Maestra


De cursus was nog geen half uur bezig of ik had al spijt van mijn impulsieve inschrijving. Daar zat ik, in Rome, veroordeeld tot een week met amateurkunstenaars van divers pluimage en opgezadeld met docente Tiny van Houten-Crutz, van wie ik na tien minuten introductie al wist dat ze niet goed snik was.

Ik had vakantie en genoot van Italië en de stad, het eten, de espresso, de mooie mannen en vrouwen,  de aandacht die ze me gaven. Oorspronkelijk had ik me voorgenomen om niets te doen wat een voorgeschreven agenda had. Maar ja, het noordelijk calvinisme, ledigheid is des duivels oorkussen en zo. Dus moest ik me zonodig inschrijven voor de cursus “Holistisch tekenen in de Eeuwige Stad”. Tiny van Houten-Crutz klapte in haar handen en opende de workshop plechtig met haar mantra “Lieve mensjes, de kunst omarmen is het leven omarmen!” Toen was ik er eigenlijk al klaar mee.

Vijftien mensjes zaten verspreid in het lokaal aan de Via Sallustiana, ieder achter zijn eigen ezel en met tekengerei binnen handbereik. De eerste opdracht was het maken van een stilleven in houtskool. Op een tafel in het midden van het cursuslokaal schikte Tiny van Houten-Crutz met zorg een grote bloemkool, een zilveren kandelaar en een doosje lucifers.

“Ga je gang,” zei Tiny tegen ons. “Vergeet niet je te vereenzelvigen met de objecten. Leef je in in de bloemkool. Wees een kandelaar. Voel het vuur van de lucifers. Succes! En vergeet niet: de kunst omarmen is het leven omarmen!
“Godallemachtig,” zei de man aan de ezel naast me met ingehouden stem. Hij had zich in de introductie voorgesteld als Fred. Ik was gelukkig dus niet de enige die zich ongemakkelijk voelde. Aan mijn andere zijde stond een jonge vrouw die al driftig stond te schetsen en meteen helemaal opging in haar creatie. “Rosa”, had ze gezegd toen Tiny van Houten-Crutz haar naam had gevraagd. Ik zette tegen beter weten in een paar vlotte lijnen op het lege vel voor me.
“We zijn in Italië. Ze had op zijn minst een courgette kunnen nemen,” zei ik tegen niemand in het bijzonder.
“Stil!” siste Fred naast me. Hij zat met zijn ogen half gesloten op zijn krukje, zijn handen op schoot in elkaar gevouwen. Hij tekende niet. Ik keek hem vragend aan.
“Ik ben me aan het vereenzelvigen met de bloemkool. Tiny zegt dat dat belangrijk is.”
Fred had een mooie glimlach.

Rosa, de jonge vrouw aan mijn linkerkant, liet zich door ons gefluister niet afleiden. Ze richtte haar groene ogen afwisselend op het stilleven en op het vel papier voor haar en werkte verbeten, soms met het puntje van haar tong tussen haar witte tanden. Ik leunde een beetje achterover en spiekte op haar papier. Ik zag een veelbelovende schets. Die kon er wat van. Mijn aandacht werd trouwens ook getrokken door haar prachtig gevormde billen in een strakke jeans.
Ik werkte tamelijk ongeïnspireerd, en al vlug stierf mijn stilleven een geruisloze dood. Fred was na zijn aanvangsconcentratie aan het werk gegaan en tekende. Het viel me op dat hij geen moment naar het stilleven op de tafel keek en bleef glimlachen. Hij had een mooie kaaklijn en zou zo model kunnen staan. Misschien moest ik dat Tiny eens voorstellen, een vrije opdracht met Fred als object. Rosa werkte onverstoorbaar en toegewijd door. Ik zag kleine zweetdruppeltjes in de donzige haartjes van haar nek. Ook haar zou ik met plezier een keer op doek zetten. Bloot, liefst.

Na een uur klapte Tiny van Houten-Crutz in haar handen.
“Het is tijd, lieve mensjes, we gaan elkaars creaties bekijken!”
In een groep verplaatsten we ons van werk naar werk, waarbij Tiny in haar bloemetjesjurk de tekeningen becommentarieerde.

Toen we bij Fred waren aangekomen ging er geroezemoes door de groep. Tiny was even stil. Op het doek een liggende naakte vrouw, met weelderige vormen, onbeschaamd wijdbeens. In één hand hield ze een kaars, in haar andere een soort pannetje.
“Wat is dit, lieve Fred?” vroeg Tiny verbaasd.
“Een kandelaar natuurlijk,” antwoordde Fred onverstoorbaar.
Tiny boog haar hoofd wat opzij en bekeek het werk aandachtig. Ze ging er nog serieus op in ook.
“Vanwaar dat pannetje, lieve Fred?”
“Voor de kaassaus. Kaassaus is belangrijker dan bloemkool.”
“Hm, ja ja, heel goed…” zei Tiny. “Ik zie, lieve Fred, dat je het holistische in je al omarmd hebt. De thematische verpakking kan nog wat scherper. Ga zo door.”
“Dank je lieve Tiny. Holisme is echt mijn ding, ik ben blij dat je dat ziet,” zei Fred. Het sarcasme ontging Tiny van Houten-Crutz volledig.

Bij mij deed Tiny haar commentaar in één zin af.
“De opdracht was bloemkool, geen verlepte broccoli, Valerie.”
Ik vermoedde kwade opzet in het feit dat ze het woordje ‘lieve’ vóór mijn naam wegliet.
“Va-le-rie, Broc-co-li,” zei Fred met een hoog, pesterig kleuterstemmetje. Zijn woordspeling was zo flauw dat ik onbedaarlijk moest lachen en besloot dat ik hem leuk vond.

Toen de groep zich rondom de ezel van mijn aantrekkelijke buurvrouw Rosa had verzameld waren er bewonderende kreetjes. Ze had een prachtige, gedetailleerde tekening gemaakt met schaduwen en diepte, die de werken van de andere cursisten moeiteloos tot derderangscreaties degradeerde. Ze had duidelijk een enorm talent. Tiny was niet de slimste, maar zelfs haar ontging dat niet. Ik zag de kift in haar ogen.
“Ik zie een bloemkool en een kandelaar. Dat is goed, lieve Rosa. Maar ik zie niets méér. Een kandelaar en een bloemkool, dat is alles. Het werk heeft geen ziel, geen aura. Heb je je wel verplaatst in de materie?”
Het arme meisje kreeg het schaamrood op haar mooie kaken en zweeg. Ik wist het nu zeker: Tiny van Houten-Crutz was niet alleen kierewiet maar vooral een intens vals wijf. Ik had met Rosa te doen. Fred kennelijk ook, want de schat probeerde haar diplomatiek te hulp te schieten.
“Maar lieve Tiny, ik vind het een schitterende schets. Rosa’s bloemkool zou ik zelfs zonder saus eten, nee, ik zou hem omarmen, strelen, en voor altijd liefdevol koesteren.”
Tiny van Houten-Crutz schudde haar hoofd.
“Blijf proberen, lieve Rosa. Ook mislukkingen moet je omarmen als een vriend.”

