Belchite

Tags

,

De ochtendzon schijnt over het laagland van Aragón en verwarmt de oude rode aarde. Spoedig zal de warmte hitte worden en die zal ondraaglijk zijn. De oude stad ligt vóór ons als een karkas van een wild dier, in de woestijn bezweken en door de gieren kaalgevreten. De huizen zijn geen huizen meer, maar willekeurige stenen puinhopen van enkele meters hoog. De naakte restanten van gewelfbogen die twee gerafelde muren verbinden verraden dat daar het middenschip van de kerk moet hebben gestaan. Waar het puin het laagst is, leidden ooit de straten van het provinciestadje de inwoners naar kerk, kroeg, familie en geliefden. De zinderende stilte ligt over Belchite als een lijkwade over een terechtgestelde: onthoofd, gevild, onschuldig.

“Nu weet je waar het allemaal is gebeurd”, zegt María zacht.

Ze heeft mijn hand in de hare genomen en knijpt haar ogen tot smalle spleetjes, alsof ze tussen de ruïnes misschien toch een teken van leven kan ontdekken. De onbeschrijflijke pijn die deze plek in zich draagt is voelbaar, een litteken in de huid van het Spaanse land. Meer dan 75 jaar geleden was Belchite het toneel van een oorlogsoffensief dat meer dan een week duurde. Toen het geschut en de karabijnen eindelijk zwegen was er van de stad niets meer over. De stank van de rottende menselijke lichamen en dierlijke kadavers was zo erg dat degenen die niet gesneuveld waren hun gasmaskers droegen, de verzengende hitte ten spijt, om maar niet de giftige doodslucht te hoeven ruiken die de stad als laatste adem uitblies. Toen Franco’s Nationalisten het pleit van de burgeroorlog uiteindelijk in hun voordeel hadden beslecht, besloten ze Belchite te laten zoals het was.

Vamos, Thomas. Laten we gaan.”

We draaien ons om, onze vingers nog verstrengeld, en we weten dat we hier nooit meer zullen terugkeren.

***

Een half jaar eerder had ik de brieven gevonden. Ze waren weggestopt in een oude kartonnen doos. Een stapeltje papier zo dik als een roman, ter grootte van een speelkaart, omwikkeld met een eenvoudig stukje dun touw. Ik legde het opzij en ging door met het opruimen van mijn vaders spullen, en ik nam me voor om die avond het touwtje los te maken en mijn vondst nader te bestuderen.

Het was een bewogen periode geweest. Het plezier dat ik de eerste jaren van mijn carrière in het accountantsvak had gehad was helemaal verdwenen. Op een dag, in een van de vele ‘belangrijke meetings’, raakte de vraag me met een schok: wat doe ik hier in Godsnaam? Ik realiseerde me dat het bedrijf waarvoor ik werkte en het werk dat ik deed op geen enkele wijze energie meer aan me teruggaven. Ik was fysiek en emotioneel leeggezogen. Van de ene op de andere dag besloot ik ontslag te nemen. Als vrijgezel had ik twee voordelen. Mocht die beslissing fout uitpakken dan zou ik niemand in de gevolgen meeslepen. Ten tweede had ik, bij gebrek aan grotere gezinsuitgaven, een behoorlijke financiële buffer opgebouwd om het wegvallen van inkomsten voor een aanzienlijke tijd te compenseren.

Een van de dingen die ik in mijn nieuw verworven vrije tijd oppakte was het opruimen van oude spullen en prullaria die jarenlang onaangeroerd een kast in mijn huis hadden gevuld. Het waren dingen die ik na het overlijden van mijn vader uit diens woning had meegenomen. Hij had het nieuwe millennium net gehaald maar was in maart 2000 overleden. We hadden altijd een moeizame relatie gehad en toen ik hem op zijn sterfbed zag was dat voor het eerst in jaren. Hij had me aangekeken, en ik kon trots noch teleurstelling ontdekken in de waterige ogen van de stervende man. Leon, zo hadden mijn grootouders hem genoemd, als eerbetoon aan iemand die mijn grootvader zeer bewonderde en in wiens geest hij handelde: Leon Trotski. Mijn vader voelde die eer geenszins want in tegenstelling tot opa moest hij van het communistisch gedachtegoed niets hebben. Hij noemde mij gewoon Thomas, naar die van Aquino.

Later die dag zat ik aan tafel en maakte voorzichtig het touwtje los dat de papieren bij elkaar hield. Wat ik vond was een indrukwekkende stapel brieven. Het oude papier en de hanenpoten verraadden onmiddellijk hun ouderdom. Nieuwsgierig bekeek ik er een paar en tot mijn verbazing waren ze in het Spaans geschreven. Mijn beheersing van die taal was niet perfect en het hoekige schrift was niet gemakkelijk te ontcijferen, maar de datering kon ik zonder problemen lezen. Ze waren allemaal uit het jaar 1937. Ik maakte onmiddellijk de associatie met een donker hoofdstuk in onze familiegeschiedenis en dacht aan mijn grootvader, de Trotskist die ik nooit had gekend.
“Laat het rusten, Thomas” had mijn vader altijd gezegd wanneer ik er als kind naar had gevraagd.
Dezelfde terughoudendheid om het verleden te op te rakelen had hem waarschijnlijk ook tegengehouden ooit iets met de brieven te doen.

