorslags vertrokken”, zeiden de werklui die een paar dagen later met de verbouwing van de verlaten villa aan de gang waren. Ik vroeg collega-studenten of ze wisten waar Isa was, maar niemand had een antwoord. Sterker nog: niemand kende haar.
Zo vervaagde ze. Na jaren was de herinnering aan Isa niet meer dan de schaduw van een vervlogen droom, een schaduw die korter werd naarmate de zon in mijn leven hoger aan de hemel kwam te staan. Andermans horloges repareerde ik niet meer; in plaats daarvan richtte ik mijn aandacht op het mechaniek van mijn eigen zieleklok en leerde ik te vertrouwen op intuïtie en ervaring wanneer het leven me ondoorgrondelijk ingewikkeld leek.
It’s about fucking time,” zei een vriend toen ik eindelijk afstudeerde.
Ik gaf hem een klop op de schouder en lachte. Hij had volkomen gelijk.

^^

Prikkelzinnen

 

Advertenties

Larrios

Marnix Pessen, schrijver en dichter, leefde in de eerste helft van de vorige eeuw. Ofschoon hij niet voorkomt in de canon van de literatuur verwierf hij in zijn tijd enige bekendheid, al was het maar omdat hij vaak publiceerde in zijn streekdialect dat ook het mijne is. Het zuiden van Europa had een sterke aantrekkingskracht op hem en één van zijn boeken deed verslag van een reis door Spanje en Portugal. Ik vond het boek in een antiquariaat en toen ik het las raakte ik gefascineerd door de emoties waartussen Pessen heen en weer werd geslingerd en hoe hij zich daarin staande hield. Nergens maakte hij een geheim van zijn afschuw van de bewoners van het Iberisch schiereiland (‘dieven en klaplopers’), om vervolgens lyrisch te vertellen over de onwerkelijke schoonheid van het Alhambra en het Alcazábar. Terwijl ik zijn bloemrijke woorden in me opnam realiseerde ik me ook hoezeer de landen die hij had bezocht in de tijdspanne van een eeuw waren veranderd: van achterlijk en straatarm boerenland, praktisch van de wereld afgesneden door de Pyreneeën en de zee, naar moderne staten, waar Europees geld de karrensporen had vervangen door gloednieuwe snelwegen.

Lees verder

Erotica Estafette deel 3 – Brioche

wat vooraf ging (deel 1)
wat vooraf ging (deel 2)

Ergens, verscholen onder het wasgoed, klinkt een mobiele telefoon. Julien probeert de stotende bewegingen van zijn onderlijf voort te zetten terwijl hij gelijktijdig met zijn rechterhand haastig een paar handdoeken aan de kant gooit, graaiend naar zijn iPhone. Maar de verslapping van zijn aandacht wordt opgemerkt.
Ga door, putain! Niet stoppen, klootzak!”
De ringtone is de melodie van André Hazes’ Kleine jongen. Het is een aandenken aan Leiden, waar Julien een jaar archeologie heeft gestudeerd en zich meteen in ’s lands cultuur – lees: het kroegleven – heeft verdiept. De liedjes van de volkszanger hebben hem geholpen het Nederlands onder de knie te krijgen.
“Laat die telefoon godverdomme en neuk me!”
Mara heeft gelijk. En Hazes ook. Julien kijkt omlaag en spreekt in gedachten zijn harde lid toe, dat halverwege wordt omsloten door een zachte zee van vochtig roze.

Kleine jongen
Je bent op deze wereld, dus zal je moeten vechten, net als ik.

Hij grijpt Mara in haar knieholtes, spreidt haar benen verder en vecht. De telefoon zwijgt. Mara schreeuwt.
Baisse-moi Julien! Ja, zo! Ga door!”

Met archeologie is geen boterham te verdienen maar de tertiaire voorwaarden van een bijbaantje in het hotel bevallen Julien. Hij neukt Mara het liefst in de linnenkamer. Zij, het kamermeisje, heeft de sleutel. Maar Julien’s voorkeur voor het kleine hok op de eerste verdieping is naast praktisch ook esthetisch. Mara’s egale, karamelkleurige huid bevalt hem het best in contrast met het ruwe wit van de badhanddoeken en hotellakens. Ze is een schoonheid uit Guadeloupe, met koolzwarte ogen en vuurrode lippen. Zacht en zoet als brioche, maar dan wel uit de finale van Heel de Hel bakt.

“Is dit alles wat je hebt? Maak het af, Julien. Neem wat van jou is. Daar was je toch op uit? Je geile meisje stiekem neuken tot ze gillend klaarkomt? Nou, waar wacht je op? Doe met me wat je wil. Neuk me en laat me komen, klootzak!”

Hazes klinkt opnieuw. De archeoloog in Julien neemt het van de minnaar over. Hij graaft zijn weg naar de bron van het geluid.
Allo? Ja, ik ben het, Julien. Ja…ja… oké. Ik ga onmiddellijk.”
Julien schiet haastig zijn kleren aan en fatsoeneert zijn haar.
“Wat ga jij doen?” vraagt Mara verontwaardigd.
“Er is iets op kamer 469, die Hollanders. Ik moet gaan kijken van de concierge.”
“En ik dan? Laat je me hier zo achter? Je bent een lul!”
“Ik ben de enige lul in het hotel die Nederlands spreekt.”

Als Julien de deur van de linnenkamer achter zich sluit hoort hij hoe een glas uiteenspat tegen het hout aan de andere kant.
“Zak in de stront, Julien!”


EE-button

Het vervolg, geschreven door Liza Daen, lees je hier: Mon Dieu!

Korte Rokade

6367372497_00ba08f39c

In het westen draait de aarde de zon haar andere kant toe. Ik schrijf het bewust zo. Niet: in het westen gaat de zon onder. De zon gaat helemaal niet onder, de aarde draait zich van haar weg. Ik hecht aan dat soort nuances, alhoewel ik ze meestal niet uitspreek.
“Om me voor te bereiden op een toernooi.”
Ze vroeg waarom ik hier was.
De laatste schaduwen van de dag zijn lang, het geluid van de krekels zwelt aan, de hitte is zwoele warmte geworden. Ze maakt me onrustig.
“Een toernooi? Ben je een sportman?”
Tja. Sommigen noemen het een sport, anderen vinden het een spelletje. Ik heb dat label nooit belangrijk gevonden. Een atleet ben ik niet, maar ik train wel. Zoals daarnet, toen ik een oude partij van Lasker tegen Steinitz analyseerde. Bij zet 32 schoof ze ongevraagd aan mijn tafeltje aan. Ik hou er niet van om onderbroken te worden.
“Zoiets. Ik schaak.”
Kortafheid, is dat een woord? In ieder geval heeft het geen effect. Ze glimlacht en nestelt zich brutaal in de terrasstoel tegenover me, haar blote schouders boven een handdoek die zo bont is dat hij tegen me lijkt te schreeuwen.
“Wat leuk. Zoiets vermoedde ik. Ik lig hier al dagen aan het zwembad en probeer met je te flirten. Maar je kijkt niet op of om.”
Normaal gesproken zit ik tegenover mensen die in gedachten verzonken zijn, die nadenken over een ingewikkelde stelling en me hoogstens met hun trommelende vingers op het tafelblad of het schuiven van hun stoel uit mijn concentratie proberen te halen; niet met woorden. Flirten? Ze moet nu echt weg.
“Als u het niet erg vindt, mevrouw, ga ik nu weer verder.”
Er verschijnt een brede glimlach op haar roodgestifte mond. Even denk ik dat mijn woorden effect hebben, maar ze staat alleen maar op om haar handdoek over de rugleuning van de stoel te hangen. Terloops trekt ze met twee vingertoppen onder het stof haar bikinibroekje recht. Daarna gaat ze opnieuw zitten en sluit haar lippen om het groene rietje in haar cocktailglas. Een druppel vocht zoekt langzaam zijn weg van haar natte bruine lokken naar haar hals, dan naar haar borsten. Daar lost hij op in het stof van haar rode bikinitop.
“Wat keurig van je, om me mevrouw te noemen.”
“Ik ken u niet, en …”
Ze onderbreekt me.
“Je kent me niet en je ouders hebben je geleerd beleefd te zijn tegen onbekenden. Dat is goed. Toch zou ik willen dat we later vandaag geen vreemden meer zijn en je me anders noemt.”
Niet goed, niet goed, waarschuwt de sirene in mijn hoofd. Ik weet niet wat me onrustiger maakt, haar directheid of de gladde, gebruinde huid van haar slanke armen. Ze ziet mijn vertwijfelde blik.
“Laat me raden,” zegt ze. “Je bent waarschijnlijk een erg goede schaker. Anders zou je niet in dit resort zitten om je voor te bereiden. Je bent vast heel intelligent en gewend om te winnen. Maar je hebt moeite met grillige tegenstanders. Hun onvoorspelbaarheid brengt je uit balans.”