Toen we aan het einde van de rondgang waren gekomen klapte Tiny weer in haar handen.
“Nu is het pauze, lieve mensjes. Ik zie jullie straks weer. En vergeet niet: de kunst omarmen is het leven omarmen!”
De cursisten verlieten één voor één het lokaal. Ik raapte mijn spullen bij elkaar en twijfelde of ik Tiny van Houten-Crutz vóór de lunch langzaam en pijnlijk zou wurgen, of dat zou uitstellen tot na het dessert. Rosa stond nog beteuterd en sip voor haar stilleven.
“Het is pure jaloezie lieve schat,” fluisterde ik haar toe. “Trek je er niks van aan.”
Fred was naast ons komen staan en keek naar Rosa’s creatie.
“Het is waarlijk prachtig. Nu nog die aura om de bloemkool en je bent er.”
Rosa’s depressieve moment verdween. Ze lachte en gaf Fred een vriendschappelijke stomp.
“Eikel.”
Geroutineerd bond ze haar halflange haar achter haar hoofd met een elastiekje in een staartje, pakte haar tas en keek Fred en mij aan.
“En nu?”
“We gaan lunchen,” zei Fred. “Ik trakteer.”

Rosa was verreweg de stilste van ons drie. In de trattoria haalde ze meteen haar schetsboek en een potlood tevoorschijn en begon te tekenen. Het was duidelijk haar passie. Maar ondanks haar concentratie op de schetsen was ze aanwezig. Terwijl Fred en ik het eten en de wijn becommentarieerden, creatieve manieren bedachten om Tiny van Houten-Crutz naar gene zijde te helpen en meer en meer in elkaar geïnteresseerd raakten, liet Rosa af en toe merken dat ze precies volgde wat we zeiden en deden.
“Tiramisú,” merkte ze droogjes op, toen Fred en ik de dessertkaart bekeken.
“Jezus Rosa,” zei Fred. “Je lult echt de oren van mijn hoofd. Zwijg nou toch een keer.”
Rosa lachte een mooie lach en gaf Fred weer een duw.
“Eikel.”
Fred griste het schetsblok uit haar handen en legde het op tafel.
“Eens zien wat onze geheimzinnige schoonheid nu weer verprutst heeft.”
We keken allebei naar de tekening, draaiden vervolgens ons hoofd naar een zorgelijk kijkende oudere man die in zijn eentje een paar tafels verderop zat. Fred’s glimlach verdween even. Ik was met stomheid geslagen. Rosa had de man meesterlijk geportretteerd. Hij leek niet alleen sprekend, het was de weergave van een getekend gezicht, dat de littekens droeg van een lang leven en groot ongeluk.
“Eenzaamheid,” zei Rosa met een zucht. “Zijn vrouw is pas overleden. Zijn vrienden al eerder. Hij heeft niemand meer.”
“Ken je hem of zo?” vroeg ik.
“Nee. Maar als ik mensen teken kijk ik goed. En als ik goed kijk, zie ik meer dan een oppervlakkige lach of een verdrietig gezicht. Dan zie ik hun hart, en hun hart leidt mijn hand. Tekenen is vooral goed kijken.”
Ik keek opnieuw naar de schets en herkende precies wat Rosa zei. Een moment zag ik de leegte van het gemoed van de oude man, voelde ik zijn pijn. Rosa had meer gedaan dan hem getekend. Ze had zijn emoties gevangen en met potlood in de vezels van het papier vereeuwigd.

Fred had zijn lach terug en klapte in zijn handen.“Lieve mensjes, waarom zouden we nog terug gaan naar Tiny van Houten-Crutz? Het is overduidelijk dat we de echte maestra in ons midden hebben. Laten we van de middag genieten en goede kunst bekijken.”
Rosa straalde.
“De Santa Maria della Vittoria is om de hoek,” zei ik. De gedachte om met Fred op pad te gaan was aanlokkelijk.
“Ja leuk, Bernini,” zei Rosa enthousiast. Ze was alweer aan een nieuw schetsje bezig.
We aten ons dessert. Dat was lekker. Maar heerlijker nog vond ik dat Fred en ik van elkaars vorkjes aten en van onze blikken snoepten.

Rosa drentelde een paar meter voor ons uit en keek aandachtig om zich heen naar de drukte van de stad die haar omringde. Fred en ik liepen gearmd. Langzaam vanwege de warmte, traag om elkaars nabijheid zolang mogelijk te kunnen voelen. Ik rook de geur van een mannelijk lijf.

“Ook al promoot Dan Brown hem in nog drie boeken, Bernini blijft een paardenlul,” merkte Fred droogjes op toen we de trappen van de Santa Maria della Vittoria op liepen.
“Waarom dat nou weer?” vroeg ik.
“Toen hij erachter kwam dat zijn minnares het ook met zijn broer deed, stuurde Bernini een van zijn bediendes op haar af met de opdracht haar gezicht te verminken. Zelfs in de renaissance werd daarover gefronst.”
“Je bedoelt dat hij de ballen gehad had moeten hebben om haar eigenhandig te verminken?”
“Zoiets.”

In Bernini’s kerk was het koel en rustig. We keken alle drie ademloos naar het beeld, dat door het natuurlijke licht op het witte marmer meteen de aandacht trok.

Santa Teresa ligt op haar zij, steunend op een rots. De weelderige plooien van haar eenvoudige habijt verhullen ieder detail van haar lichaam, behalve een blote voet die onder haar kledij tevoorschijn komt, en haar gezicht. Haar gezicht! Het trekt alle aandacht naar zich toe. Haar gesluierde hoofd heeft ze licht opzij gebogen, haar geprononceerde kin ten hemel gericht. Haar oogleden zijn half gesloten, haar mond is half open. Santa Teresa, op het moment dat de speer van een engel haar hart doorboort. Santa Teresa, op het moment dat ze de extase van het goddelijke ervaart. Een heilige in wording. Een vrouw in vervoering.