Het weinige dat ik van mijn grootvader wist had ik vooral van mijn moeder gehoord die daarover wat milder en opener was geweest dan mijn vader. Corné Helman, mijn opa, was in 1918 geboren in Amsterdam als zoon van een timmerman. Hij schijnt een slimme en charismatische jongeman te zijn geweest. Zijn vader wilde hem graag zo snel mogelijk als timmermansleerling aan de slag zien om zo het karige inkomen van het gezin enigszins aan te vullen. Maar Corné las liever boeken en ontwikkelde al vroeg een kritische houding jegens de gevestigde maatschappelijke orde, tot grote zorg van zijn ouders. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot het opkomend communisme en nam regelmatig deel aan manifestaties en straatprotesten voor betere omstandigheden voor het proletariaat, alhoewel zijn eigen arbeidzame jaren nog op één hand te tellen waren. Toen in 1936 de Spaanse burgeroorlog uitbrak, had hij dat net als veel van zijn ideologisch verwante generatiegenoten als een conflict gezien dat symbool stond voor de klassenstrijd die, zoals Marx had voorspeld, op mondiale schaal zou worden uitgevochten. Hij aarzelde niet en bij de eerste gelegenheid meldde hij zich als vrijwilliger bij een van de recruteringsbureaus die waren opgezet door de Communistische Internationale. Begin 1937 vertrok hij, 19 jaar oud, als lid van de Internationale Brigades naar Spanje om daar te vechten aan de zijde van de Republikeinen. Maar niet nadat hij in alle haast nog in het huwelijk was getreden met mijn grootmoeder, die hij had leren kennen op een bijeenkomst van de Partij en zwanger had gemaakt. Zij was trots op hem, zijn ouders bleven radeloos achter. Mijn vader, Leon, werd geboren in het najaar van 1937, als kind van overtuigde en strijdbare communisten waarvan mijn grootvader in Spanje de daad bij het woord voegde. Een jaar later kwam mijn grootvader terug in Nederland. Hij was gewond geraakt in de strijd en via een Franse vluchtroute gerepatrieerd. Behalve zijn onderarm was hij ook zijn illusies kwijt. Toen hem bovendien zijn staatsburgerschap werd ontnomen omdat hij had gediend in het leger van een vreemde mogendheid kwam aan zijn bevlogenheid een abrupt en definitief einde. Hij verhing zich in juni van dat jaar. Op de begrafenis stonden alleen een paar oude kameraden en mijn grootmoeder, met in haar linkerarm een baby, en haar rechterarm met gebalde vuist geheven: liefde en solidariteit tot in het graf.

De dagen na mijn vondst bracht ik door met het bestuderen en ordenen van de brieven. Ik legde ze op volgorde van datum, nummerde ze, en maakte een register. Het waren er 27, op één na allemaal in hetzelfde handschrift en voorzover ik kon zien, allen gericht aan “Luís” en ondertekend met “Ale”. Ik worstelde met de vertaling, maar maakte al vrij gauw uit de context op dat het brieven waren die een bezorgde Ale had geschreven aan haar geliefde Luís, die ergens aan het front vocht. Alhoewel ik in eerste instantie nergens een directe verwijzing kon vinden naar mijn grootvader was ik ervan overtuigd dat de brieven iets met zijn ongelukkige verblijf in Spanje te maken hadden: het was dezelfde oorlog. Pas toen ik mijn aandacht richtte op de ene brief die als laatste was gedateerd en juist door Luís was geschreven, vond ik een aanknopingspunt.

Liefste Ale,
We liggen voor Belchite en ons offensief is tot stilstand gekomen. Die verdomde fascisten verkopen hun huid duur. Het is een onbeschrijflijke hel. Veel kameraden zijn gesneuveld en ik ben bang dat dat ook mijn lot zal zijn. Na zoveel gevechten voel ik dat mijn onkwetsbaarheid tijdelijk is geweest. Ik geloof niet dat de veldpost nog functioneert. Daarom geef ik jouw brieven, en deze laatste van mijn hand, mee aan een kameraad van de Internationale Brigades. Hij is gewond geraakt en zal achter de linies worden verpleegd. We noemen hem el Holandés, zijn eigennaam ken ik niet maar we hebben meer dan eens zij aan zij gevochten. In deze verwoesting is dat mijn beste kans dat dit bericht je ooit nog bereikt. Weet, liefste Alejandra, dat ik altijd van je gehouden heb en voor altijd de jouwe zal zijn, wat er ook gebeurt. Leer onze kleine dochter dat het belangrijk is om te geloven in een ideaal en daarvoor te vechten. Leer haar een goed mens te zijn.
Para siempre, tu Luís
3 september 1937

 De conclusie lag voor de hand. Als die Nederlander – el Holandés – mijn grootvader was, dan had hij zijn belofte om de brieven aan Alejandra te bezorgen nooit gestand gedaan of kunnen doen. Ik nam me voor om die taak alsnog uit te voeren. Tijd had ik al, en nu had ik ook een doel.

Gedurende twee maanden verdiepte ik me in de brieven en zocht naar aanknopingspunten om afstammelingen van Ale en Luís te kunnen vinden, als die nog in leven waren. Ik las over de Spaanse burgeroorlog, en om het vertalen van Ale’s correspondentie te vergemakkelijken verdiepte ik me opnieuw in de Spaanse taal. Ik ging mijn eigen grootvader met andere ogen zien: niet als een vuile rooie maar als een idealist die zijn leven in de waagschaal stelde voor iets waarin hij geloofde. Ik zag ook het contrast met mezelf: een opportunist die zijn idealen had verloren en geen flauw idee had waarvoor hij überhaupt zijn leven zou moeten opofferen.

Ik trachtte verder te komen door contact te zoeken met veteranenorganisaties en het Spaanse instituut voor oorlogsdocumentatie maar behalve twee voornamen en een enorme hoeveelheid liefde die uit de brieven sprak had ik geen concrete aanwijzingen en kwam ik geen stap verder. Uiteindelijk maakte ik een transcriptie van twee van de brieven en stuurde die naar El País, een grote Spaanse krant. In een begeleidend schrijven vertelde ik de achtergrond en verzocht om hulp. Ik had de stille hoop dat de krant er een mooi verhaal in zou zien en de brieven zou plaatsen met een oproep aan nabestaanden van Ale en Luís om te reageren. Tegen mijn verwachting in gebeurde dat ook. Twee weken na publicatie van het artikel (Nederlander op zoek naar geliefden uit de burgeroorlog) kreeg ik een telefoontje van een redacteur van de krant. Er was een reactie gekomen van iemand die zei de kleindochter van Ale en Luís te zijn, en voorzover de krant had kunnen nagaan – ze wilden me behoeden voor oplichters en sensatiezoekers – was die claim authentiek. Ik kreeg het emailadres van María, en twee weken later ontmoette ik haar op het vliegveld van Madrid.