Flashback. Tata Steel toernooi 2015. Viktor Kowalski. Hongaar, ELO-rating 2600. De opening verloopt volgens het boekje en precies zoals verwacht. Maar zijn pionoffer op zet 18 is zo merkwaardig en ogenschijnlijk zo onlogisch dat ik compleet van slag raak. Ik heb geen antwoord en verlies de partij kansloos – met wit nog wel. Viktor Kowalski, en zijn duivelse lachje.

“Mijn ouders hebben me ook geleerd om niet te liegen. Wat u zegt klopt.”
Ze leunt achterover in haar stoel.
“Nou dan. Ik weet dat je de zenuwen van me krijgt. Waarom maak je mij geen onderdeel van je voorbereiding? Zie het als een training om met onvoorspelbaarheid om te gaan.”
Met haar hand brengt ze een losse lok haar achter haar oor. Ze kijkt me onverstoorbaar aan. Oogcontact vind ik moeilijk, dus zoek ik een alternatief voor haar groene ogen en kijk te lang naar haar borsten.
“Masturbeer je veel?”
De sirene in mijn hoofd ontploft. Het antwoord op haar vraag verschijnt als zwijgend karmozijn op mijn wangen. Ik wil dat ze ophoudt, ik wil dat ze weggaat en dat ga ik haar nu ondubbelzinnig vertellen.
“Eh…dat…”
“Ik wel. Het is de zon, de warmte, de ontspanning, de fantasie. Het windt me op. Ik kan er geen weerstand aan bieden en doe daar ook geen moeite voor. Heb jij dat niet?”
Ik trek mijn been in een reflex terug als ik merk hoe ze onder de tafel met haar voet mijn kuit streelt. In mijn hoofd is er kortsluiting.
“Dat kan niet anders,” vervolgt ze. “Je bent een jonge vent in de kracht van zijn leven, en je bent hier alleen. Ik vraag me af waar je aan denkt als je met jezelf speelt.”

Fantasie. Olga Brazova, Oekraïense, ELO-rating 2300. Olga Brazova, wijdbeens knielend, haar gezicht naar de muur en haar handen vastgebonden aan de spijlen van het bed. Olga Brazova, naakt, op haar hold-ups en  hoge zwarte hakken na. Olga Brazova, die omkijkt en haar ogen laat vragen: ga je me zo nemen? Van achteren? Wil je me zo neuken? Toe maar, neuk me, ik ben van jou. Olga Brazova, later, uitgeteld, haar billen rood van mijn klappen, druipend van mijn zaad en haar vocht.

“Het is slecht voor mijn focus,” stamel ik. Ik schuifel op mijn stoel. Mijn mond is droog en ik vecht een kansloze strijd tegen een erectie. Ze giechelt.
“Godallemachtig. Zo meteen ga je me nog vertellen dat je er blind van wordt. Je schaamt je er toch niet voor? We doen het allemaal. Wil je niet weten waar ik daarnet aan dacht?”
“Daarnet?”
“Ja, daarnet. Het moest even. Het was alsof de zon zelf me streelde. Ik ging het zwembad in, een ijdele hoop op afkoeling. Mijn borsten drukte ik tegen de badrand en ik liet mijn hand in mijn bikinibroekje glijden. Ik had geen keus. Ik streelde mezelf terwijl ik naar je keek. Helemaal onder water, en toch voelde ik mijn eigen vocht. Ik zag je, peinzend boven je boek en beeldde me in dat het jouw vingers waren.”
Ze verplaatst haar been, strekt het uit zodat haar voet mijn kruis raakt. Dit keer verzet ik me tegen een terugtrekkende reflex. Ze krult haar tenen tegen het stof. Haar ogen verwijden zich, haar lach wordt breed, en toch heb ik het gevoel dat ze nauwelijks verrast is. Ze voelt mijn harde lid.
Now we’re talking,” zegt ze zacht.
Mijn hoofd bonkt, ik zoek naar woorden om haar te stoppen. Ik vind met opzet de verkeerde en voor ik het weet zijn ze eruit.
“Kwam je klaar?”
Ik gloei. Zij straalt en drukt haar voet nog wat steviger in mijn kruis.
Klaarkomen! Zozo, wat een dirty talk!” zegt ze op een quasi-cynisch toontje. Ze bijt haar onderlip en kijkt me een moment zwijgend aan. Dan serieus.
“Nee, ik kwam niet klaar. Ik was er dichtbij. Maar ik spaar het op. Dus je kunt wel nagaan hoe ik me nu voel, met een mooie jongen tegenover me die hard van me wordt.”
Opnieuw krult ze haar tenen tegen mijn geslacht.
“Ik ben heel erg geil nu. Hoe heet je eigenlijk?”
“Alexander,” zeg ik bedremmeld terwijl ik onrustig om me heen kijk. Er is niemand meer op het terras.
“Ik ben Maya. Luister Alexander. Kom met me mee. Omarm de onvoorspelbaarheid. Ik zal je niet aanraken, ik weet dat je dat ongemakkelijk vindt. Je hoeft alleen maar te kijken. Ik weet dat jij dat ook wil.”