“Een orgasme,” zei Rosa, haar ogen gericht op Santa Teresa.
Fred en ik keken haar aan. Na haar schets in het restaurant namen we Rosa’s interpretatie meer dan serieus.
Onze ogen gingen weer omhoog naar het beeld.
“Ik denk dat Rosa gelijk heeft,” zei ik.
Fred’s glimlach werd nog breder.
“Nu je het zegt.”
“Een orgasme,” herhaalde Rosa. “Santa Teresa komt klaar. En niet zo’n beetje ook.”
“Pas je wel een beetje op je woorden, Rosa? Je hebt het hier over een heilige,” zei Fred.
“Klaarkomen is een heilige ervaring, Fred,” antwoordde Rosa giechelend.
Ik nam Santa Teresa’s gezichtsuitdrukking nogmaals in me op. De erotische betekenis kon Bernini’s pauselijke opdrachtgevers onmogelijk zijn ontgaan. Ik realiseerde me dat Rosa gelijk had. Een lichamelijke extase is een afdruk van het goddelijke zegel dat we allen dragen. Dat durfden ze in de renaissance nog te erkennen. Een moment vroeg ik me af hoe mijn eigen gezicht vertrok als ik een orgasme had. Ik wist het niet precies, maar kreeg wel aangename herinneringen in mijn hoofd en kriebels in mijn buik.
“Het is écht, dat kan ik zien,” zei Rosa. “Santa Teresa faket niet.”
“Maar hoe heeft Bernini dat gedaan?” Fred dacht hardop. “Ik bedoel, stel onze lieve Rosa heeft gelijk en Bernini heeft een vrouw afgebeeld precies op het moment dat er een écht orgasme over haar heen rolt. Hoe krijg je dat voor elkaar?”
“Met een model natuurlijk,” antwoordde ik. “Ik denk dat Bernini een jongedame in zijn atelier had die masturbeerde.”
Fred dacht even na.
“Eens, maar dat moment van klaarkomen duurt niet zo heel lang. Het maken van een beeld wél. En in die tijd  had je geen camera’s om even een kiekje te maken als je model op haar hoogtepunt was, er was geen Pornhub om het terug te kijken. Ik bedoel, het is voor een levend model in een tekenatelier al een opgave om tien minuten in dezelfde houding te blijven. De precieze gezichtsuitdrukking van een orgasme duurt maar een tel.”
“Misschien had hij meerdere jongedames in zijn atelier die serieel klaarkwamen,” probeerde ik.
“Geil idee,” zei Rosa.
Ik had even een beeld en vond het opwindend dat Rosa dat ook zag.
“Hoe, Bernini, hoe?” vroeg Fred retorisch. “Rosa, jij bent hier het talent. Zou jij een écht orgasme kunnen vangen in een tekening?”
“Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan,” antwoordde Rosa schalks.
Fred lachte, nam haar mooie gezicht tussen zijn handen en zoende haar op het voorhoofd.
“Kom, Pipi Langkous. Nu we de kunsthistorie hebben verrijkt met het inzicht dat meesterbeeldhouwer Gian Lorenzo Bernini een kinky paardenlul was, is het tijd voor een ijsje. Jij ook, Valerie Broccoli. Kom mee.”
Hij sloeg een arm om me heen, trok me dicht tegen zijn lijf en gaf me een zoen. Ik was ontspannen. Ontspannen en opgewonden.

Fred en ik zaten op een bankje in het park en likten van ons ijsje. We deden geen moeite meer om onze aanrakingen toevallig te laten lijken. Hij liet zijn hand op mijn dij rusten. Ik had mijn hand op de zijne. Rosa zat in lotushouding voor ons, haar schetsblok op schoot en haar tong tussen haar tanden. Ze tekende ons.
“Onze mooie Rosa. Die in harten kan kijken en wier begaafde tekenhand door harten wordt geleid. Vertel ons wat je ziet, lieverd,” zei Fred.
“Weet je zeker dat je een antwoord wil, Fred?” Rosa had een duivels lachje om haar mond.
“Tuurlijk,” zei Fred. “Vertel.”
“Jullie geilen op elkaar,” zei Rosa. “En om dat te zien heb je echt geen speciaal talent nodig.”
Fred en ik keken elkaar aan. Zijn ogen glommen. Ik had het warm. Rosa was direct, maar ze had gelijk.
Ze wendde haar blik weer naar het papier.
“Als jullie straks seks hebben, mag ik dan kijken en het tekenen?”

Straks werd zometeen.

Mijn naakte lichaam gloeide nog. Ik lag plat op mijn buik en voelde Fred’s bezwete lijf dicht tegen me aan, één van zijn gespierde benen opgetrokken op mijn licht gespreide dijen. Ik luisterde hoe zijn ademhaling weer een rustig ritme vond. Hij streelde mijn haar, mijn hals, zoende mijn rug, opende opnieuw zachthandig mijn benen en bevestigde met de gladde bewegingen van zijn vingers dat ons vermengde vocht mijn lichaam druipend verliet. De hotelkamer was warm en rook naar ons. Het stadsgeluid verschool zich achter een onzichtbare horizon. Rosa zat blootsvoets geknield voor me op bed. Haar haar was los, haar blouse open. Ze had een blos op haar wangen. Rustig legde ze haar potlood op het kussen.

“Hier,” zei ze en draaide het papier om.

Ik zag mezelf in een spiegel van grijstinten. Het silhouet van mijn lichaam, geknield en met mijn kont omhoog, steunend op mijn ellebogen. Twee handen op mijn brede heupen, die hoorden bij het mannentorso achter me dat Rosa bewust in vage lijnen had gelaten. Mijn gezicht, lichtjes opzij gedraaid, ogen half gesloten, mijn mond half open. Maar ik zag meer dan een afbeelding. Ik zag mijn opwinding, mijn geilheid, mijn gewilligheid, mijn lust. Ik zag mijn genot om bekeken te worden terwijl ik werd geneukt. Rosa had mijn orgasme in haar tekening gevangen.
“Het is erg mooi, Rosa,” zei Fred zacht over mijn schouder. Hij strekte zijn arm naar haar uit.
Rosa stond zwijgend op en kleedde zich uit, op haar slipje na. Ik keek naar haar billen en kreeg kippenvel. Maar ze kwam niet naar het bed dat we ook voor haar hadden bedoeld. In plaats daarvan ging ze in de fauteuil in de hoek van de kamer zitten, spreidde haar knieën en legde een been over de leuning. Fred en ik hielden onze adem in toen ze met één hand zacht haar linkerborst kneedde, haar tepel tussen duim en wijsvinger. Ik voelde Fred’s groeiende lid tegen mijn been en nam hem in mijn hand.
“Kom bij ons,” zei ik.
“Zo meteen”, zei Rosa. “Ik zag je hart toen ik je tekende, Valerie. Het zei dat het ook mijn bed is. Dat ik welkom ben, dat je me wil. Ik kom bij jullie. Maar jullie moeten eerst nog wat van deze middag opsteken.”
Ze liet haar vrije hand in haar slipje glijden. Er ontsnapte een zucht aan haar lippen. Ik trok een been op en leidde Fred’s harde lid achter mijn rug naar mijn natte opening.
“Tekenen is vooral goed kijken,” zei ze. Ik hoorde opwinding in haar stem. “Dus kijk, en zie mijn hart.”
Terwijl Fred opnieuw in me gleed zag ik hoe Rosa de beweging van haar hand onder het stof van haar slipje versnelde. Ze opende haar mond licht en sloot haar ogen half, terwijl wij deden wat onze maestra ons opdroeg. We keken.

