Het Midden van Nergens

Nuria
Het enige wat me overeind houdt is de zee.
Het land kan me gestolen worden. De liefde heeft me ernaartoe gehaald, me een paar maanden van geluk geschonken, en me daarna net zo snel weer in de steek gelaten. Zonder waarschuwing vooraf, zonder verklaring heeft ze me in de polders uitgespuugd. Ik leef vervreemd en doelloos, omringd door mensen met een gesloten hart, mensen die op verjaardagsfeestjes in een kring zitten te wachten tot het tijd is om weer naar huis te gaan.

Hoe gaat het met jou?
Goed, en met jou?
Ook goed.

Dansen doen ze alleen als ze te veel gedronken hebben, in dit oord waar men zich het het liefst nog zou verzekeren tegen het uitdoven van de zon.

Maar dan de zee. Haar golven brengen de belofte van een betere wereld. De zee baart hoop uit een onzichtbare bron aan de horizon. Altijd. En omdat de zee me roept zit ik in een treinstel dat zijn beste jaren heeft gehad en ga ik westwaarts, naar de kust. Ik wil in de branding staan, de wind in mijn gezicht voelen, proeven van de zilte druppeltjes die op mijn lippen landen. Ik wil dat de zee me omarmt, dat de wind me influistert wat me te doen staat. Maar bovenal wil ik dansen, met mijn voetstappen een notenbalk in het zand achterlaten. Dansen, met heel mijn hart en ziel, nu ik het kan. Dansen, omdat de muziek zomaar kan stoppen.

Het boek op schoot heeft mijn aandacht al verloren. Ik kijk naar buiten en even lijkt het alsof het niet de trein is die zich over het vlakke land verplaatst, maar dat de wagon stilstaat terwijl de aarde onder ons doorschuift. Dan – ik kan het niet laten – kijk ik weer naar de vrouw die al sinds ons vertrek tegenover me zit. Ze heeft lang donker haar dat langs haar gezicht tot op haar schouders golft. Haar zwarte wenkbrauwen hebben een geprononceerde knik die haar amandelvormige ogen benadrukt. Ze draagt een mintgroene blauwe tuniek over een jeans.
We kijken naar elkaar. Dat gebeurt wel vaker in een trein, maar dit is anders. In dit land vermijden mensen oogcontact, te bang dat iemand in hun ziel kan kijken. Maar de vrouw tegenover me kent die angst niet. Een paar seconden lang sluiten onze blikken een verbond en zijn we verwikkeld in een onaangekondigde, zoete wedstrijd wie als laatste zijn ogen afwendt. Het wordt een gelijkspel. Ze steekt haar hand uit en biedt me met een zwijgende glimlach een Oreo uit een rolletje aan. Ik kijk naar haar vingers, naar haar verzorgde rode nagels, naar de kleine aderen op haar handpalm die dicht onder de koperkleurige huid liggen. Met een beleefd knikje neem ik het koekje aan. Ze neemt er zelf ook een en ik zie hoe ze het secuur met haar voortanden stuk bijt, om te voorkomen dat er kruimeltjes blijven hangen op haar met zorg gestifte lippen. Ik doe geen moeite te verbergen wat ik denk. Met jou zou ik wel willen dansen.

Thomas
Ik leg mijn pen op het uitgeklapte tafeltje dat aan de stoel vóór me is bevestigd. Het notitieblokje dat er naast ligt is nog leeg. Ik ben niet alleen in de coupé. Verderop zitten andere reizigers, maar ik zie slechts de bovenkant van hun jassen aan de haakjes die als kapstok dienen. Onwillekeurig voel ik met mijn hand aan de rugzak die op de zitplaats naast me ligt. Dat is eigenlijk niet nodig, want ik weet wat er in zit en ik heb mijn bagage niet meer uit het oog gelaten sinds ik van huis ben weggegaan. Ik voel de harde, cylindrische vorm onder het canvas en kijk ondertussen naar het vel papier vóór me. Zijn leegte heeft me opgesloten en houdt me gevangen, met blauwe, onbeschreven lijntjes als de tralies van mijn cel. Excuses gaan me gemakkelijker af dan schrijven: het gehobbel van de trein over de rails dat netjes schrijven lastig maakt; het storende gekletter van de regen tegen de dunne ramen van de coupé; mijn donkere onverschilligheid op de dag dat de noordelijke helft van de aarde zich het verst van de zon heeft afgekeerd.