Haar kamer: meisjesdingen, rommel. Kleren op de grond, crèmes op kastjes, een föhn op het bed. Schoenen verspreid over de vloer, zeven. Een oneven aantal.
Ze gooit wat spullen aan de kant zodat er plek is op haar bank. Maak het je gemakkelijk. We zitten tegenover elkaar. Ze buigt haar hoofd naar beneden terwijl ze me aan blijft kijken en haar hals streelt.
“Je bent een schoen kwijt,” zeg ik. Het is een halfslachtige poging te ontsnappen aan datgene wat ik wil.
Ze zegt niets en laat haar vingertoppen afdalen. Met zachte hand dwingt ze de bikinibandjes van haar schouders en trekt de cups van haar topje naar beneden. Terwijl ze haar tepel met de duim en wijsvinger van een hand omklemt spreidt ze haar benen en laat haar andere hand in haar bikinibroekje glijden. Haar ademhaling is zwaar en onregelmatig als ze zichzelf streelt.
“Vertel me wat je wil,” zegt ze zuchtend. “Wil je me zien? Wil je mijn kutje zien? Wil je zien hoe nat ik ben?”
De pulserende bewegingen van haar verborgen hand worden intenser. Ik probeer te denken aan de mogelijke plek van de achtste schoen. Tevergeefs.
“Ja, laat me kijken.”
Ze haalt haar hand tevoorschijn en met glinsterende vingers trekt ze haar bikinibroekje aan het kruis opzij.
“Vind je het mooi? Kom dichterbij. Doe met me mee.”
Terwijl mijn adem stokt schuif ik dichter naar haar toe. Ze is nat en haar geur bedwelmt me. Maya beukt op mijn laatste verdediging. Ze spreidt haar schaamlippen. Onhandig en ongeduldig open ik mijn broek en omvat met mijn rechterhand mijn stijve lid. Maya kijkt, ademloos, en laat twee vingers langzaam in zich glijden. Schaak.
De schroom van jaren brokkelt met iedere beweging van mijn hand een stukje verder af.
Soms snel, dan weer traag: het is alsof ik mijn hand niet zelf beweeg. Dat doet zij. Met haar ogen, met haar naakte lichaam, met haar opwinding, met de cadans van haar vingers.
Plots houdt ze halt. Ze neemt zachtjes mijn hand en brengt die tussen haar benen.
“Nu, jij bij mij,” zegt ze hees. “Maak me klaar. Neuk me met je vingers.”
Er gaat een siddering door haar lijf als ik doe wat ze vraagt en in haar glijd.
Ze krult haar slanke hand om mijn pik en trekt me af, in hetzelfde ritme waarmee ik in haar beweeg. Het duurt niet lang, daarvoor is het te veel, voor ons allebei. Ze gooit haar hoofd in een schreeuw achterover en holt haar rug, haar borsten met de kleine, harde tepels naar voren. Ik voel haar warme vocht langs mijn vingers stromen en geef me over.
Nog een keer trekt ze mijn voorhuid ver naar achteren en richt mijn pik dan op haar kruis.
“Spuit tegen mijn kutje!”
Mijn zintuigen zijn overbelast, zoeken een uitweg, vinden die in krachtige, ongecontroleerde golven die aanspoelen op een onbekende kust: haar dijen, haar schaamlippen, haar buik. Schaakmat.

Buiten praten krekels, binnen zwijgen Maya en ik. Langzaam komen we op adem terwijl we elkaar aankijken. Ik verbreek mijn persoonlijk record oogcontact en glimlach.
“Als je mijn schoen vindt mag je me schoonlikken,” zegt ze samenzweerderig.

***

Linares International Chess Tournament, een maand later. Tegenstander: Viktor Kowalski, met wit en een duivels lachje. De opening verloopt zoals voorspeld. Als Kowalski nadenkt bij zet dertien, raak ik vluchtig de bovenkant van zijn hand aan.
“Masturbeer je veel, Viktor?”
Hij trekt geschrokken zijn hand terug maar het leed is al geschied. Vanaf dat moment is hij kansloos. Onvoorspelbaarheid moet je leren omarmen.

Stormpolder – 2

wat vooraf ging…

Ze hebben een stuk leegte met hekken afgezet. God mag weten waarom. De regen van de afgelopen dagen heeft de afgeschermde zandvlakte in een modderpoel veranderd. Bovendien valt er nog niks te stelen of te vernielen. Machines en bouwmateriaal staan er nog niet, er is geen werkman te bekennen. De oude arbeiderswoningen zijn gesloopt, het puin is afgevoerd. Maar Nieuw Crooswijk bestaat alleen nog maar op een billboard op de hoek van het omhekte perceel. Ik kijk omhoog naar de hoopvolle artist impression van de projectontwikkelaar, met veel groen en spelende kinderen. Koopsommen vanaf € 250.000. Een oude man met een hond nadert me en houdt even halt. De hond pist tegen de houten paal van het billboard. De man volgt mijn ogen en leest ook.
“Welja. Een huis voor tweeëneenhalve ton in Crooswijk. Kun je beter je geld meteen in de Maas flikkeren. Ik geef je een goeie raad: koop gewoon wat leuks voor je meissie.”
Zonder mijn antwoord af te wachten sjokt hij verder. Ik duik weg in de kraag van mijn jas en loop onder de oude poort door, de begraafplaats op.

We zijn met zijn zevenen. Of eigenlijk met zijn achten, als we meneer O. meetellen. Die ligt in een eenvoudige kist op een metalen baar. Twee dames van de begrafenisonderneming in een grijs mantelpak met paarse revers fluisteren elkaar overbodige organisatorische details toe. Dan zijn er mannen van de begraafplaats, die straks de kist in de versgegraven kuil zullen laten zakken. Pastoor Pastoor van de Lambertusparochie uit Kralingen inspecteert zijn wijwaterkwast. “Pastoor, heet ik en ben ik,” zegt hij steevast als hij zich voorstelt. Kruiswijk is er ook, zoals altijd. Hij steekt een sigaartje op. De rook stijgt langzaam in de klamme lucht omhoog en blijft als een wolk tussen de kale takken van de treureiken hangen.
“U mag hier niet roken!” sist een van de begrafenisonderneemsters hem toe.
Kruiswijk haalt gelaten zijn schouders op.
“Wie heeft er last van dan? Ik weet niet of je het gemerkt hebt wijffie, maar iedereen hier is al dood.”
“Zullen we beginnen?” vraagt pastoor Pastoor.
Kruiswijk gooit zijn sigaar in de kiezels. Ik huiver.

Het protocol is eenvoudig. Na het ‘amen’ van het openingsgebed knikt pastoor Pastoor kort in mijn richting. Ik doe een paar passen naar voren, haal het papiertje uit mijn binnenzak en kijk even om me heen. Een van de dames in grijs-paars gaapt. Ik neem het woord.

In Memoriam meneer O.

Misschien was je gelukkig op de dijk
toen je de stad had weggebrand
en besloot te blijven waar je was.
De wereld voer aan je voorbij met
schepen als vluchtige vrienden
hun boeggolf tegen de kade
een ruisende omhelzing.
Voor even.

Misschien was het geen dood land voor jou
en wist jij beter. De Stormpolder
vult zich ’s ochtends met onwetenden
pompt ze er in in de schemering weer uit
als de trage slag van een hart
dat alleen jij – de blijver – kende.
Land dat sterft en weer opstaat, elke dag.
Voor even.

Duivels en engelen op een oude prent, misschien
luisterden ze verzoend naar je
Stormpoldersymphonie.
Gemaakt voor niemand speciaal
of juist voor die ene in het bijzonder
die er niet meer was of nog komen moest.
Je herinneringen en je dromen
je angst, je verlangen, je leven en lust
stofvrij onder een laken
altijd, voor even.