***

De tekening hangt nu in onze slaapkamer, mooi ingelijst en al. Fred en ik hebben talloze malen geprobeerd om Rosa op papier te vereeuwigen, om haar schoonheid te vangen als ze zich overgeeft en klaarkomt, soms met een traan van emotie. Tevergeefs, maar dat geeft niet. Dan zijn we dichtbij haar, houden elkaar vast en voelt het alsof we het leven zelf omarmen.

Advertenties

Aspergestekers

aspergesveld

Een nieuwe nacht, dezelfde droom. Ik sta in een verlaten akker. De lucht is grijs, er is alleen maar stilte. Geen wind, geen vogel, niks. Toch is er iets gebeurd; dat voel ik. De eenzaamheid verlamt me. Waarom is er niemand die me zegt waar ik ben? Waarom vertelt niemand me waar ik naar toe moet? Twee stippen aan de horizon worden langzaam naderende mensen. Een kleine, gedrongen vrouw met een hoofddoek. Een ongeschoren man in vuile kleding, die zijn pet afneemt. Ze dragen plastic tassen die ze me aanreiken en spreken woorden die ik niet versta.
“Nee,” roep ik, “nee, alstublieft. Ik hoef ze niet!”
Uit de tassen druppelt dik rood vocht dat wegzakt in de droge, dorstige grond.

Lees verder

Onder de vulkaan

vulcano

Voor de Prikkelzinnen van 26 januari 2019 – “Talk dirty to me, baby!”

PARCO ARCHEOLOGICO DI POMPEI, 9 AM

Mijn rondleidingen waren ongeschikt voor mensen met een zwak hart of een orthodoxe moraal. De confronterende kant van het oude Pompeï was mijn domein. Ook nu was er slechts een handjevol toeristen dat zich had laten verleiden tot een tour die ik de naam ‘Graffity under the vulcano’ had gegeven. Aanwezig: een beleefd Zwitsers echtpaar op leeftijd, een gezette Duitser met een t-shirt van Rammstein, twee giechelende Koreaanse meiden met vlechtjes en een ruitjesrok, en een aantrekkelijke Nederlandse vrouw wier hakken me te hoog leken voor de kasseien van de zo tragisch verwoeste stad. En natuurlijk een Amerikaans stel, van middelbare leeftijd op spierwitte tienersneakers. Zij hielden het vol tot aan het tweede voorbeeld. Dat was  een hartekreet van tweeduizend jaar oud, gekrast in de steen van het peristylium van het ‘Huis van de Zilveren Bruiloft’:

PEDICARE VOLO

Lees verder

De Klok

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

clockwork_time

Ik had niets om me schuldig over te voelen, en toch schrok ik van de telefoon. Er was nooit iemand die me belde, behalve mijn moeder. Maar die belde altijd ’s avonds, niet aan het eind van de ochtend.
“Bart, met Isa.”
“Hallo Isa.” Mijn schrik maakte plaats voor zenuwachtige verrassing.
“Jij bent toch goed met techniek? Ik heb je nodig. Dringend.”
Lees verder

The Clock

Oops. This story violates the Wicked Wednesday rules because it is (way) too long. But gentle host Marie kindly gave me permission to link anyway. Fortunately, length is relative (as is time)…

clock_fantasy_mysterious_124113_2560x1600

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

There was nothing to feel guilty about, yet the sound of my telephone unsettled me. Nobody ever called me, except for my mother. But she used to ring me in the evening, not around noon.

“Bart, this is Isa.”
“Hello Isa.” My apprehension turned into nervous surprise.
“You’re tech-savvy, aren’t you? I need you. Urgently.” Lees verder

Larrios

Marnix Pessen, schrijver en dichter, leefde in de eerste helft van de vorige eeuw. Ofschoon hij niet voorkomt in de canon van de literatuur verwierf hij in zijn tijd enige bekendheid, al was het maar omdat hij vaak publiceerde in zijn streekdialect dat ook het mijne is. Het zuiden van Europa had een sterke aantrekkingskracht op hem en één van zijn boeken deed verslag van een reis door Spanje en Portugal. Ik vond het boek in een antiquariaat en toen ik het las raakte ik gefascineerd door de emoties waartussen Pessen heen en weer werd geslingerd en hoe hij zich daarin staande hield. Nergens maakte hij een geheim van zijn afschuw van de bewoners van het Iberisch schiereiland (‘dieven en klaplopers’), om vervolgens lyrisch te vertellen over de onwerkelijke schoonheid van het Alhambra en het Alcazábar. Terwijl ik zijn bloemrijke woorden in me opnam realiseerde ik me ook hoezeer de landen die hij had bezocht in de tijdspanne van een eeuw waren veranderd: van achterlijk en straatarm boerenland, praktisch van de wereld afgesneden door de Pyreneeën en de zee, naar moderne staten, waar Europees geld de karrensporen had vervangen door gloednieuwe snelwegen.

Lees verder

Erotica Estafette deel 3 – Brioche

wat vooraf ging (deel 1)
wat vooraf ging (deel 2)

Ergens, verscholen onder het wasgoed, klinkt een mobiele telefoon. Julien probeert de stotende bewegingen van zijn onderlijf voort te zetten terwijl hij gelijktijdig met zijn rechterhand haastig een paar handdoeken aan de kant gooit, graaiend naar zijn iPhone. Maar de verslapping van zijn aandacht wordt opgemerkt.
Ga door, putain! Niet stoppen, klootzak!”
De ringtone is de melodie van André Hazes’ Kleine jongen. Het is een aandenken aan Leiden, waar Julien een jaar archeologie heeft gestudeerd en zich meteen in ’s lands cultuur – lees: het kroegleven – heeft verdiept. De liedjes van de volkszanger hebben hem geholpen het Nederlands onder de knie te krijgen.
“Laat die telefoon godverdomme en neuk me!”
Mara heeft gelijk. En Hazes ook. Julien kijkt omlaag en spreekt in gedachten zijn harde lid toe, dat halverwege wordt omsloten door een zachte zee van vochtig roze.