***

“Ja, die Holandés moet je grootvader zijn geweest”, zegt María, terwijl ze de brief terzijde legt. Ze heeft me weggeleid van Belchite en een aantal kilometers verderop in het glooiende Aragonese niemandsland hebben we de oude machine, zoals ze haar oldtimer noemt, geparkeerd aan de voet van een heuvel. In de schaduw van de kurkeiken op de top heeft ze zwijgend een deken uitgespreid. De brieven liggen tussen ons in. Er is manchego en wijn, zoals dat al eeuwen het geval is als men op het Spaanse platteland uitrust. Ze komt naast me zitten. Voor een Spaanse is ze tamelijk lang en uitzonderlijk blond, maar haar zwierige vrouwelijkheid en stijl getuigen van haar mediterrane bloed. Ze is mooi, en ik zie hoe de zachte bries haar lokken lichtjes doet bewegen. Terwijl ze zich zachtjes tegen me aanvleit en opnieuw haar hand met de mijne verenigt, spreekt ze op fluisterende toon.

“Ik zal er nooit aan wennen, Thomas. Ik hou van mijn land, begrijp me goed. Maar de aarde hier is niet alleen stokoud, ze is ook doordrenkt met bloed. Van schuldigen of van onschuldigen, vergoten voor een goede zaak of voor domme idealen, dat is onbelangrijk. Zoveel mensen hebben geleden, door de eeuwen heen. En wij, naïevelingen, die zijn opgegroeid in een relatief vredige tijd in dit land denken dat die rust de normale staat der dingen is. Werp één blik op de geschiedenis en je ziet dat geweld en dood de constante factoren zijn, geen uitzondering maar regel. Het is meer geluk dan toeval als we geen kind hoeven te begraven dat is gesneuveld voor een zogenaamd groter doel. Het maakt me triest, Thomas. Hou me vast.”

We slaan onze lichamen om elkaar heen. Ik voel de warmte van haar wang tegen de mijne, de glooiing van haar borsten tegen mijn borst. Troostend streel ik haar haar, en ik merk hoe een traan de aanraking van onze gezichten bevochtigt. Maar het is misplaatste troost. Kwetsbaarheid en kracht, het is in deze vrouw zo sterk verenigd dat een scheidslijn nauwelijks herkenbaar is. Haar omarming voelt als een vanzelfsprekende voortzetting van de manier waarop ze eerder mijn hand heeft genomen; die lichte aanraking was een teken van verbinding, van aantrekkingskracht die zich al bij onze eerste ontmoeting in Madrid aandiende. Nu ligt het verlangen open en bloot voor ons, onder een kurkeik op een Aragonese heuvel.

“Laat me niet los”, zegt ze.

Ik voel haar lippen tegen mijn wang, een zachte zoen. Nog een, iets lager. Dan pakt ze met haar hand mijn haar beet en trekt mijn hoofd zachtjes naar achteren. Ze kijkt me aan, haar ooghoeken nog vochtig van de tranen, indringend, alsof ze door mijn ogen wil zien wat er zich destijds in Belchite heeft afgespeeld.
Que no estés triste”, fluister ik. “Wees niet verdrietig”.
Ze glimlacht en legt een hand op mijn borst, zonder de omhelzing te verbreken.
“Ik ben niet verdrietig meer, Holandés. De triestheid om de dood en de lust om te leven liggen heel dicht bij elkaar, ze zijn elkaars spiegelbeeld. Begrijp je wat ik bedoel? Heb je nooit gemerkt hoe er bij elke begrafenis onder de oppervlakte een sterke erotische lading ligt, hoe sterk je behoefte aan seks kan zijn als je bij zo’n plechtigheid vandaan komt? Als we geconfronteerd worden met de dood wordt onze lust om te leven herboren. De dood heb ik daarnet in Belchite gevoeld en het maakte me onpeilbaar droevig. Nu voel ik mijn lichaam door het jouwe, met het jouwe. Ik kom terug van een begrafenis en ik wil het leven nu weer vieren.”

De omhelzing wordt een kus, de kus wordt ongeduld, het ongeduld wordt een offensief van vingers en handen. Het is een nieuwe zoektocht, naar woorden in een taal die nog niet bestaat, woorden die nog nooit uitgesproken zijn en daarom alleen kunnen worden gezegd door aanrakingen, ogen, en ademhaling. Zij, ze is schitterend in haar overgave; iedere vezel van haar lichaam straalt verlangen uit en wekt verlangen op. Ik voel haar handen door mijn haar, haar vingers in mijn rug, haar gekouste benen opgetrokken rond mijn middel, alsof ze me voorgoed wil vastketenen aan haar lijf en aan de Spaanse aarde. En ik, ik zie haar en ik proef haar, ik omvat haar middel als ze zich opent voor mijn mond en mijn hoofd dwingend leidt naar de plaats waar ze me wil. En wij, we kijken in elkaars ogen als ik diep in haar ben, als ze haar hoofd naar achteren gooit in een ultieme schreeuw van genot en me onuitgesproken dwingt tot een echo van die schreeuw.

Als ik een paar tellen later mijn hoofd naast het hare leg, voel ik opnieuw tranen langs haar wangen.
“Hou me vast, Thomas, laat me niet los. Dit is geluk.”

***

Gedurende de dagen die op onze kennismaking in Madrid volgden had María me haar verhaal verteld. Luís, haar grootvader, was inderdaad zoals hij had voorvoeld in Belchite gesneuveld. Haar grootmoeder Alejandra was in Oviedo achtergebleven met Isabel, María’s moeder, toen nog een zuigeling. Ale was een telg uit een gefortuneerd nest. Haar ouders hadden weliswaar niet veel sympathie voor de nationalistische opstandelingen maar waren evenmin blij met Luís, de militante socialist, als hun schoonzoon. Toen het doodsbericht van het slagveld haar bereikte was Alejandra’s hart gebroken. Ze wilde niets meer met het geweld in Spanje te maken hebben en week met haar dochtertje uit naar Zwitserland. María’s moeder groeide daar vervolgens op en trouwde een Zwitserse bankier. Ze had lang lesgegeven aan de Universiteit van Zürich. Spaanse Letterkunde, ze had haar afkomst nooit verloochend. Uit dat huwelijk was María in 1975 geboren, het jaar waarin Francisco Franco overleed. Later was ze gaan studeren in Salamanca, en had ze besloten in Spanje te blijven.