Ik doe een paar stappen achteruit, ten teken dat ik klaar ben. Kruiswijk buigt zich samenzweerderig naar me toe.
“Je hebt wel eens betere gemaakt,” fluistert hij. Het is me niet duidelijk of hij me staat te jennen, maar hij heeft hoe dan ook gelijk.
Zwierig slaat pastoor Pastoor vochtige luchtkruisen met zijn wijwaterkwast.  Aarde naar aarde, as tot as, stof tot stof. Zijn stem wordt plechtiger naarmate meneer O. dieper in de drassige Crooswijkse bodem verdwijnt.
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw in zwart die op enkele meters afstand de ceremonie gadeslaat. Kennelijk heeft ze zich tijdens mijn gedicht bij ons kleine gezelschap gevoegd. Na het laatste Amen van pastoor Pastoor loopt ze op ons toe. Voorzover je het lopen kan noemen; hoge hakken en kiezelpaden zijn geen goede vrienden.
“Dank voor uw mooie woorden,” zegt ze tegen me.
Kruiswijk biedt haar een sigaartje aan.
“Familie?” vraagt hij.
Na haar eerste trek blijft er rode lippenstift achter op het filter.
“Wist ik dat maar,” zegt ze zacht.

Stormpolder

Kruiswijk wilde dat ik zelf kwam kijken. Om me voor te bereiden op – ja, waarop eigenlijk? – neem ik de waterbus vanaf de stad naar de Stormpolder. De ijskoude wind op de kade waait door wol en weefsel en versteent mijn botten. In de cabine van de bus is het gelukkig warm. De Oude Maas is een zee van grijs, de lucht doet zijn best om nog grijzer te zijn en de Hef heeft een vers kleurtje gekregen: antraciet. Dertig jaar Rotterdam, nooit in de Stormpolder geweest. Waarom zou je ook? Behalve als je bij Hollandia werkt, of in een van de bedrijfjes die in fantasieloze industrieblokken gehuisvest zijn. De Stormpolder, driehoeksland, weggestopt in de rand van de stad, omgeven door de Nieuwe Maas, de Hollandsche IJssel en de Sliksloot als een ringvaart van bluswater om een eiland met een brandende naam. Ik wist niet dat daar mensen leefden. Ik wist ook niet dat je er dood kon gaan. Maar als Kruiswijk belt, dan moet het wel waar zijn.

Ze hebben het lichaam al weggehaald en de ramen opengezet maar de lijkenlucht geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. De kamer is klein, de wanorde groot. Flessen, op een enkele uitzondering na leeg. Ongeopende enveloppen. Een lege vogelkooi. Vochtplekken tegen het plafond en de muren.

“Meneer O.,” zegt Kruiswijk. De ambtenaar staat met zijn handen op de rug naast me en praat voor zich uit. Hij heeft het tegen mij. Tegen wie anders? Er is verder niemand.
“Vijfenzeventig jaar. Geen familie bekend, niemand om te waarschuwen. Hij lag er al een tijdje.”
Kruiswijk is een man van weinig woorden maar hij heeft het hart op de goede plaats. Anders zou hij dit werk niet doen. Ook al staat je karakter als een huis, het Oproepprotocol bij Lijkvinding is een sloper.

Mijn aandacht wordt getrokken door een poster aan de muur, een gedateerde print van een schilderij. Het is met punaises in het oude stucwerk gedrukt en hangt boven een kastje dat met een laken is bedekt.
“Bosch,” zegt Kruiswijk, die ziet waar mijn oog op rust. “De Tuin der Lusten. Hangt in het Prado. Vorig jaar nog met het vrouwtje geweest.”
“En verder?” vraag ik.
“Alleen dit.”
Kruiswijk komt in beweging, loopt in de richting van het kastje en trekt er met een ruk het laken vanaf, als een goochelaar aan het verrassende einde van een truc. Maar konijnen zijn er niet. In plaats daarvan een hoekig object met witte en zwarte toetsen. Ik weet onmiddellijk dat het er vijfendertig zijn, want behalve gedichten maak ik ook muziek.
“Die rare piano is het enigste wat er nog een beetje toonbaar uitziet in deze tyfuszooi,” meent Kruiswijk. “Stofvrij gehouden door die ouwe baas. Kennelijk iets dierbaars. Misschien kun je er iets mee.”
Ik laat mijn hand over het hout en de toetsen glijden.
“Geen piano,” zeg ik. “Dit is een Mellotron. Populair instrument in de jaren zestig en zeventig. En zo te zien is dit een originele.”
Ik ga door mijn knieën op zoek naar de stekker. Er schiet een muis weg onder de plint.
“Doe nou godverdomme latex handschoenen aan,” vloekt Kruiswijk. Ik realiseer me dat ik zijn voornaam niet ken en plug de stekker in het stopcontact. Een lampje licht rood op en er is een lichte zoem. Als ik weer rechtop sta druk ik een toets in. Een zuivere A van een cello galmt door de morsige ruimte.
“Godskolere,” zegt Kruiswijk verbaasd. “Wat voor een ding zei je?”
“Een Mellotron.” Ik druk een tweede toets in. Violen dit keer, een halve octaaf hoger.
Kruiswijk krabt zijn kalende schedel.
“Krijg nou de tering. Een muzikale ouwe baas. Hoe werkt zo’n ding?”
Met enige moeite haal ik de bovenkant los en samen werpen Kruiswijk en ik een blik op de ingewanden van het instrument.
“Een voorloper van de synthesizer,” zeg ik. “Volledig mechanisch. Achter iedere toets zit een stukje magnetische tape, je weet wel, zoals vroeger op een bandrecorder. Op die tape staat een geluid. Als je de toets indrukt, wordt de tape door een motor langs een leeskop getrokken en wordt het geluid versterkt afgespeeld.”
Kruiswijk kan nu zijn vingers niet meer van de Mellotron afhouden en met zijn latex-wijsvinger drukt hij een zwarte toets in. Er klinken blaasinstrumenten, zuiver van toon. Kruiswijk kijkt me glimlachend aan.
“Wat wil je horen, Vader Jacob of de Frikandellenwals?” vraagt hij, blij als een kind.
Kruiswijk wacht mijn antwoord niet af en zet zijn vingers enthousiast op het ivoor.

Bij de tweede toetsaanslag kijken we elkaar verbaasd aan. Dit keer klinkt er geen instrument, maar de nauwelijks ingehouden, opgewonden kreten van een vrouw.
“Krijg nou wat,” zegt Kruiswijk en drukt de toets opnieuw in. De Mellotron doet zijn werk en weer vult het extatische geluid van een menselijke stem de kamer.
“Denk jij wat ik denk?” vraagt Kruiswijk.
“Yep,” antwoord ik. “Een vrouwelijk orgasme. Ze komt klaar.”
“Godskolere. Hij heeft het vrouwtje vereeuwigd op het moment suprème. Een geile muzikale ouwe baas.”
Voor de derde keer drukt hij de toets in en luisteren we vol ongeloof. Door het open raam horen we een voorbijganger op straat.
“Hey joh! Gaat-ie lekker? Leg je nou midden op de dag te krikke?!”
“Hier kan ik wel wat mee,” zeg ik tegen Kruiswijk.