Kleine jongen
Je bent op deze wereld, dus zal je moeten vechten, net als ik.

Hij grijpt Mara in haar knieholtes, spreidt haar benen verder en vecht. De telefoon zwijgt. Mara schreeuwt.
Baisse-moi Julien! Ja, zo! Ga door!”

Met archeologie is geen boterham te verdienen maar de tertiaire voorwaarden van een bijbaantje in het hotel bevallen Julien. Hij neukt Mara het liefst in de linnenkamer. Zij, het kamermeisje, heeft de sleutel. Maar Julien’s voorkeur voor het kleine hok op de eerste verdieping is naast praktisch ook esthetisch. Mara’s egale, karamelkleurige huid bevalt hem het best in contrast met het ruwe wit van de badhanddoeken en hotellakens. Ze is een schoonheid uit Guadeloupe, met koolzwarte ogen en vuurrode lippen. Zacht en zoet als brioche, maar dan wel uit de finale van Heel de Hel bakt.

“Is dit alles wat je hebt? Maak het af, Julien. Neem wat van jou is. Daar was je toch op uit? Je geile meisje stiekem neuken tot ze gillend klaarkomt? Nou, waar wacht je op? Doe met me wat je wil. Neuk me en laat me komen, klootzak!”

Hazes klinkt opnieuw. De archeoloog in Julien neemt het van de minnaar over. Hij graaft zijn weg naar de bron van het geluid.
Allo? Ja, ik ben het, Julien. Ja…ja… oké. Ik ga onmiddellijk.”
Julien schiet haastig zijn kleren aan en fatsoeneert zijn haar.
“Wat ga jij doen?” vraagt Mara verontwaardigd.
“Er is iets op kamer 469, die Hollanders. Ik moet gaan kijken van de concierge.”
“En ik dan? Laat je me hier zo achter? Je bent een lul!”
“Ik ben de enige lul in het hotel die Nederlands spreekt.”

Als Julien de deur van de linnenkamer achter zich sluit hoort hij hoe een glas uiteenspat tegen het hout aan de andere kant.
“Zak in de stront, Julien!”


EE-button

Het vervolg, geschreven door Liza Daen, lees je hier: Mon Dieu!

Korte Rokade

6367372497_00ba08f39c

In het westen draait de aarde de zon haar andere kant toe. Ik schrijf het bewust zo. Niet: in het westen gaat de zon onder. De zon gaat helemaal niet onder, de aarde draait zich van haar weg. Ik hecht aan dat soort nuances, alhoewel ik ze meestal niet uitspreek.
“Om me voor te bereiden op een toernooi.”
Ze vroeg waarom ik hier was.
De laatste schaduwen van de dag zijn lang, het geluid van de krekels zwelt aan, de hitte is zwoele warmte geworden. Ze maakt me onrustig.
“Een toernooi? Ben je een sportman?”
Tja. Sommigen noemen het een sport, anderen vinden het een spelletje. Ik heb dat label nooit belangrijk gevonden. Een atleet ben ik niet, maar ik train wel. Zoals daarnet, toen ik een oude partij van Lasker tegen Steinitz analyseerde. Bij zet 32 schoof ze ongevraagd aan mijn tafeltje aan. Ik hou er niet van om onderbroken te worden.
“Zoiets. Ik schaak.”
Kortafheid, is dat een woord? In ieder geval heeft het geen effect. Ze glimlacht en nestelt zich brutaal in de terrasstoel tegenover me, haar blote schouders boven een handdoek die zo bont is dat hij tegen me lijkt te schreeuwen.
“Wat leuk. Zoiets vermoedde ik. Ik lig hier al dagen aan het zwembad en probeer met je te flirten. Maar je kijkt niet op of om.”
Normaal gesproken zit ik tegenover mensen die in gedachten verzonken zijn, die nadenken over een ingewikkelde stelling en me hoogstens met hun trommelende vingers op het tafelblad of het schuiven van hun stoel uit mijn concentratie proberen te halen; niet met woorden. Flirten? Ze moet nu echt weg.
“Als u het niet erg vindt, mevrouw, ga ik nu weer verder.”
Er verschijnt een brede glimlach op haar roodgestifte mond. Even denk ik dat mijn woorden effect hebben, maar ze staat alleen maar op om haar handdoek over de rugleuning van de stoel te hangen. Terloops trekt ze met twee vingertoppen onder het stof haar bikinibroekje recht. Daarna gaat ze opnieuw zitten en sluit haar lippen om het groene rietje in haar cocktailglas. Een druppel vocht zoekt langzaam zijn weg van haar natte bruine lokken naar haar hals, dan naar haar borsten. Daar lost hij op in het stof van haar rode bikinitop.
“Wat keurig van je, om me mevrouw te noemen.”
“Ik ken u niet, en …”
Ze onderbreekt me.
“Je kent me niet en je ouders hebben je geleerd beleefd te zijn tegen onbekenden. Dat is goed. Toch zou ik willen dat we later vandaag geen vreemden meer zijn en je me anders noemt.”
Niet goed, niet goed, waarschuwt de sirene in mijn hoofd. Ik weet niet wat me onrustiger maakt, haar directheid of de gladde, gebruinde huid van haar slanke armen. Ze ziet mijn vertwijfelde blik.
“Laat me raden,” zegt ze. “Je bent waarschijnlijk een erg goede schaker. Anders zou je niet in dit resort zitten om je voor te bereiden. Je bent vast heel intelligent en gewend om te winnen. Maar je hebt moeite met grillige tegenstanders. Hun onvoorspelbaarheid brengt je uit balans.”

Flashback. Tata Steel toernooi 2015. Viktor Kowalski. Hongaar, ELO-rating 2600. De opening verloopt volgens het boekje en precies zoals verwacht. Maar zijn pionoffer op zet 18 is zo merkwaardig en ogenschijnlijk zo onlogisch dat ik compleet van slag raak. Ik heb geen antwoord en verlies de partij kansloos – met wit nog wel. Viktor Kowalski, en zijn duivelse lachje.