Die dagen in Madrid dronken we wijn, aten we samen, en vertelden we elkaar ons verhaal. Dat we naar Belchite zouden afreizen was een vanzelfsprekend besluit. We wilden niet alleen de plek zien waar onze grootvaders samen hadden gevochten, maar we wilden vooral ook in elkaars gezelschap zijn.

***

De zon heeft zich verplaatst en de oude eik beschut ons niet langer. Langzaam maakt María zich los uit onze eindeloze omhelzing.
“Verschuif jij de deken even zodat we weer schaduw hebben” zegt ze. “Ik wil je iets voorlezen.”
Ze trekt haar kanten slip aan en loopt de heuvel af. Ik kijk naar haar en kan niet anders dan blijven kijken. Ze opent het portier van de oude machine en buigt elegant voorover, met één hand steunend op de bestuurdersstoel, en pakt iets uit haar tas op de achterbank. Het beeld brandt zich op mijn netvlies in rouwzwart en engelwit, melancholie en levenslust onlosmakelijk verenigd in één persoon.

“Je hebt de deken niet verplaatst”, zegt ze als ze weer op de heuvel terug is.
“Ik keek naar jou”.
Estabas mirando mi culo – Je keek naar mijn kont, Thomas van Aquino!”

Ze lacht voluit als ze zich op me stort. Ze laat haar handen over mijn gezicht en mijn borst glijden, alsof ze niet kan zien en zich met haar vingers een beeld wil vormen van mijn gestalte. Ze kust me. Dan neemt ze het stapeltje dat ze uit de auto heeft gehaald. Ik heb het in Madrid al gezien: het zijn de brieven van Luís aan Alejandra, het spiegelbeeld van de brieven die mijn grootvader van Luís in handen had gekregen en nooit had kunnen bezorgen. María pakt een van de brieven en kijkt me aan.
“Weet je nog dat je me gisteren vroeg waarom ik naar Spanje ben teruggekeerd?” vraagt ze.
Ik knik.
“Ja, je ontweek het antwoord. Waarom ben je teruggekomen?”
Ze glimlacht en leest voor.

 Liefste Ale,
Mijn hart doet pijn, omdat ik jou en onze Isabel verschrikkelijk mis. Maar ook omdat deze afschuwelijke oorlog over mijn geliefde land is gekomen, het land waar we allen vandaan komen en dat we nu als waanzinnigen te gronde richten. Hoe het met deze oorlog en met mij zal aflopen weet ik niet. Ik heb me vaak afgevraagd of ik er goed aan heb gedaan de wapens op te pakken en jullie in de steek te laten. Maar begrijp, lieve Ale, dat ik het verplicht ben aan onze kinderen en onze kindskinderen, zodat zij ooit met hun geliefden vanaf een schaduwrijke heuvel kunnen uitkijken over een Spaans land in vrede, en zich gelukkig kunnen voelen.

Ze legt de brief neer en komt bij me liggen.
“Het was voorbestemd”, fluistert ze.

***

Voor het eerst in jaren voel ik rust. Tijd speelt geen rol; er is alleen dit moment. De lichte noordenwind verkoelt onze lichamen en fluistert zacht door de bladeren van de kurkeik. Ik heb iets gedaan wat belangrijk was. Misschien niet significant voor het universum, maar van betekenis voor mij en voor iemand anders, die ik na lang zoeken leerde kennen en met wie ik samen een cirkel heb voltooid. Een zoektocht, bezegeld in twee versmolten lichamen. Ik heb iets gedaan, niet omdat ik het moest maar omdat ik het wilde, en het geeft me iets terug. Ze ligt in mijn armen, zijdelings tegen me aan, en ik kan mijn ogen niet van haar afhouden. Haar blanke zachtzijden huid, haar halflange haar zo dik als scheepstouw, de rondingen van haar borsten en heupen. Ik streel haar klamme huid en het kant van de kousen dat haar dijen en kuiten nog bedekt. Haar gezicht is vredig, ze heeft haar ogen gesloten, maar de minuscule mimiek in haar gezicht spreekt zonder woorden: laat me niet los.

 

Foto: CC BY-NC 2.0 Maria Almudena Raya

 

Maestra


De cursus was nog geen half uur bezig of ik had al spijt van mijn impulsieve inschrijving. Daar zat ik, in Rome, veroordeeld tot een week met amateurkunstenaars van divers pluimage en opgezadeld met docente Tiny van Houten-Crutz, van wie ik na tien minuten introductie al wist dat ze niet goed snik was.

Lees verder

Aspergestekers

aspergesveld

Een nieuwe nacht, dezelfde droom. Ik sta in een verlaten akker. De lucht is grijs, er is alleen maar stilte. Geen wind, geen vogel, niks. Toch is er iets gebeurd; dat voel ik. De eenzaamheid verlamt me. Waarom is er niemand die me zegt waar ik ben? Waarom vertelt niemand me waar ik naar toe moet? Twee stippen aan de horizon worden langzaam naderende mensen. Een kleine, gedrongen vrouw met een hoofddoek. Een ongeschoren man in vuile kleding, die zijn pet afneemt. Ze dragen plastic tassen die ze me aanreiken en spreken woorden die ik niet versta.
“Nee,” roep ik, “nee, alstublieft. Ik hoef ze niet!”
Uit de tassen druppelt dik rood vocht dat wegzakt in de droge, dorstige grond.

Lees verder

Onder de vulkaan

vulcano

Voor de Prikkelzinnen van 26 januari 2019 – “Talk dirty to me, baby!”