Als ik de Stormpolder achter me laat schittert een vale zon in het grijze water van de Oude Maas. Ik denk aan de Tuin der Lusten en hoor het geluid op de Mellotron. Wat meneer O. in gedachten had zal ik nooit weten. Maar een dichter omarmt onzekerheden, een dichter maakt eenzaamheid het hof en verwoordt wat niet meer kan worden gezegd. Sterven moet je in je eentje doen, afscheid nemen kun je niet alleen. Mijn notitieboek gaat open, het gedicht begint. De begrafenis is over twee dagen. Ik ben de Dichter van Dienst.

 

***

Stichting “De Eenzame Uitvaart” begeleidt eenzaam gestorvenen naar hun graf. Dichters van Dienst schrijven voor iedere eenzaam overledene een gedicht en lezen dat voor tijdens de uitvaart, die door de Gemeente wordt geregeld. Zo krijgen ook mensen die niemand meer hebben een waardig en respectvol afscheid. De onlangs overleden dichter F. Starik was een van de initiatiefnemers.

De Schuldformule

Het is het lot van een natuurkundige: de obsessie met het onlosmakelijke verband tussen oorzaak en gevolg. Met de hypnotiserende cadans van de trein als tikkende klok overdacht ik de reis die achter me lag. Het verdriet waarmee ik mijn trip  was begonnen was weliswaar verdwenen, maar ik zocht nog steeds naar causaliteit, naar de variabelen die ervoor hadden gezorgd dat zij uit mijn leven was weggerukt. Ik zocht naar een Wet van Wrok, naar een Schuldformule. Over haar ga ik nu niets meer vertellen. Ze was er niet meer en zou ook nooit meer terugkeren. Ik had wolken gekust en was met een smak op aarde teruggegooid.

Ik keek uit het raam van mijn coupé. Die middag waren we vertrokken uit Istanbul, waar ik een aantal maanden eerder berooid was aangekomen na een reis van een jaar door het Verre Oosten. Ik had er een baantje gevonden als privéleraar van een jong meisje met een talent voor exacte vakken. Haar vader gaf me een prima honorarium en als bonus boekte hij een ticket op de Oriënt Express voor mijn terugreis.

Tijdens mijn jaar in Azië had ik me verplaatst in derdeklas-coupés en aftandse bussen, met opdringerige medepassagiers en de stank van hun meereizende veestapel. Nu was er de gedistingeerde afstandelijkheid van vermogende reizigers en de geur van Chanel. Ik voelde me weemoedig. Overvloedige luxe vult nu eenmaal nooit de leegte in een hart.

Toen het te donker was geworden om nog iets van het landschap te kunnen zien stond ik op, controleerde het koperen slot van mijn coupé en maakte me op voor de nacht. Het zal een paar uur later zijn geweest dat ik wakker werd van een gedempte schreeuw. Ik luisterde roerloos. Er was een kreet, en nog een, en even later nog een. Ik stond op het punt poolshoogte te nemen, toen het kwartje viel. Ik glimlachte in het donker. Dit waren geen noodkreten; dit was extase. In het compartiment naast het mijne werd de liefde bedreven en mijn buurvrouw – want het was onmiskenbaar een vrouw – deed dat met overgave. Terwijl ik geamuseerd bleef luisteren moest ik denken aan Agatha Christie’s roman, waarin Poirot’s slaap op de Oriënt Express wordt verstoord door de doodskreet van Samuel Ratchett.
Uiteindelijk werd het stil. Het enige dat ik nog hoorde was hoe een deur zich opende en sloot, en hoe voetstappen in het gangpad oplosten in de nachtelijke stilte.

Er was inderdaad geen moord gepleegd, want toen ik in de ochtend mijn coupé verliet op weg naar het ontbijt stapte ook mijn buurvrouw de gang in. Ik keek net iets te lang naar haar, een stijlvolle brunette met opgestoken haar. We knikten elkaar beleefd toe, liepen naar de saloncoupé en zochten onze plaatsen. Ze ging aan de tafel tegenover de mijne zitten. Tot mijn verbazing schoof er niemand bij haar aan. Reisde ze alleen? Terwijl ik ontbeet gleed ik als vanzelf in de rol van detective, nam mijn medepassagiers in me op en zocht aanwijzingen. Wie was er die nacht bij haar geweest?
Verderop zat een ouder echtpaar, onmiskenbaar Brits.
Uitgesloten.
Iets verderop een man van middelbare leeftijd, goedgekleed en in gedachten verzonken boven een notitieblok, met de droevige ernst van een schrijver.
Mogelijk.
Dan nog een blonde jonge vrouw alleen aan een tafeltje, met een opvallende tatoeage van het Horusoog – de Wedjat – aan de binnenkant van haar onderarm.
Lag niet voor de hand.
Achteraan, twee jonge mannen met baard en dure horloges die met ernstige blik over zaken praatten. Eén van hen? Een trio?
Het zou kunnen.
Het personeel was er natuurlijk ook nog. Ik keek naar de knappe ober die mijn buurvrouw koffie inschonk en merkte toen pas dat ze naar me keek. Ze nam haar kopje, stond op en liep in mijn richting.
“Heeft u bezwaar als ik aanschuif?” vroeg ze. Haar zangerige accent verraadde een Franse afkomst.
Ik maakte een uitnodigend handgebaar. Ze nam plaats aan mijn tafel.
“U bent een observator. U kijkt en neemt iedereen in zich op. Ik vraag me af waarom,” zei ze met een speelse glimlach. Ik besloot mee te spelen.
“Kunt u een geheim bewaren?” vroeg ik retorisch. “Ik ben een detective en probeer te achterhalen wie het gedaan heeft.”
Mon Dieu!” giechelde ze. Wie wat gedaan heeft? Er is toch niets ernstigs gebeurd?”
“Tot dusver slechts vreemde geluiden in de nacht,” antwoordde ik.
“Zozo. Ik hoop dat ik geen verdachte ben! Ik ben Julie, overigens.”
“Geen verdachte, maar wellicht het slachtoffer. Oscar, aangenaam.”
Ik zag aan de glans in haar ogen dat ze precies wist waarover ik het had.
“Als je die geluiden vreemd vindt heb ik een beetje medelijden met je, Oscar.”
“Tja. Het was een lange en eenzame reis.”
“Vertel.”
Ik liet mijn detectivewerk voor wat het was en vertelde over het afgelopen jaar. Hoe ik had geprobeerd de demonen in mijn hoofd te doden. Hoe ik was verzand in het zoeken naar oorzaken. Julie luisterde aandachtig. Het luchtte me op dat ik mijn gedachten kon delen met deze charmante en mooie vrouw. Julie op haar beurt liet over haar leven niet veel los. Ze was in goeden doen, dat was me snel duidelijk.
“Het protocol in Parijs is verschrikkelijk,” zei ze. “Af en toe spuug ik het gif van de stad uit en vlucht ik, zoals nu.”
Toen we van tafel opstonden gaf ze me een zoen op mijn wang.
“Ik zou het leuk vinden ons gesprek bij het diner voort te zetten. En natuurlijk breng je dan verslag uit van je onderzoek, monsieur l’inspecteur,” voegde ze er met een glimlach aan toe.