“Mijn ouders hebben me ook geleerd om niet te liegen. Wat u zegt klopt.”
Ze leunt achterover in haar stoel.
“Nou dan. Ik weet dat je de zenuwen van me krijgt. Waarom maak je mij geen onderdeel van je voorbereiding? Zie het als een training om met onvoorspelbaarheid om te gaan.”
Met haar hand brengt ze een losse lok haar achter haar oor. Ze kijkt me onverstoorbaar aan. Oogcontact vind ik moeilijk, dus zoek ik een alternatief voor haar groene ogen en kijk te lang naar haar borsten.
“Masturbeer je veel?”
De sirene in mijn hoofd ontploft. Het antwoord op haar vraag verschijnt als zwijgend karmozijn op mijn wangen. Ik wil dat ze ophoudt, ik wil dat ze weggaat en dat ga ik haar nu ondubbelzinnig vertellen.
“Eh…dat…”
“Ik wel. Het is de zon, de warmte, de ontspanning, de fantasie. Het windt me op. Ik kan er geen weerstand aan bieden en doe daar ook geen moeite voor. Heb jij dat niet?”
Ik trek mijn been in een reflex terug als ik merk hoe ze onder de tafel met haar voet mijn kuit streelt. In mijn hoofd is er kortsluiting.
“Dat kan niet anders,” vervolgt ze. “Je bent een jonge vent in de kracht van zijn leven, en je bent hier alleen. Ik vraag me af waar je aan denkt als je met jezelf speelt.”

Fantasie. Olga Brazova, Oekraïense, ELO-rating 2300. Olga Brazova, wijdbeens knielend, haar gezicht naar de muur en haar handen vastgebonden aan de spijlen van het bed. Olga Brazova, naakt, op haar hold-ups en  hoge zwarte hakken na. Olga Brazova, die omkijkt en haar ogen laat vragen: ga je me zo nemen? Van achteren? Wil je me zo neuken? Toe maar, neuk me, ik ben van jou. Olga Brazova, later, uitgeteld, haar billen rood van mijn klappen, druipend van mijn zaad en haar vocht.

“Het is slecht voor mijn focus,” stamel ik. Ik schuifel op mijn stoel. Mijn mond is droog en ik vecht een kansloze strijd tegen een erectie. Ze giechelt.
“Godallemachtig. Zo meteen ga je me nog vertellen dat je er blind van wordt. Je schaamt je er toch niet voor? We doen het allemaal. Wil je niet weten waar ik daarnet aan dacht?”
“Daarnet?”
“Ja, daarnet. Het moest even. Het was alsof de zon zelf me streelde. Ik ging het zwembad in, een ijdele hoop op afkoeling. Mijn borsten drukte ik tegen de badrand en ik liet mijn hand in mijn bikinibroekje glijden. Ik had geen keus. Ik streelde mezelf terwijl ik naar je keek. Helemaal onder water, en toch voelde ik mijn eigen vocht. Ik zag je, peinzend boven je boek en beeldde me in dat het jouw vingers waren.”
Ze verplaatst haar been, strekt het uit zodat haar voet mijn kruis raakt. Dit keer verzet ik me tegen een terugtrekkende reflex. Ze krult haar tenen tegen het stof. Haar ogen verwijden zich, haar lach wordt breed, en toch heb ik het gevoel dat ze nauwelijks verrast is. Ze voelt mijn harde lid.
Now we’re talking,” zegt ze zacht.
Mijn hoofd bonkt, ik zoek naar woorden om haar te stoppen. Ik vind met opzet de verkeerde en voor ik het weet zijn ze eruit.
“Kwam je klaar?”
Ik gloei. Zij straalt en drukt haar voet nog wat steviger in mijn kruis.
Klaarkomen! Zozo, wat een dirty talk!” zegt ze op een quasi-cynisch toontje. Ze bijt haar onderlip en kijkt me een moment zwijgend aan. Dan serieus.
“Nee, ik kwam niet klaar. Ik was er dichtbij. Maar ik spaar het op. Dus je kunt wel nagaan hoe ik me nu voel, met een mooie jongen tegenover me die hard van me wordt.”
Opnieuw krult ze haar tenen tegen mijn geslacht.
“Ik ben heel erg geil nu. Hoe heet je eigenlijk?”
“Alexander,” zeg ik bedremmeld terwijl ik onrustig om me heen kijk. Er is niemand meer op het terras.
“Ik ben Maya. Luister Alexander. Kom met me mee. Omarm de onvoorspelbaarheid. Ik zal je niet aanraken, ik weet dat je dat ongemakkelijk vindt. Je hoeft alleen maar te kijken. Ik weet dat jij dat ook wil.”

Haar kamer: meisjesdingen, rommel. Kleren op de grond, crèmes op kastjes, een föhn op het bed. Schoenen verspreid over de vloer, zeven. Een oneven aantal.
Ze gooit wat spullen aan de kant zodat er plek is op haar bank. Maak het je gemakkelijk. We zitten tegenover elkaar. Ze buigt haar hoofd naar beneden terwijl ze me aan blijft kijken en haar hals streelt.
“Je bent een schoen kwijt,” zeg ik. Het is een halfslachtige poging te ontsnappen aan datgene wat ik wil.
Ze zegt niets en laat haar vingertoppen afdalen. Met zachte hand dwingt ze de bikinibandjes van haar schouders en trekt de cups van haar topje naar beneden. Terwijl ze haar tepel met de duim en wijsvinger van een hand omklemt spreidt ze haar benen en laat haar andere hand in haar bikinibroekje glijden. Haar ademhaling is zwaar en onregelmatig als ze zichzelf streelt.
“Vertel me wat je wil,” zegt ze zuchtend. “Wil je me zien? Wil je mijn kutje zien? Wil je zien hoe nat ik ben?”
De pulserende bewegingen van haar verborgen hand worden intenser. Ik probeer te denken aan de mogelijke plek van de achtste schoen. Tevergeefs.
“Ja, laat me kijken.”
Ze haalt haar hand tevoorschijn en met glinsterende vingers trekt ze haar bikinibroekje aan het kruis opzij.
“Vind je het mooi? Kom dichterbij. Doe met me mee.”
Terwijl mijn adem stokt schuif ik dichter naar haar toe. Ze is nat en haar geur bedwelmt me. Maya beukt op mijn laatste verdediging. Ze spreidt haar schaamlippen. Onhandig en ongeduldig open ik mijn broek en omvat met mijn rechterhand mijn stijve lid. Maya kijkt, ademloos, en laat twee vingers langzaam in zich glijden. Schaak.
De schroom van jaren brokkelt met iedere beweging van mijn hand een stukje verder af.
Soms snel, dan weer traag: het is alsof ik mijn hand niet zelf beweeg. Dat doet zij. Met haar ogen, met haar naakte lichaam, met haar opwinding, met de cadans van haar vingers.
Plots houdt ze halt. Ze neemt zachtjes mijn hand en brengt die tussen haar benen.
“Nu, jij bij mij,” zegt ze hees. “Maak me klaar. Neuk me met je vingers.”
Er gaat een siddering door haar lijf als ik doe wat ze vraagt en in haar glijd.
Ze krult haar slanke hand om mijn pik en trekt me af, in hetzelfde ritme waarmee ik in haar beweeg. Het duurt niet lang, daarvoor is het te veel, voor ons allebei. Ze gooit haar hoofd in een schreeuw achterover en holt haar rug, haar borsten met de kleine, harde tepels naar voren. Ik voel haar warme vocht langs mijn vingers stromen en geef me over.
Nog een keer trekt ze mijn voorhuid ver naar achteren en richt mijn pik dan op haar kruis.
“Spuit tegen mijn kutje!”
Mijn zintuigen zijn overbelast, zoeken een uitweg, vinden die in krachtige, ongecontroleerde golven die aanspoelen op een onbekende kust: haar dijen, haar schaamlippen, haar buik. Schaakmat.