PARCO ARCHEOLOGICO DI POMPEI, 9 AM

Mijn rondleidingen waren ongeschikt voor mensen met een zwak hart of een orthodoxe moraal. De confronterende kant van het oude Pompeï was mijn domein. Ook nu was er slechts een handjevol toeristen dat zich had laten verleiden tot een tour die ik de naam ‘Graffity under the vulcano’ had gegeven. Aanwezig: een beleefd Zwitsers echtpaar op leeftijd, een gezette Duitser met een t-shirt van Rammstein, twee giechelende Koreaanse meiden met vlechtjes en een ruitjesrok, en een aantrekkelijke Nederlandse vrouw wier hakken me te hoog leken voor de kasseien van de zo tragisch verwoeste stad. En natuurlijk een Amerikaans stel, van middelbare leeftijd op spierwitte tienersneakers. Zij hielden het vol tot aan het tweede voorbeeld. Dat was  een hartekreet van tweeduizend jaar oud, gekrast in de steen van het peristylium van het ‘Huis van de Zilveren Bruiloft’:

PEDICARE VOLO

Lees verder

De Klok

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

clockwork_time

Ik had niets om me schuldig over te voelen, en toch schrok ik van de telefoon. Er was nooit iemand die me belde, behalve mijn moeder. Maar die belde altijd ’s avonds, niet aan het eind van de ochtend.
“Bart, met Isa.”
“Hallo Isa.” Mijn schrik maakte plaats voor zenuwachtige verrassing.
“Jij bent toch goed met techniek? Ik heb je nodig. Dringend.”
Lees verder

The Clock

Oops. This story violates the Wicked Wednesday rules because it is (way) too long. But gentle host Marie kindly gave me permission to link anyway. Fortunately, length is relative (as is time)…

clock_fantasy_mysterious_124113_2560x1600

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

There was nothing to feel guilty about, yet the sound of my telephone unsettled me. Nobody ever called me, except for my mother. But she used to ring me in the evening, not around noon.

“Bart, this is Isa.”
“Hello Isa.” My apprehension turned into nervous surprise.
“You’re tech-savvy, aren’t you? I need you. Urgently.” Lees verder

Larrios

Marnix Pessen, schrijver en dichter, leefde in de eerste helft van de vorige eeuw. Ofschoon hij niet voorkomt in de canon van de literatuur verwierf hij in zijn tijd enige bekendheid, al was het maar omdat hij vaak publiceerde in zijn streekdialect dat ook het mijne is. Het zuiden van Europa had een sterke aantrekkingskracht op hem en één van zijn boeken deed verslag van een reis door Spanje en Portugal. Ik vond het boek in een antiquariaat en toen ik het las raakte ik gefascineerd door de emoties waartussen Pessen heen en weer werd geslingerd en hoe hij zich daarin staande hield. Nergens maakte hij een geheim van zijn afschuw van de bewoners van het Iberisch schiereiland (‘dieven en klaplopers’), om vervolgens lyrisch te vertellen over de onwerkelijke schoonheid van het Alhambra en het Alcazábar. Terwijl ik zijn bloemrijke woorden in me opnam realiseerde ik me ook hoezeer de landen die hij had bezocht in de tijdspanne van een eeuw waren veranderd: van achterlijk en straatarm boerenland, praktisch van de wereld afgesneden door de Pyreneeën en de zee, naar moderne staten, waar Europees geld de karrensporen had vervangen door gloednieuwe snelwegen.

Lees verder

Erotica Estafette deel 3 – Brioche

wat vooraf ging (deel 1)
wat vooraf ging (deel 2)

Ergens, verscholen onder het wasgoed, klinkt een mobiele telefoon. Julien probeert de stotende bewegingen van zijn onderlijf voort te zetten terwijl hij gelijktijdig met zijn rechterhand haastig een paar handdoeken aan de kant gooit, graaiend naar zijn iPhone. Maar de verslapping van zijn aandacht wordt opgemerkt.
Ga door, putain! Niet stoppen, klootzak!”
De ringtone is de melodie van André Hazes’ Kleine jongen. Het is een aandenken aan Leiden, waar Julien een jaar archeologie heeft gestudeerd en zich meteen in ’s lands cultuur – lees: het kroegleven – heeft verdiept. De liedjes van de volkszanger hebben hem geholpen het Nederlands onder de knie te krijgen.
“Laat die telefoon godverdomme en neuk me!”
Mara heeft gelijk. En Hazes ook. Julien kijkt omlaag en spreekt in gedachten zijn harde lid toe, dat halverwege wordt omsloten door een zachte zee van vochtig roze.

Kleine jongen
Je bent op deze wereld, dus zal je moeten vechten, net als ik.

Hij grijpt Mara in haar knieholtes, spreidt haar benen verder en vecht. De telefoon zwijgt. Mara schreeuwt.
Baisse-moi Julien! Ja, zo! Ga door!”

Met archeologie is geen boterham te verdienen maar de tertiaire voorwaarden van een bijbaantje in het hotel bevallen Julien. Hij neukt Mara het liefst in de linnenkamer. Zij, het kamermeisje, heeft de sleutel. Maar Julien’s voorkeur voor het kleine hok op de eerste verdieping is naast praktisch ook esthetisch. Mara’s egale, karamelkleurige huid bevalt hem het best in contrast met het ruwe wit van de badhanddoeken en hotellakens. Ze is een schoonheid uit Guadeloupe, met koolzwarte ogen en vuurrode lippen. Zacht en zoet als brioche, maar dan wel uit de finale van Heel de Hel bakt.

“Is dit alles wat je hebt? Maak het af, Julien. Neem wat van jou is. Daar was je toch op uit? Je geile meisje stiekem neuken tot ze gillend klaarkomt? Nou, waar wacht je op? Doe met me wat je wil. Neuk me en laat me komen, klootzak!”