Vandaag neem ik definitief afscheid van haar. Aan zee, zoals ze het graag wilde. De tijd dringt. Of ik de woorden zacht zal uitspreken of hardop in gedachten weet ik nog niet, dat is van later zorg. Eerst moeten ze geschreven worden.

Niloufar
Ze is wat jonger dan ik, de blonde vrouw die tegenover me zit. En mooi is ze ook. Ze kijkt naar me en ik geniet van haar nieuwsgierigheid. Misschien zie ik er simpelweg anders uit dan ze gewend is, maar haar ogen zeggen iets anders. Het boek dat op haar schoot ligt is een excuus. Telkens als ze een paar tellen heeft gelezen wendt ze haar blik van het boek af, alsof ze de betekenis van de woorden die ze leest kan vinden in de lucht die haar omringt, en iedere keer weer streelt haar blik de mijne. Sinds ons vertrek heeft ze daarom nog geen pagina omgeslagen. Ze neemt het koekje aan. Zo te zien houden we beide van zoetigheid.

Ik kijk op mijn horloge. De trein vermindert plots vaart en komt uiteindelijk met een lichte schok helemaal tot stilstand. Weer is de vrouw tegenover me afgeleid, maar dit keer niet door mij. Ze kijkt naar buiten, dan om zich heen. Als een moment later ook de lampen uitgaan en de coupé alleen nog wordt verlicht door het grijs van de hemel buiten kijkt ze over haar schouder, licht bezorgd, in de verwachting dat er ieder moment een conducteur de coupé zal binnenkomen om ons te vertellen wat er aan de hand is. Ik zie haar gedachten: we horen hier niet te stoppen. Er is hier geen station. Ik ben nog niet waar ik moet zijn. Maar soms vergissen mensen zich daarin. Zo nu en dan zijn we zonder het te weten op de juiste plaats, op de plek die voor ons is bestemd. Soms zijn we ergens exact op het juiste tijdstip: op het moment dat de wende zich inzet en de kosmos ons leven verandert en alles alleen maar beter kan worden.


Het midden van nergens
Een paar minuten gaan voorbij. Er komt geen mededeling over de luidsprekers, geen conducteur.
“Wat zou er aan de hand zijn?” vraagt Nuria.
Verderop in de coupé staat een jongeman op van zijn plaats. Nuria heeft hem niet eerder opgemerkt. Hij opent de schuifdeur en maakt aanstalten naar de voorkant van de trein te lopen.
“Ik ga wel even vragen,” zegt hij geruststellend in de richting van de twee vrouwen een paar meter verderop. Twee minuten later is hij terug in de coupé.
“Mechanische storing, volgens de machinist. Het gaat een tijd duren.”
Niloufar stopt haar Oreo-rol in een kleine heuptas en trekt haar jas aan.
“Wat ga je doen? Er is hier geen station, we staan in de middle of nowhere,” zegt Nuria verbaasd.
“Het midden van nergens. Dat is een treffende omschrijving,” zegt Niloufar met een glimlach terwijl ze een bonte doek over haar golvende haar drapeert.
Nuria pakt haar telefoon. “Ook dat nog. Geen bereik hier.”
Niloufar zwiept haar heuptas om.
“Nou, dan zit er niets anders op,” zegt ze met zekere stem. “Gaan jullie mee? Of heb je soms haast?”
“Mee waarnaartoe in hemelsnaam?” vraagt Thomas. “Ik wil naar zee. Nu zijn we…eh… tja, waar zijn we eigenlijk?”
“In het midden van nergens,” herhaalt Niloufar met zachte stem. Dan wijst ze naar het raam, naar buiten.
“Zien jullie die kerktoren in de verte? Dat is mijn bestemming. Er woont familie. Jullie zijn welkom.”
Nuria voelt dat ook de verwarming in de trein niet meer functioneert. Ze rilt.
“Ik wilde ook naar de kust. Ziet er naar uit dat dat niet meer gaat lukken.”
Thomas drukt zijn neus bijna tegen het glas van het coupéraam en staart naar de torenspits aan de horizon.
“Dat is wel een eindje lopen,” zucht hij.
“Ik wil je niet tot last zijn,” zegt Nuria tegen Niloufar, net iets te voorkomend.
“Je bent het tegendeel.” Niloufar schenkt Nuria een glimlach en stapt het gangpad in. “Soms ben je precies waar je moet zijn. Kom. De zee is er morgen ook nog.”