Buiten praten krekels, binnen zwijgen Maya en ik. Langzaam komen we op adem terwijl we elkaar aankijken. Ik verbreek mijn persoonlijk record oogcontact en glimlach.
“Als je mijn schoen vindt mag je me schoonlikken,” zegt ze samenzweerderig.

***

Linares International Chess Tournament, een maand later. Tegenstander: Viktor Kowalski, met wit en een duivels lachje. De opening verloopt zoals voorspeld. Als Kowalski nadenkt bij zet dertien, raak ik vluchtig de bovenkant van zijn hand aan.
“Masturbeer je veel, Viktor?”
Hij trekt geschrokken zijn hand terug maar het leed is al geschied. Vanaf dat moment is hij kansloos. Onvoorspelbaarheid moet je leren omarmen.


PP

Stormpolder – 2

wat vooraf ging…

Ze hebben een stuk leegte met hekken afgezet. God mag weten waarom. De regen van de afgelopen dagen heeft de afgeschermde zandvlakte in een modderpoel veranderd. Bovendien valt er nog niks te stelen of te vernielen. Machines en bouwmateriaal staan er nog niet, er is geen werkman te bekennen. De oude arbeiderswoningen zijn gesloopt, het puin is afgevoerd. Maar Nieuw Crooswijk bestaat alleen nog maar op een billboard op de hoek van het omhekte perceel. Ik kijk omhoog naar de hoopvolle artist impression van de projectontwikkelaar, met veel groen en spelende kinderen. Koopsommen vanaf € 250.000. Een oude man met een hond nadert me en houdt even halt. De hond pist tegen de houten paal van het billboard. De man volgt mijn ogen en leest ook.
“Welja. Een huis voor tweeëneenhalve ton in Crooswijk. Kun je beter je geld meteen in de Maas flikkeren. Ik geef je een goeie raad: koop gewoon wat leuks voor je meissie.”
Zonder mijn antwoord af te wachten sjokt hij verder. Ik duik weg in de kraag van mijn jas en loop onder de oude poort door, de begraafplaats op.

We zijn met zijn zevenen. Of eigenlijk met zijn achten, als we meneer O. meetellen. Die ligt in een eenvoudige kist op een metalen baar. Twee dames van de begrafenisonderneming in een grijs mantelpak met paarse revers fluisteren elkaar overbodige organisatorische details toe. Dan zijn er mannen van de begraafplaats, die straks de kist in de versgegraven kuil zullen laten zakken. Pastoor Pastoor van de Lambertusparochie uit Kralingen inspecteert zijn wijwaterkwast. “Pastoor, heet ik en ben ik,” zegt hij steevast als hij zich voorstelt. Kruiswijk is er ook, zoals altijd. Hij steekt een sigaartje op. De rook stijgt langzaam in de klamme lucht omhoog en blijft als een wolk tussen de kale takken van de treureiken hangen.
“U mag hier niet roken!” sist een van de begrafenisonderneemsters hem toe.
Kruiswijk haalt gelaten zijn schouders op.
“Wie heeft er last van dan? Ik weet niet of je het gemerkt hebt wijffie, maar iedereen hier is al dood.”
“Zullen we beginnen?” vraagt pastoor Pastoor.
Kruiswijk gooit zijn sigaar in de kiezels. Ik huiver.

Het protocol is eenvoudig. Na het ‘amen’ van het openingsgebed knikt pastoor Pastoor kort in mijn richting. Ik doe een paar passen naar voren, haal het papiertje uit mijn binnenzak en kijk even om me heen. Een van de dames in grijs-paars gaapt. Ik neem het woord.

In Memoriam meneer O.

Misschien was je gelukkig op de dijk
toen je de stad had weggebrand
en besloot te blijven waar je was.
De wereld voer aan je voorbij met
schepen als vluchtige vrienden
hun boeggolf tegen de kade
een ruisende omhelzing.
Voor even.

Misschien was het geen dood land voor jou
en wist jij beter. De Stormpolder
vult zich ’s ochtends met onwetenden
pompt ze er in in de schemering weer uit
als de trage slag van een hart
dat alleen jij – de blijver – kende.
Land dat sterft en weer opstaat, elke dag.
Voor even.

Duivels en engelen op een oude prent, misschien
luisterden ze verzoend naar je
Stormpoldersymphonie.
Gemaakt voor niemand speciaal
of juist voor die ene in het bijzonder
die er niet meer was of nog komen moest.
Je herinneringen en je dromen
je angst, je verlangen, je leven en lust
stofvrij onder een laken
altijd, voor even.

Ik doe een paar stappen achteruit, ten teken dat ik klaar ben. Kruiswijk buigt zich samenzweerderig naar me toe.
“Je hebt wel eens betere gemaakt,” fluistert hij. Het is me niet duidelijk of hij me staat te jennen, maar hij heeft hoe dan ook gelijk.
Zwierig slaat pastoor Pastoor vochtige luchtkruisen met zijn wijwaterkwast.  Aarde naar aarde, as tot as, stof tot stof. Zijn stem wordt plechtiger naarmate meneer O. dieper in de drassige Crooswijkse bodem verdwijnt.
Dan wordt mijn aandacht getrokken door een vrouw in zwart die op enkele meters afstand de ceremonie gadeslaat. Kennelijk heeft ze zich tijdens mijn gedicht bij ons kleine gezelschap gevoegd. Na het laatste Amen van pastoor Pastoor loopt ze op ons toe. Voorzover je het lopen kan noemen; hoge hakken en kiezelpaden zijn geen goede vrienden.
“Dank voor uw mooie woorden,” zegt ze tegen me.
Kruiswijk biedt haar een sigaartje aan.
“Familie?” vraagt hij.
Na haar eerste trek blijft er rode lippenstift achter op het filter.
“Wist ik dat maar,” zegt ze zacht.