Hazes klinkt opnieuw. De archeoloog in Julien neemt het van de minnaar over. Hij graaft zijn weg naar de bron van het geluid.
Allo? Ja, ik ben het, Julien. Ja…ja… oké. Ik ga onmiddellijk.”
Julien schiet haastig zijn kleren aan en fatsoeneert zijn haar.
“Wat ga jij doen?” vraagt Mara verontwaardigd.
“Er is iets op kamer 469, die Hollanders. Ik moet gaan kijken van de concierge.”
“En ik dan? Laat je me hier zo achter? Je bent een lul!”
“Ik ben de enige lul in het hotel die Nederlands spreekt.”

Als Julien de deur van de linnenkamer achter zich sluit hoort hij hoe een glas uiteenspat tegen het hout aan de andere kant.
“Zak in de stront, Julien!”


EE-button

Het vervolg, geschreven door Liza Daen, lees je hier: Mon Dieu!

Korte Rokade

6367372497_00ba08f39c

In het westen draait de aarde de zon haar andere kant toe. Ik schrijf het bewust zo. Niet: in het westen gaat de zon onder. De zon gaat helemaal niet onder, de aarde draait zich van haar weg. Ik hecht aan dat soort nuances, alhoewel ik ze meestal niet uitspreek.
“Om me voor te bereiden op een toernooi.”
Ze vroeg waarom ik hier was.
De laatste schaduwen van de dag zijn lang, het geluid van de krekels zwelt aan, de hitte is zwoele warmte geworden. Ze maakt me onrustig.
“Een toernooi? Ben je een sportman?”
Tja. Sommigen noemen het een sport, anderen vinden het een spelletje. Ik heb dat label nooit belangrijk gevonden. Een atleet ben ik niet, maar ik train wel. Zoals daarnet, toen ik een oude partij van Lasker tegen Steinitz analyseerde. Bij zet 32 schoof ze ongevraagd aan mijn tafeltje aan. Ik hou er niet van om onderbroken te worden.
“Zoiets. Ik schaak.”
Kortafheid, is dat een woord? In ieder geval heeft het geen effect. Ze glimlacht en nestelt zich brutaal in de terrasstoel tegenover me, haar blote schouders boven een handdoek die zo bont is dat hij tegen me lijkt te schreeuwen.
“Wat leuk. Zoiets vermoedde ik. Ik lig hier al dagen aan het zwembad en probeer met je te flirten. Maar je kijkt niet op of om.”
Normaal gesproken zit ik tegenover mensen die in gedachten verzonken zijn, die nadenken over een ingewikkelde stelling en me hoogstens met hun trommelende vingers op het tafelblad of het schuiven van hun stoel uit mijn concentratie proberen te halen; niet met woorden. Flirten? Ze moet nu echt weg.
“Als u het niet erg vindt, mevrouw, ga ik nu weer verder.”
Er verschijnt een brede glimlach op haar roodgestifte mond. Even denk ik dat mijn woorden effect hebben, maar ze staat alleen maar op om haar handdoek over de rugleuning van de stoel te hangen. Terloops trekt ze met twee vingertoppen onder het stof haar bikinibroekje recht. Daarna gaat ze opnieuw zitten en sluit haar lippen om het groene rietje in haar cocktailglas. Een druppel vocht zoekt langzaam zijn weg van haar natte bruine lokken naar haar hals, dan naar haar borsten. Daar lost hij op in het stof van haar rode bikinitop.
“Wat keurig van je, om me mevrouw te noemen.”
“Ik ken u niet, en …”
Ze onderbreekt me.
“Je kent me niet en je ouders hebben je geleerd beleefd te zijn tegen onbekenden. Dat is goed. Toch zou ik willen dat we later vandaag geen vreemden meer zijn en je me anders noemt.”
Niet goed, niet goed, waarschuwt de sirene in mijn hoofd. Ik weet niet wat me onrustiger maakt, haar directheid of de gladde, gebruinde huid van haar slanke armen. Ze ziet mijn vertwijfelde blik.
“Laat me raden,” zegt ze. “Je bent waarschijnlijk een erg goede schaker. Anders zou je niet in dit resort zitten om je voor te bereiden. Je bent vast heel intelligent en gewend om te winnen. Maar je hebt moeite met grillige tegenstanders. Hun onvoorspelbaarheid brengt je uit balans.”

Flashback. Tata Steel toernooi 2015. Viktor Kowalski. Hongaar, ELO-rating 2600. De opening verloopt volgens het boekje en precies zoals verwacht. Maar zijn pionoffer op zet 18 is zo merkwaardig en ogenschijnlijk zo onlogisch dat ik compleet van slag raak. Ik heb geen antwoord en verlies de partij kansloos – met wit nog wel. Viktor Kowalski, en zijn duivelse lachje.

“Mijn ouders hebben me ook geleerd om niet te liegen. Wat u zegt klopt.”
Ze leunt achterover in haar stoel.
“Nou dan. Ik weet dat je de zenuwen van me krijgt. Waarom maak je mij geen onderdeel van je voorbereiding? Zie het als een training om met onvoorspelbaarheid om te gaan.”
Met haar hand brengt ze een losse lok haar achter haar oor. Ze kijkt me onverstoorbaar aan. Oogcontact vind ik moeilijk, dus zoek ik een alternatief voor haar groene ogen en kijk te lang naar haar borsten.
“Masturbeer je veel?”
De sirene in mijn hoofd ontploft. Het antwoord op haar vraag verschijnt als zwijgend karmozijn op mijn wangen. Ik wil dat ze ophoudt, ik wil dat ze weggaat en dat ga ik haar nu ondubbelzinnig vertellen.
“Eh…dat…”
“Ik wel. Het is de zon, de warmte, de ontspanning, de fantasie. Het windt me op. Ik kan er geen weerstand aan bieden en doe daar ook geen moeite voor. Heb jij dat niet?”
Ik trek mijn been in een reflex terug als ik merk hoe ze onder de tafel met haar voet mijn kuit streelt. In mijn hoofd is er kortsluiting.
“Dat kan niet anders,” vervolgt ze. “Je bent een jonge vent in de kracht van zijn leven, en je bent hier alleen. Ik vraag me af waar je aan denkt als je met jezelf speelt.”