Drie mensen laten een gestrande trein achter zich. Ze lopen over een onverhard weggetje tussen de kale akkers in de richting van het dorp aan de horizon. De grijze lucht is uitgeregend, maar het drietal is onbeschut tegen de kilte van de wind uit het westen. Plassen water tekenen de bochtige landweg, als vlekken op het vel van een slang die traag over de natte aarde kronkelt. Niloufar en Nuria lopen naast elkaar, de blonde vrouw weggedoken in haar jas. Nuria heeft zich erbij neergelegd dat ze de zee vandaag niet zal zien. In het dorp zal ze een taxi moeten bellen. Ze loopt langzaam, deels om de ergste modder te ontwijken, maar vooral om de nabijheid van Niloufar zo lang mogelijk te laten duren.
Thomas slentert een paar meter achter hen. Ergens aan de hemel in het zuidwesten probeert hij tevergeefs de positie van de zon achter het dikke wolkendek te bepalen, tot hij afgeleid wordt door een haas die even verderop wegvlucht in de dikke klei van de akker. Minder en minder voelt hij de last van zijn rugzak, alsof de frisse lucht die hij inademt hem lichter maakt. Thomas had al geen haast, en nu heeft hij zelfs een nieuw excuus in zijn moeizame zoektocht naar woorden.
“Jullie zaten samen in de coupé, kennen jullie elkaar eigenlijk?” roept hij tegen de wind in.
Nuria en Niloufar draaien hun hoofd en kijken elkaar aan.
“Nee,” antwoordt Niloufar. “Maar zo voelt het wel.”
Ze strekt haar arm opzij in de richting van Nuria. Nuria is verrast en aarzelt even, doet dan hetzelfde. En zo, een meter boven een waterplas op een weggetje tussen de akkers, in het midden van nergens, ontmoeten hun vingers elkaar voor het eerst. Een vluchtige aanraking, dan een warme verstrengeling.
“Ik ben Niloufar. En jij?”
“Nuria.” Ze voelt de kou niet meer. Haar hart danst.
“Fijn dat jullie het vragen,” zegt Thomas quasi-cynisch. “Ik ben Thomas.”
“Aangenaam, Thomas” zegt Niloufar. “We hebben nog een half uur lopen voor de boeg. Waarom vertel je ons ondertussen niet waarom je naar zee wil?”
Thomas denkt even na.
“Ik heb mijn moeder hier bij me.”
Hij brengt zijn hand naar achteren en tikt tegen de onderkant van zijn rugzak.
“Dat wil zeggen, haar urn. Ze hield erg van de zee. Nu breng ik haar terug.”