Ik staarde de rest van de dag naar letters in een boek en de regen buiten. Regelmatig dwaalden mijn gedachten af naar de mooie Julie.
Ik had voor het avondeten mijn best gedaan iets toonbaars uit mijn versleten rugzak naar boven te halen, maar het stak schril af bij de elegantie van mijn tafeldame. Het eten was verfijnd, ons gesprek geanimeerd en door de wijn onverhuld flirterig.
“En, ben je al wat gevorderd in je recherchewerk naar die schandelijke misdaad?” vroeg ze.
Ik zag hoe Julie’s vingers het zachte blanke landschap tussen haar decolleté en haar hals beroerden.
“Zoals het hoort zoek ik naar motief en gelegenheid,” antwoordde ik. “Dat is nog niet zo gemakkelijk in deze zaak.”
“Dat valt me een beetje van je tegen. Ik zal je een beetje helpen.”
Ze pakte mijn hand en vormde die met haar slanke vingers tot een vuist. Ze doopte haar vinger in een restje olijfolie dat op haar bord was achtergebleven.
“Aanwijzing één: de dader is hier, in de trein.”
Zachtjes smeerde ze de olijfolie met de top van haar vinger uit over de bovenkant van mijn gebalde vuist en keek me strak aan.
“Aanwijzing twee: de gelegenheid is er ook nog, in de vorm van mijn coupé.”
Op het moment dat ze die woorden uitsprak liet ze haar vinger, glad van de olie, langzaam in mijn vuist glijden.
“Ten derde: het motief gaat nooit weg. Dat motief heet lust.”
We zwegen en keken elkaar aan. Ik had het warm. De reiskilometers hadden mijn herinneringen aan lichamelijk contact vervaagd; door haar aanraking en haar woorden kwamen ze nu met een schok weer tot leven. Ik kneep mijn vuist dicht en omklemde haar geoliede vinger.
“Ik fris me even op,” zei ze toen. “Kom over een half uurtje naar mijn coupé. We zullen je mysterie samen oplossen.”

Op het afgesproken tijdstip klopte ik op haar deur. Ze deed open, oogverblindend mooi. Ze droeg een zwart satijnen negligé met een witte kanten zoom en haar lokken golfden om haar fijne gezicht.
“Oh sorry”, stamelde ik. “Je bent nog niet zover.”
Ze pakte mijn hand en trok me zachtjes naar binnen.
“Jawel hoor, Oscar. Ga zitten. Champagne?”
Toen ik de coupé binnenstapte kwam de volgende verrassing. Op een van de banken zat de blonde  vrouw met de tatouage van het Horusoog op haar arm. Ze nipte van haar champagne en keek me verleidelijk aan.
“Oscar, dit is Daphne. We zijn al jaren goede vriendinnen, maar – hoe zal ik dat zeggen? – de sociale conventies verhinderen dat we elkaar vaak zien. Een korte jaarlijkse vakantie is de enige voeding die we aan onze vriendschap kunnen geven.“
Terwijl Julie zich naast haar vlijde gaf ik Daphne een hand, ging tegenover hen zitten en kreeg een glas aangereikt.
“Oscar is natuurkundige, reiziger en detective en hij heeft zich de hele dag het hoofd gebroken over wat er zich in deze coupé afgelopen nacht heeft afgespeeld, ma cherie. Zullen we het hem laten zien?”
Ik verslikte me toen Daphne als antwoord haar handen op Julie’s knieën plaatste en haar benen met een korte, felle ruk opende.
“Je bent toch een observator? Kijk dan maar,” zei Julie met hese stem.
Terwijl hun tongen elkaar vonden in een vochtige dans zag ik hoe Daphne’s vingers hun weg zochten, langs Julie’s dijen omhoog, naar de plek die zich voor mijn ogen opende en glinsterde van verlangen.
Daphne maakte zich nu los van de bank en knielde tussen Julie’s benen, met haar billen in mijn richting. Een zucht ontsnapte aan Julie’s vochtige mond toen Daphne haar begon te likken. Julie’s ogen lieten de mijne niet los.
Ik verloor mijn schroom, tilde Daphne’s rokje op en stroopte haar zwart-kanten slipje omlaag, tot net boven haar gebogen knieën. De geluiden en de geur van de twee vrouwen maakten iets in me wakker wat ik lang niet had gevoeld.
Terwijl ik Julie liet zien hoe ik masturbeerde, ging het duet van twee vrouwen verder. Hun schaakspel was teder en ruw tegelijk. Voor ik het wist proefden ze elkaar en herinnerden me aan de Franse origine van soixante-neuf.
Daphne strekte haar hand naar me uit.
“Kom bij ons, Oscar.”
Natuurlijk was ik opgewonden, maar ik voelde ook ontroering dat deze twee vrouwen me zonder aarzeling of ratio onderdeel maakten van hun warme cirkel. Ik ontdeed me van mijn laatste kleding en knielde schrijlings boven Daphne’s hoofd. Julie spreidde haar benen verder, klaar om me te ontvangen. Daphne omvatte mijn pik en stuurde die doelbewust langs Julie’s clitoris en haar schaamlippen, als een kunstenaar die schildert in natte verf, en leidde me zo naar Julie’s glinsterende hart. Ze verplaatste haar handen en duwde tegen mijn billen. Ze sprak de woorden niet en toch hoorde ik ze: neuk haar, neuk haar nu!
Ik greep Julie’s heupen stevig beet en stootte mijn onderlichaam hard naar voren. Ze ontving me met een schreeuw van genot, een schreeuw die ik herkende. Dit keer was ik de dader en ik was blij dat ik schuldig was. Terwijl ik voelde hoe Daphne’s vingers ruw langs Julie’s clitoris op en neer bewogen, neukte ik Julie.
De ultieme opwinding is niet het lichaam van een vrouw, maar de blik in haar ogen wanneer ze haar ziel aan lust overgeeft. Toen ze zich omdraaide, haar mond open en haar ogen verwijd, liet ik me gaan. Met haar bruine haar in mijn vuist trok ik haar naar me toe en met een schreeuw kwam ik in haar klaar. Daphne leidde me uit haar en laafde zich aan het ziltzoete mengsel van ons vocht tussen Julie’s dijen.

Enkele uren later werd ik wakker met de zijdezachte huid van twee slapende vrouwen tegen mijn lichaam. Ik maakte me voorzichtig los uit onze omstrengeling, schoot wat kleding aan en verliet stilletjes de coupé. In het gangpad opende ik een raampje en snoof de kille lucht van de ochtendschemer op. Meer dan ooit realiseerde ik me dat ik mijn hele leven naar voorspelbare zekerheden had gezocht terwijl schoonheid juist ligt in het omarmen van het toeval. Ik was klaar met mijn recherche naar de cynische scriptschrijvers van mijn lot. Weemoed is het lijk van een gestorven droom, had Daphne gefluisterd toen we gedrieën samenlagen en ze een traan van mijn wang had gekust. Een Schuldformule zou ik nooit vinden, en ik besloot dat het verleden er niet meer toe deed. Ik was op weg naar huis.

(Inzending voor de finale van de EWA Schrijfmarathon 2017). Winnaar!

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

 

The Guilt Formula

It is a scientist’s fate: to be obsessed with the inextricable relation between cause and effect. With the hypnotizing cadence of the train accompanying me like a ticking clock, I contemplated the journey that lay behind me. The grief that had crippled me at the onset of my travels had vanished, but I continued to search for causality, for the venomous variables that had ripped her out of my life. I was looking for a Law of Wrath, for a Guilt Formula. I am not going to speak about her now. She had gone and was never to return. I had kissed the clouds and had been thrown back to earth with a bang.