Fantasie. Olga Brazova, Oekraïense, ELO-rating 2300. Olga Brazova, wijdbeens knielend, haar gezicht naar de muur en haar handen vastgebonden aan de spijlen van het bed. Olga Brazova, naakt, op haar hold-ups en  hoge zwarte hakken na. Olga Brazova, die omkijkt en haar ogen laat vragen: ga je me zo nemen? Van achteren? Wil je me zo neuken? Toe maar, neuk me, ik ben van jou. Olga Brazova, later, uitgeteld, haar billen rood van mijn klappen, druipend van mijn zaad en haar vocht.

“Het is slecht voor mijn focus,” stamel ik. Ik schuifel op mijn stoel. Mijn mond is droog en ik vecht een kansloze strijd tegen een erectie. Ze giechelt.
“Godallemachtig. Zo meteen ga je me nog vertellen dat je er blind van wordt. Je schaamt je er toch niet voor? We doen het allemaal. Wil je niet weten waar ik daarnet aan dacht?”
“Daarnet?”
“Ja, daarnet. Het moest even. Het was alsof de zon zelf me streelde. Ik ging het zwembad in, een ijdele hoop op afkoeling. Mijn borsten drukte ik tegen de badrand en ik liet mijn hand in mijn bikinibroekje glijden. Ik had geen keus. Ik streelde mezelf terwijl ik naar je keek. Helemaal onder water, en toch voelde ik mijn eigen vocht. Ik zag je, peinzend boven je boek en beeldde me in dat het jouw vingers waren.”
Ze verplaatst haar been, strekt het uit zodat haar voet mijn kruis raakt. Dit keer verzet ik me tegen een terugtrekkende reflex. Ze krult haar tenen tegen het stof. Haar ogen verwijden zich, haar lach wordt breed, en toch heb ik het gevoel dat ze nauwelijks verrast is. Ze voelt mijn harde lid.
Now we’re talking,” zegt ze zacht.
Mijn hoofd bonkt, ik zoek naar woorden om haar te stoppen. Ik vind met opzet de verkeerde en voor ik het weet zijn ze eruit.
“Kwam je klaar?”
Ik gloei. Zij straalt en drukt haar voet nog wat steviger in mijn kruis.
Klaarkomen! Zozo, wat een dirty talk!” zegt ze op een quasi-cynisch toontje. Ze bijt haar onderlip en kijkt me een moment zwijgend aan. Dan serieus.
“Nee, ik kwam niet klaar. Ik was er dichtbij. Maar ik spaar het op. Dus je kunt wel nagaan hoe ik me nu voel, met een mooie jongen tegenover me die hard van me wordt.”
Opnieuw krult ze haar tenen tegen mijn geslacht.
“Ik ben heel erg geil nu. Hoe heet je eigenlijk?”
“Alexander,” zeg ik bedremmeld terwijl ik onrustig om me heen kijk. Er is niemand meer op het terras.
“Ik ben Maya. Luister Alexander. Kom met me mee. Omarm de onvoorspelbaarheid. Ik zal je niet aanraken, ik weet dat je dat ongemakkelijk vindt. Je hoeft alleen maar te kijken. Ik weet dat jij dat ook wil.”

Haar kamer: meisjesdingen, rommel. Kleren op de grond, crèmes op kastjes, een föhn op het bed. Schoenen verspreid over de vloer, zeven. Een oneven aantal.
Ze gooit wat spullen aan de kant zodat er plek is op haar bank. Maak het je gemakkelijk. We zitten tegenover elkaar. Ze buigt haar hoofd naar beneden terwijl ze me aan blijft kijken en haar hals streelt.
“Je bent een schoen kwijt,” zeg ik. Het is een halfslachtige poging te ontsnappen aan datgene wat ik wil.
Ze zegt niets en laat haar vingertoppen afdalen. Met zachte hand dwingt ze de bikinibandjes van haar schouders en trekt de cups van haar topje naar beneden. Terwijl ze haar tepel met de duim en wijsvinger van een hand omklemt spreidt ze haar benen en laat haar andere hand in haar bikinibroekje glijden. Haar ademhaling is zwaar en onregelmatig als ze zichzelf streelt.
“Vertel me wat je wil,” zegt ze zuchtend. “Wil je me zien? Wil je mijn kutje zien? Wil je zien hoe nat ik ben?”
De pulserende bewegingen van haar verborgen hand worden intenser. Ik probeer te denken aan de mogelijke plek van de achtste schoen. Tevergeefs.
“Ja, laat me kijken.”
Ze haalt haar hand tevoorschijn en met glinsterende vingers trekt ze haar bikinibroekje aan het kruis opzij.
“Vind je het mooi? Kom dichterbij. Doe met me mee.”
Terwijl mijn adem stokt schuif ik dichter naar haar toe. Ze is nat en haar geur bedwelmt me. Maya beukt op mijn laatste verdediging. Ze spreidt haar schaamlippen. Onhandig en ongeduldig open ik mijn broek en omvat met mijn rechterhand mijn stijve lid. Maya kijkt, ademloos, en laat twee vingers langzaam in zich glijden. Schaak.
De schroom van jaren brokkelt met iedere beweging van mijn hand een stukje verder af.
Soms snel, dan weer traag: het is alsof ik mijn hand niet zelf beweeg. Dat doet zij. Met haar ogen, met haar naakte lichaam, met haar opwinding, met de cadans van haar vingers.
Plots houdt ze halt. Ze neemt zachtjes mijn hand en brengt die tussen haar benen.
“Nu, jij bij mij,” zegt ze hees. “Maak me klaar. Neuk me met je vingers.”
Er gaat een siddering door haar lijf als ik doe wat ze vraagt en in haar glijd.
Ze krult haar slanke hand om mijn pik en trekt me af, in hetzelfde ritme waarmee ik in haar beweeg. Het duurt niet lang, daarvoor is het te veel, voor ons allebei. Ze gooit haar hoofd in een schreeuw achterover en holt haar rug, haar borsten met de kleine, harde tepels naar voren. Ik voel haar warme vocht langs mijn vingers stromen en geef me over.
Nog een keer trekt ze mijn voorhuid ver naar achteren en richt mijn pik dan op haar kruis.
“Spuit tegen mijn kutje!”
Mijn zintuigen zijn overbelast, zoeken een uitweg, vinden die in krachtige, ongecontroleerde golven die aanspoelen op een onbekende kust: haar dijen, haar schaamlippen, haar buik. Schaakmat.