Het is een lintdorp met een twintigtal huizen. Kraaien cirkelen om het dak van de kerktoren die ze vanuit de trein hebben gezien. Er is niemand op straat.
“Weet je zeker dat we hier moeten zijn, Niloufar?” vraagt Thomas. “Het ziet er nogal verlaten uit. Het voelt alsof ik in een scène van de Noorderlingen verzeild ben geraakt.”
“Vertrouw me nou maar, ongelovige Thomas. Dit is precies waar we moeten zijn.”
Vijftig meter verder houdt Niloufar halt voor een klein pand met een forse winkelruit die van grote, goudkleurige letters is voorzien.

Fashion Hashemi
Al uw verstelwerk – Stomerij – Gordijnen

Binnen brandt licht. Nuria probeert door de winkelruit te gluren maar de bontgekleurde paspoppen in de etalage belemmeren haar zicht. Niloufar laat Nuria’s hand los en loopt naar de deur aan de zijkant van het pand.
“Kom,” zegt ze.
Een winkelbel tingelt als ze de deur openmaakt en naar binnen stapt. Nuria en Thomas volgen haar.
Fashion Hashemi is een eenvoudige zaak. Witte muren, witte plafonds. Een lange wand met rekken vol kleding, sommige in doorzichtige plastic hoezen gehuld: kostuums, jurken, spijkerbroeken, tunieken, avondkleding. Na de kou van de akkers heeft Nuria het idee dat het in de winkel veertig graden moet zijn. Aan het plafond hangen zoemende neonbalken, en vanuit een kooitje zingt een kanarie op de gedempte tonen van muziek die vanuit een belendende ruimte klinkt.
Een deur achterin de winkel gaat open en een kleine gestalte stapt de zaak binnen.
“Goedenavond, oom Jalal,” zegt Niloufar vrolijk.
De tengere man houdt halt. Zijn korte, zwarte haar glanst in het neonlicht. Hij buigt zijn hoofd licht naar voren en kijkt verbaasd over de glazen van zijn leesbril in de richting van de bezoekers. Dan verschijnt er een brede lach op zijn gezicht.
“Niloufar! Lieve nicht!”
Hij strekt zijn armen uit, komt met haastige passen dichterbij en neemt Niloufar’s hoofd tussen zijn handen.
“Je verblijdt mijn hart met je komst, Niloufar. Je straalt. Moge je levenspad vol vreugde blijven.”
Dan wendt oom Jalal zijn hoofd en kijkt vragend naar de anderen.
“Dit zijn Nuria en Thomas, oom.”
De kleine man schudt lachend de hand van Nuria, dan die van Thomas.
“Welkom. Gasten zijn een geschenk van God. Zeker met Yalda.”
“Yalda?” vraagt Nuria verbaasd.
Oom Jalal trekt zijn wenkbrauwen op.
“Heeft Niloufar dat niet verteld? Zoals je aan de muziek hoort zijn we in voorbereiding op het feest. Het is de korste dag van het jaar, voorafgaand aan de langste nacht, Shab-e Yalda. De zon wordt opnieuw geboren, vanaf nu worden de dagen langer, we laten de zorgen van het afgelopen jaar achter ons en gaan op weg naar de lente. Ik hoop dat je trek groter is dan je haast?”
Hij wacht hun antwoord niet af.
“Vooruit, doe je schoenen uit en kom mee naar achteren. Eet en drink. Vereer mijn huis met jullie aanwezigheid.”