I stared out of my compartment’s window. That afternoon we had left Istanbul, where I had arrived a couple of months earlier, penniless, following a journey throughout the Far East. In the Turkish capital I had found a job as a private teacher of a young girl with a talent for science and maths. Her father bestowed me a generous fee and as a bonus he booked me onto the Orient Express for my trip home. During my year in Asia I had gotten used to travelling in third-class carriages and run-down buses, surrounded by obtrusive passengers and the smell of their livestock. Now there was the distinguished distance of wealthy travelers and the scent of Chanel. I felt melancholic. Abundant luxury, it seemed, will never fill the emptiness in one’s heart.

As darkness fell over the landscape outside I rose, checked the copper-plated lock of my compartment and got ready for the night. It must have been a few hours later when a subdued scream woke me. Motionlessly, I listened. There was a cry, and another one, and moments later another one. I was alarmed, on the verge of checking what was going on when it occurred to me. I relaxed and smiled. These were not cries of anguish; this was ecstasy. In the compartment next to mine, love was being made and my next-door lady – for it was unmistakably a woman – did so wholeheartedly. An uninvited guest to her passion, I listened and remembered Agatha Christie’s novel, in which Samuel Ratchett’s dying scream interrupts Poirot’s sleep. Eventually, silence returned. The only thing I heard was a door opening and closing again, and footsteps in the aisle dissolving in the quiet of the night.

No murder had been committed, for as I left my compartment the next morning on my way to breakfast, the lady next door also stepped into the aisle. I glanced at her, maybe just a fraction of a second too long, a stylish brunette with her hair pulled back. We nodded politely, walked to the restaurant carriage and took our seats. To my surprise she was unaccompanied. Was she travelling alone? As I enjoyed my breakfast, I automatically slipped into my role as a detective, carefully watching my fellow passengers and looking for clues. Who had been with her last night?
In the back, there was an elderly couple. British, no doubt.
Out of the question.
On the other side, a middle-aged man, well-dressed, deep in thought over a notepad, with the grim seriousness of a writer.
Possibly.
Then, there was a young blond woman, alone at the table, donning a notable tattoo of the Horus-eye – the Wedjat – on the inside of her lower arm.
Not obvious.
In the back, two young, bearded men with expensive watches, engaged in business talks.
One of them? A threesome?
Then of course, there were the members of staff. I watched how my handsome neighbour was served coffee by an equally handsome waiter, and only then I noticed that she was watching me. She took her cup, rose to her feet and approached me.

“Do you mind if I join you?” she asked. Her lilting accent betrayed a French descent.
I made an inviting gesture and she sat down.
“You are an observer. You are looking around, taking mental notes of everyone and everything. I wonder why,” she said with a playful smile. I decided to play along.
“Can you keep a secret?” I rhetorically asked. “I am a detective trying to figure out who did it.”
Mon Dieu!” she giggled. Who did what? Nothing grave happened, I hope?”
“Only strange nocturnal sounds so far,” I replied.
“You don’t say. I do hope I am not a suspect! I am Julie, by the way.”
“Not a suspect, possibly a victim. Oscar, pleased to meet you.”
From the sparkle in her eyes I could tell that she knew exactly what I was talking about.
“If ‘strange’ is your description of those sounds, I feel a bit sorry for you, Oscar.”
“Well. It has been a long and lonely journey.”
“Tell me.”
I put my investigations aside and told her about the past year. How I had tried to kill the demons in my head. How I got stranded in my search for causes. Julie carefully listened. It was a relief to finally be able to share my thoughts and my doubts with this charming and rather beautiful woman. Julie, in turn, did not reveal much about herself. She was well-to-do, so much was very clear to me.
“The protocol in Paris is suffocating,” she said. “Now and then I spit out the city’s venom and I run. Like now.”
As we got up from the table, she kissed me on the cheek.
“I would be delighted to continue our conversation over dinner. And of course I expect a full report regarding your investigation, monsieur l’inspecteur,” she added with a smile.

For the remainder of the day, I stared at the letters in a book and at the rain outside, my thoughts constantly wandering off to beautiful Julie.

I had done my best to dig up something decent from my worn-down backpack for dinner, but it contrasted sharply with the elegance of my table companion. The food was refined, our conversation lively, and plain flirtatious due to the excellent wine.
“So tell me, have you made any progress investigating that hideous crime?” she asked.
I noticed how Julie’s fingers gently touched the soft white landscape between her neck and her cleavage.
“I am following the standard procedure to look for motive and opportunity,” I answered. “Which in this case is not very easy.”
“I am slightly disappointed in you. Let me help.”
She took my hand and with her slender fingers molded it into a fist. Then, she dipped a finger into a drip of olive oil that had remained on her plate.
“First clue: the perpetrator is here, on the train.”
She gently smeared the olive oil over the top of my clenched fist and firmly looked me in the eyes.
“Second clue: the opportunity also remains, in the shape of my compartment.”
When she spoke these words, she slowly let her oily finger slide into my fist.
“Third and final clue: the motive never vanishes. It is called lust.”
We stopped talking and looked at each other. I felt warm. The mileage of my trip had blurred my memories of physical contact; her touch and her words now woke them with a shock. I clenched my fist more firmly and seized her slippery finger.
“Give me a moment to freshen up,” she said. “Come to my compartment in half an hour. We shall solve this mystery together.”

At the agreed time I knocked on her door. She opened, astonishingly beautiful, wearing a black satin negligee with a hem of white lace. Her locks rippled around her delicate face.
“I am sorry,” I muttered. “You are not ready yet.”
“Oh yes I am, Oscar. Come in and sit down. Champagne?”
As I stepped into her compartment there was another surprise. The blonde woman with the Horus-eye tattoo was sitting on one of the benches, nipping from her glass and looking seductively at me.
“Oscar, please meet Daphne. We have been dear friends for years but – how shall I put this? – social conventions prohibit us from spending much time together. A short yearly holiday is the only fuel we can add to the fire of our friendship.”
I shook Daphne’s hand as Julie nestled beside her. I sat down across the two women and Julie handed me a glass of champagne.
“Oscar is a physicist, traveler and detective who has racked his brains all day about what happened in this compartment last night, ma cherie. What do you think, shall we show him?”
I almost choked when Daphne replied by putting her hands on Julie’s knees and forced her legs open with a short and sudden tug.
“You are an observer, aren’t you? Then watch,” Julie said in a coarse voice.
As their tongues met in a moist dance, I saw how Daphne’s fingers found their way, up along Julie’s thighs to the spot that opened before my eyes and glistened of desire.
Daphne got up from the couch and kneeled between Julie’s spread legs, her bottom in my direction. A sigh escaped Julie’s moist lips as Daphne started licking her. Julie’s eyes remained fixed on mine.
I lost all hesitation, lifted Daphne’s skirt and pulled her string of black lace down to just above her bent knees. The sounds and scent of the two women stirred something in me that I had not felt for a long time.
While I showed Julie how I masturbated, the sweet duet of the two women continued. Their game of chess was tender and rough at the same time. Before I knew it they tasted each other and reminded me of the French origins of soixante-neuf.
Daphne reached out for me.
“Join us, Oscar.”
Of course I was excited, but the fact that these two women, without hesitation or ratio, invited me into their warm circle also moved me. I got rid of the last clothes I was wearing and kneeled astride Daphne’s face. Julie spread her legs further, in anticipation to receive me. Daphne grabbed my dick and steered it purposely along Julie’s clit and labia, as an artist colouring in wet paint, and led me to Julie’s glistening heart. Then she placed her hands on by buttocks and started pushing. She didn’t utter the words, yet I heard them: fuck her, fuck her now!
I firmly grabbed Julie’s hips and thrusted my lower body forward. She received me with a scream of pleasure, a scream I recognised. This time, the perpetrator was me and I was happy to be guilty. As I felt Daphne moving her fingers frantically up and down along Julie’s clit, I fucked Julie.
The ultimate excitement is not a woman’s beautiful body, but the look in her eyes when she surrenders her soul to lust. When she turned her head around, her mouth slightly open and her eyes widened, I let all restraint go. Burying her brown hair in my fist, I pulled her towards me, and echoing her scream I came deep inside her. Daphne led me out of her, and quenched her thirst with the saline-sweet mixture of our juices between Julie’s thighs.