Buiten praten krekels, binnen zwijgen Maya en ik. Langzaam komen we op adem terwijl we elkaar aankijken. Ik verbreek mijn persoonlijk record oogcontact en glimlach.
“Als je mijn schoen vindt mag je me schoonlikken,” zegt ze samenzweerderig.

***

Linares International Chess Tournament, een maand later. Tegenstander: Viktor Kowalski, met wit en een duivels lachje. De opening verloopt zoals voorspeld. Als Kowalski nadenkt bij zet dertien, raak ik vluchtig de bovenkant van zijn hand aan.
“Masturbeer je veel, Viktor?”
Hij trekt geschrokken zijn hand terug maar het leed is al geschied. Vanaf dat moment is hij kansloos. Onvoorspelbaarheid moet je leren omarmen.


PP

Stormpolder – 2

wat vooraf ging…

Ze hebben een stuk leegte met hekken afgezet. God mag weten waarom. De regen van de afgelopen dagen heeft de afgeschermde zandvlakte in een modderpoel veranderd. Bovendien valt er nog niks te stelen of te vernielen. Machines en bouwmateriaal staan er nog niet, er is geen werkman te bekennen. De oude arbeiderswoningen zijn gesloopt, het puin is afgevoerd. Maar Nieuw Crooswijk bestaat alleen nog maar op een billboard op de hoek van het omhekte perceel. Ik kijk omhoog naar de hoopvolle artist impression van de projectontwikkelaar, met veel groen en spelende kinderen. Koopsommen vanaf € 250.000. Een oude man met een hond nadert me en houdt even halt. De hond pist tegen de houten paal van het billboard. De man volgt mijn ogen en leest ook.
“Welja. Een huis voor tweeëneenhalve ton in Crooswijk. Kun je beter je geld meteen in de Maas flikkeren. Ik geef je een goeie raad: koop gewoon wat leuks voor je meissie.”
Zonder mijn antwoord af te wachten sjokt hij verder. Ik duik weg in de kraag van mijn jas en loop onder de oude poort door, de begraafplaats op.

We zijn met zijn zevenen. Of eigenlijk met zijn achten, als we meneer O. meetellen. Die ligt in een eenvoudige kist op een metalen baar. Twee dames van de begrafenisonderneming in een grijs mantelpak met paarse revers fluisteren elkaar overbodige organisatorische details toe. Dan zijn er mannen van de begraafplaats, die straks de kist in de versgegraven kuil zullen laten zakken. Pastoor Pastoor van de Lambertusparochie uit Kralingen inspecteert zijn wijwaterkwast. “Pastoor, heet ik en ben ik,” zegt hij steevast als hij zich voorstelt. Kruiswijk is er ook, zoals altijd. Hij steekt een sigaartje op. De rook stijgt langzaam in de klamme lucht omhoog en blijft als een wolk tussen de kale takken van de treureiken hangen.
“U mag hier niet roken!” sist een van de begrafenisonderneemsters hem toe.
Kruiswijk haalt gelaten zijn schouders op.
“Wie heeft er last van dan? Ik weet niet of je het gemerkt hebt wijffie, maar iedereen hier is al dood.”
“Zullen we beginnen?” vraagt pastoor Pastoor.
Kruiswijk gooit zijn sigaar in de kiezels. Ik huiver.

Het protocol is eenvoudig. Na het ‘amen’ van het openingsgebed knikt pastoor Pastoor kort in mijn richting. Ik doe een paar passen naar voren, haal het papiertje uit mijn binnenzak en kijk even om me heen. Een van de dames in grijs-paars gaapt. Ik neem het woord.

In Memoriam meneer O.

Misschien was je gelukkig op de dijk
toen je de stad had weggebrand
en besloot te blijven waar je was.
De wereld voer aan je voorbij met
schepen als vluchtige vrienden
hun boeggolf tegen de kade
een ruisende omhelzing.
Voor even.

Misschien was het geen dood land voor jou
en wist jij beter. De Stormpolder
vult zich ’s ochtends met onwetenden
pompt ze er in in de schemering weer uit
als de trage slag van een hart
dat alleen jij – de blijver – kende.
Land dat sterft en weer opstaat, elke dag.
Voor even.

Duivels en engelen op een oude prent, misschien
luisterden ze verzoend naar je
Stormpoldersymphonie.
Gemaakt voor niemand speciaal
of juist voor die ene in het bijzonder
die er niet meer was of nog komen moest.
Je herinneringen en je dromen
je angst, je verlangen, je leven en lust
stofvrij onder een laken
altijd, voor even.

Ik doe een paar stappen achteruit, ten teken dat ik klaar ben. Kruiswijk buigt zich samenzweerderig naar me toe.
“Je hebt wel eens betere gemaakt,” fluistert hij. Het is me niet duidelijk of hij me staat te jennen, maar hij heeft hoe dan ook gelijk.
Zwierig slaat pastoor Pastoor vochtige luchtkruisen met zijn wijwaterkwast.  Aarde naar aarde, as tot as, stof tot stof. Zijn stem wordt plechtiger naarmate meneer O. dieper in de drassige Crooswijkse bodem verdwijnt.
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw in zwart die op enkele meters afstand de ceremonie gadeslaat. Kennelijk heeft ze zich tijdens mijn gedicht bij ons kleine gezelschap gevoegd. Na het laatste Amen van pastoor Pastoor loopt ze op ons toe. Voorzover je het lopen kan noemen; hoge hakken en kiezelpaden zijn geen goede vrienden.
“Dank voor uw mooie woorden,” zegt ze tegen me.
Kruiswijk biedt haar een sigaartje aan.
“Familie?” vraagt hij.
Na haar eerste trek blijft er rode lippenstift achter op het filter.
“Wist ik dat maar,” zegt ze zacht.