Thomas
Kaarsen branden, verse bloemen geuren. Brood, zoetigheid, vruchten en noten zijn zorgvuldig uitgestald op de tafel. De kleine, eenvoudige kamer is gehuld in een zweem van rood en groen: granaatappels, watermeloen, pistachenoten, gebak, een vlag in dezelfde kleuren. Niloufar’s familie praat en lacht, we eten en drinken thee. Ik heb oom Jalal verteld over mijn moeder, en op zijn aandringen heb ik de urn uit mijn rugzak gehaald en op een kastje naast me gezet.
“Ook zij is mijn gast,” zei hij. Hij meende het.
Als oom Jalal opstaat en het boek ter hand neemt dat al de hele avond voor hem ligt doven de vrolijke stemmen van de gasten en wordt het stil. Zelfs de stoeiende kinderen staken hun spel en richten hun ogen op de heer des huizes. Jalal zet de leesbril op zijn neus en opent het boek. Dan leest hij de woorden voor. Hardop maar vooral bedachtzaam, alsof iedere lettergreep van kristal is en bij de geringste verspreking zal breken. De taal klinkt warm en zangerig. Verstaan doe ik het niet.
Hafez,” fluistert Niloufar in mijn oor. “Een groot dichter. Het is traditie hem voor te lezen in de Yalda-nacht.”
“Waar gaat het over?” fluister ik terug.
“Waar gaat het niet over? Het leven, de liefde, vreugde en vergankelijkheid.”
Ik laat de bronzen klanken tot me doordringen. Het leven en de vreugde zie ik om me heen. De liefde is er ook, in de ogen van Nuria en Niloufar die elkaar telkens weer zoeken. De vergankelijkheid, dat is de urn naast me.
Of het Hafez’ geest was die ze me influisterde zal ik nooit weten, maar plots zijn er de woorden die ik zocht, de woorden voor mijn moeder.

Ooit droeg je mij, en alles wat ik ging worden.
Nu draag ik jou en alles wat er van je over is.
As en herinnering.

Nuria
Alle familie en gasten zijn vertrokken, het feest is langzaam opgelost in de stille schemer van de ochtend. Tante Yazmin is naar de keuken. Oom Jalal heeft beloofd ons straks naar zee te rijden. Nu is hij met Thomas naar buiten om te roken. Voor het eerst sinds de trein ben ik met Niloufar alleen. Tevergeefs probeer ik te duiden hoe het leven me in de afgelopen uren heeft overrompeld. We zitten aan tafel en zwijgen. Niet omdat we de woorden niet vinden, zoals Thomas, maar omdat we geen woorden nodig hebben. Als vanzelf zoeken onze vingers elkaar weer. Zachtjes tilt Niloufar mijn hand op en brengt die naar haar wang. Haar huid is zacht en warm. Ze kijkt me aan.
“Je bent onbeschrijflijk mooi,” fluister ik.
Niloufar glimlacht als antwoord en staat dan op van haar stoel.
“Kom.”
Ze leidt me naar het midden van de kamer en brengt haar handen op mijn heupen. Op de zachte tonen van de muziek beweegt ze haar lichaam en ik heb geen andere keus dan haar te volgen. Ik kijk omlaag naar de trage, ritmische stapjes die onze voeten maken, beschroomd bijna. Met haar vinger tilt Niloufar zacht mijn kin omhoog.
“Kijk naar me, Nuria. Dansen doe je ook met je ogen.”
Haar armen sluiten zich om mijn rug. Ik voel de warmte van haar lichaam, haar borsten tegen de mijne, mijn hoofd dichtbij het hare. Een moment lang zijn onze lippen centimeters van elkaar. Dan verdragen ze ook die minieme afstand niet meer.

Niloufar
We zijn de enigen op het strand. Ik kijk naar Thomas die vijftig meter verderop staat. Ondanks de temperatuur is hij blootsvoets, zijn broek opgerold tot boven zijn kuiten. Het koude water rond zijn voeten lijkt hem niet te deren. Terwijl hij de as van zijn moeder in de ruisende branding uitstrooit bewegen zijn lippen en spreekt hij zijn woorden van afscheid.

Ik draai me om naar Nuria. Met een aangespoelde tak heeft ze vijf evenwijdige lijnen in het zand getrokken. Ze draait zich naar de zee, sluit haar ogen en strekt haar armen opzij alsof ze zich door de wind wil laten meevoeren. Dan begint ze te draaien, om haar eigen as, eerst met langzame passen en dan steeds sneller, als een derwish. Dansend en tollend over de lijnen in het zand vindt ze met gesloten ogen haar weg terug naar mijn omhelzing. Samen kijken we naar de voetstappen die ze op de lijnen heeft achtergelaten, naar haar notenbalk aan zee.
Het is het begin van ons lied.