A few hours later I woke up, the silken-soft skin of two sleeping women against my body. I carefully disengaged from our sweet entanglement, put on some clothes and quietly stepped out of the compartment. In the aisle, I opened a window and breathed in the cool air of dawn. More than ever I realised that I had spent my entire life looking for predictable certainties, whereas beauty had always been waiting in the embrace of coincidence. I was done with my research into the cynical script writers of my fate. Melancholia is the corpse of a dream deceased, Daphne had whispered as the three of us lay and she had kissed a tear from my cheek. I was never to find a Guilt Formula, and decided that I should let bygones be bygones. I was on my way home.

***

This is a translated version of the award winning story I submitted for the final round of EWA Nederland’s ‘Erotic Writing Marathon’. Many thanks to Marie Rebelle for editing!

rainbowcircle1-150

 

De Lotus – slot

De Lotus – deel 1
De Lotus – deel 2

 

Aarzelend kom je binnen, maar je ogen hebben je al verraden.
Je staat voor mijn boekenkast, bekijkt de titels maar ik weet dat het je niet kan schelen wat ik lees. Je complimenteert me met de inrichting van mijn huis, maar ik weet dat je gedachten niet bij mijn interieur zijn.

Je denkt aan mij.

Je bent een stille man, en beetje verlegen zelfs. Dat maakt je spannend, weet je dat? Dat vond ik al die woensdagen in de Lotus al, en nu, in mijn eigen huiskamer, laat ik het even zo. Want ik weet wat er in je hoofd speelt, ik ken het verlangen achter die façade van terughoudendheid.

Je wil mij.

Ken je dat? Het moment dat je weet wat er gaat gebeuren, het moment dat de dingen onvermijdelijk geworden zijn… maar dat het nog niet zover is en je het uitstelt, het verlangen en de lust laat groeien? Dat is dit moment. Jij weet het, ik weet het ook. We praten over koetjes en kalfjes, en ik vraag me af hoe lang je dat volhoudt. We kennen elkaar nauwelijks, en toch heb ik je laten zien hoe ik mezelf aanraakte, aan tafel, bij de Lotus. God, wat wilde ik dat, en god, wat wilde ik dat het jouw hand was die me streelde. Dat weet jij ook. En daar zit je, met je glas wijn, beleefd en bijna stoïcijns, alsof er niets is gebeurd. Maar ik doorzie je.

Je wil me neuken.

En ik? Ik wil dat je afmaakt waaraan we begonnen zijn. Ik wil dat jouw vingers met me spelen, ik wil dat je je laat gaan en neemt wat vanavond van jou is. Ik heb nodig wat er verscholen ligt achter je stilte, ik hunker ernaar en het maakt me geil. Zie je dat dan niet?

Ik wil dat je me neukt.

Ik moest te snel weg, vanmiddag. Ik wilde dat je me nam in dat steegje. Ter plekke, zo geil was ik van je. Maar ik heb je een beetje beloond, toch? Wat dacht je, toen je mijn voicemail hoorde? Vond je het lekker? Wond het je op om te luisteren en geen woorden te horen, maar de kreunende geluiden van een opgewonden vrouw die op jou geilt en de soppende geluiden van mijn eigen vingers? Ik bracht mezelf tot het randje, dat heb je vast gehoord. Ik heb het niet afgemaakt, omdat ik wil dat jij dat doet; jij in persoon en niet de gedachte aan jou. Ik stelde het uit. Toe, speel je voicemail nog eens af zodat we er samen naar kunnen luisteren, en dan zal ik je laten zien wat ik deed…
Hoor je het? Je wil weten wat ik deed, hè? Je wil het zien. Ik wil het je laten zien. Ontspan en kijk.Net als nu zat ik met mijn benen gespreid op de bank, mijn hand in mijn slipje. Vanmiddag had ik een telefoon in mijn hand en mijn ogen gesloten, nu kijk ik je aan. Vind je het mooi om te kijken? Word je er geil van? Kijk maar, en geniet. Ik zie je aarzeling en je lust, je zit in je fauteuil en je weet wat je te doen staat. Luister met me naar mijn voicemail. Ik heb nooit eerder gehoord hoe ik klink als ik met mezelf speel. Maar nu het zover is windt het me op, het is een echo van mijn lust. Ik zie hoe je staart naar mijn hand die, verborgen achter het zwarte kant van mijn slip, perfect synchroon beweegt met de geluiden die je hoort.

Kijk naar me. Doe mee. En daarna… daarna mag je me nemen. Daarna moet je me neuken.

Je bent mooi als je jezelf aftrekt. Je bent prachtig als je naar me verlangt. Je bent hard. Weet je hoe opwindend dat is? Dat je niet als een dwaas naar me toe stormt, maar mijn verlangen vergroot door met me mee te spelen, op twee meter afstand. Je hand maakt lange halen en laat me zien hoe je me wil neuken. Diep en hard. En zo maak je me nog natter. Kijk. Kijk maar, want ik wil je nog harder. Kijk wat je ziet als ik het kruisje van mijn slipje opzij trek. Ja… precies dat. Ik zie de bewegingen van je hand versnellen. Je ziet hoe mijn glinsterende vingers het stof opzij trekken. Zie je het? Ik ben nat en open. Voor jou.

Ik wil dat je kijkt hoe ik de laatste stukjes zelfbeheersing uit dat stille hoofd van je wegvinger. En als je weerstand eindelijk is gebroken en je de twee meter die ons scheiden overbrugt, wil ik dat je in me komt. Geen Lotus meer, geen fortune-cookies, geen voicemail, maar wij samen. Laat je gaan. Neuk me. En als je me straks schoonlikt wil ik dat mijn slipje half verscheurd om mijn dij ligt, als een stille getuige van je ongeduld. Je ongeduld om eindelijk te nemen wat de hele dag al van jou was.

 

Adrastos

Een half jaar later, toen hij in het zand knielde met een roos in zijn ene en een pistool in zijn andere hand, herinnerde Nick Adrastos zich de eerste keer dat hij de zee had gezien. Nu lag ze als een donkere spiegel uitgestrekt voor hem. Hij huiverde. Er was storm op komst.

Lees verder