Stormpolder

Kruiswijk wilde dat ik zelf kwam kijken. Om me voor te bereiden op – ja, waarop eigenlijk? – neem ik de waterbus vanaf de stad naar de Stormpolder. De ijskoude wind op de kade waait door wol en weefsel en versteent mijn botten. In de cabine van de bus is het gelukkig warm. De Oude Maas is een zee van grijs, de lucht doet zijn best om nog grijzer te zijn en de Hef heeft een vers kleurtje gekregen: antraciet. Dertig jaar Rotterdam, nooit in de Stormpolder geweest. Waarom zou je ook? Behalve als je bij Hollandia werkt, of in een van de bedrijfjes die in fantasieloze industrieblokken gehuisvest zijn. De Stormpolder, driehoeksland, weggestopt in de rand van de stad, omgeven door de Nieuwe Maas, de Hollandsche IJssel en de Sliksloot als een ringvaart van bluswater om een eiland met een brandende naam. Ik wist niet dat daar mensen leefden. Ik wist ook niet dat je er dood kon gaan. Maar als Kruiswijk belt, dan moet het wel waar zijn.

Ze hebben het lichaam al weggehaald en de ramen opengezet maar de lijkenlucht geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. De kamer is klein, de wanorde groot. Flessen, op een enkele uitzondering na leeg. Ongeopende enveloppen. Een lege vogelkooi. Vochtplekken tegen het plafond en de muren.

“Meneer O.,” zegt Kruiswijk. De ambtenaar staat met zijn handen op de rug naast me en praat voor zich uit. Hij heeft het tegen mij. Tegen wie anders? Er is verder niemand.
“Vijfenzeventig jaar. Geen familie bekend, niemand om te waarschuwen. Hij lag er al een tijdje.”
Kruiswijk is een man van weinig woorden maar hij heeft het hart op de goede plaats. Anders zou hij dit werk niet doen. Ook al staat je karakter als een huis, het Oproepprotocol bij Lijkvinding is een sloper.

Mijn aandacht wordt getrokken door een poster aan de muur, een gedateerde print van een schilderij. Het is met punaises in het oude stucwerk gedrukt en hangt boven een kastje dat met een laken is bedekt.
“Bosch,” zegt Kruiswijk, die ziet waar mijn oog op rust. “De Tuin der Lusten. Hangt in het Prado. Vorig jaar nog met het vrouwtje geweest.”
“En verder?” vraag ik.
“Alleen dit.”
Kruiswijk komt in beweging, loopt in de richting van het kastje en trekt er met een ruk het laken vanaf, als een goochelaar aan het verrassende einde van een truc. Maar konijnen zijn er niet. In plaats daarvan een hoekig object met witte en zwarte toetsen. Ik weet onmiddellijk dat het er vijfendertig zijn, want behalve gedichten maak ik ook muziek.
“Die rare piano is het enigste wat er nog een beetje toonbaar uitziet in deze tyfuszooi,” meent Kruiswijk. “Stofvrij gehouden door die ouwe baas. Kennelijk iets dierbaars. Misschien kun je er iets mee.”
Ik laat mijn hand over het hout en de toetsen glijden.
“Geen piano,” zeg ik. “Dit is een Mellotron. Populair instrument in de jaren zestig en zeventig. En zo te zien is dit een originele.”
Ik ga door mijn knieën op zoek naar de stekker. Er schiet een muis weg onder de plint.
“Doe nou godverdomme latex handschoenen aan,” vloekt Kruiswijk. Ik realiseer me dat ik zijn voornaam niet ken en plug de stekker in het stopcontact. Een lampje licht rood op en er is een lichte zoem. Als ik weer rechtop sta druk ik een toets in. Een zuivere A van een cello galmt door de morsige ruimte.
“Godskolere,” zegt Kruiswijk verbaasd. “Wat voor een ding zei je?”
“Een Mellotron.” Ik druk een tweede toets in. Violen dit keer, een halve octaaf hoger.
Kruiswijk krabt zijn kalende schedel.
“Krijg nou de tering. Een muzikale ouwe baas. Hoe werkt zo’n ding?”
Met enige moeite haal ik de bovenkant los en samen werpen Kruiswijk en ik een blik op de ingewanden van het instrument.
“Een voorloper van de synthesizer,” zeg ik. “Volledig mechanisch. Achter iedere toets zit een stukje magnetische tape, je weet wel, zoals vroeger op een bandrecorder. Op die tape staat een geluid. Als je de toets indrukt, wordt de tape door een motor langs een leeskop getrokken en wordt het geluid versterkt afgespeeld.”
Kruiswijk kan nu zijn vingers niet meer van de Mellotron afhouden en met zijn latex-wijsvinger drukt hij een zwarte toets in. Er klinken blaasinstrumenten, zuiver van toon. Kruiswijk kijkt me glimlachend aan.
“Wat wil je horen, Vader Jacob of de Frikandellenwals?” vraagt hij, blij als een kind.
Kruiswijk wacht mijn antwoord niet af en zet zijn vingers enthousiast op het ivoor.

Bij de tweede toetsaanslag kijken we elkaar verbaasd aan. Dit keer klinkt er geen instrument, maar de nauwelijks ingehouden, opgewonden kreten van een vrouw.
“Krijg nou wat,” zegt Kruiswijk en drukt de toets opnieuw in. De Mellotron doet zijn werk en weer vult het extatische geluid van een menselijke stem de kamer.
“Denk jij wat ik denk?” vraagt Kruiswijk.
“Yep,” antwoord ik. “Een vrouwelijk orgasme. Ze komt klaar.”
“Godskolere. Hij heeft het vrouwtje vereeuwigd op het moment suprème. Een geile muzikale ouwe baas.”
Voor de derde keer drukt hij de toets in en luisteren we vol ongeloof. Door het open raam horen we een voorbijganger op straat.
“Hey joh! Gaat-ie lekker? Leg je nou midden op de dag te krikke?!”
“Hier kan ik wel wat mee,” zeg ik tegen Kruiswijk.

Als ik de Stormpolder achter me laat schittert een vale zon in het grijze water van de Oude Maas. Ik denk aan de Tuin der Lusten en hoor het geluid op de Mellotron. Wat meneer O. in gedachten had zal ik nooit weten. Maar een dichter omarmt onzekerheden, een dichter maakt eenzaamheid het hof en verwoordt wat niet meer kan worden gezegd. Sterven moet je in je eentje doen, afscheid nemen kun je niet alleen. Mijn notitieboek gaat open, het gedicht begint. De begrafenis is over twee dagen. Ik ben de Dichter van Dienst.

 

***

Stichting “De Eenzame Uitvaart” begeleidt eenzaam gestorvenen naar hun graf. Dichters van Dienst schrijven voor iedere eenzaam overledene een gedicht en lezen dat voor tijdens de uitvaart, die door de Gemeente wordt geregeld. Zo krijgen ook mensen die niemand meer hebben een waardig en respectvol afscheid. De onlangs overleden dichter F. Starik was een van de initiatiefnemers.