Polaris (slot)

(klik hier om het vorige deel te lezen; klik hier om naar het begin van het verhaal te gaan.)

Göteborg, juli 2017

Met een zucht sloeg Axel Berglund de laatste pagina van de krant dicht en legde die op de stapel die voor hem lag. Hij leunde achterover in zijn stoel en tuurde door het raam naar buiten. De vroege ochtendzon dwong hem zijn ogen tot spleetjes te knijpen. Beneden op straat leek het een gewone dag in Göteborg; voetgangers stroomden als een mierenkolonie uit het metrostation en haastten zich naar hun werk, bestelbusjes vervoerden klusjesmannen naar een klus, een zwerver stond voorovergebogen in een afvalbak op zoek naar iets eetbaars. Toch was er iets veranderd. Sterker nog. Zweden zou nooit meer hetzelfde zijn.

Axel voelde de nabijheid van Freya. Ze kwam naast hem staan, liet haar hand door zijn haar glijden en vleide haar warme, naakte lichaam tegen hem aan.
“Ben je tevreden?” vroeg ze met zachte stem.
Ze pakte de bovenste krant op de stapel en wees op de kop in chocoladeletters. Axel keek naar haar slanke vingers en haar rode nagels; de kop van de krant kende hij al.

MISBRUIKSCHANDAAL BREIDT ZICH UIT
Na SÄPO nu ook Zweedse Academie onder vuur

Het was de vierde editie waarin het Svenska Aftenbladet publiceerde over wijdverbreid seksueel misbruik in de politieke en culturele elite van het land.
“Hoe kan ik tevreden zijn?”, antwoordde Axel meesmuilend. “Heb ik eindelijk een scoop, mag mijn naam er niet bij.”
Freya en hij wisten allebei dat die anonimiteit niet voor niets was. Het was ook de reden waarom de hoofdredactie in samenwerking met de politie had gezorgd voor een tijdelijk en geheim adres dat voortdurend werd bewaakt. Er waren veel mensen die een reden hadden om de schrijver van de artikelen over het Polaris-schandaal de mond te snoeren, en het dreigende was dat diezelfde mensen vaak in zulke machtige posities zaten dat ze dat ook in de praktijk zouden kunnen brengen. Er waren inmiddels arrestaties verricht en op verschillende plaatsen, verspreid over het land, waren acht jonge meisjes en drie jongens bevrijd die het slachtoffer van mensenhandel waren en op hun duistere lot wachtten. Het hoofd van SÄPO, Gustav Wennerström, was op non-actief gesteld en naar hem liep een onderzoek. Hetzelfde gold nu ook voor Arnaud Leblanc, de voorzitter van het meest prestigieuze insitituut van het land: de Zweedse Academie. De USB-stick die Afia aan Axel had gegeven bevatte voldoende onderschepte en ontcijferde communicatie van Polaris om de komende weken het land op zijn grondvesten te doen schudden.

Freya ging schrijlings op Axel’s schoot zitten, deed de panden van zijn badjas langzaam open en streelde zijn borst.
“De volgende keer neem je me mee naar het noorden, beloof je dat?” vroeg ze met een speels stemmetje. “Elke keer als je daar bent beleef je spannende dingen met geheimzinnige vrouwen. En mij laat je hier achter, lul.”
Axel trok Freya dicht tegen zich aan en legde zijn hoofd tussen haar borsten. Hij snoof haar geur op. Ze rook naar een mengeling van lijf, nest, witbrood, kaneel, en seks.
“Beloofd,” zei hij met een glimlach. Maar Axel Berglund wilde voorlopig niet meer terug naar het noorden. Terwijl Freya met nauwelijks ingehouden ongeduld zijn badjas van hem afstroopte dacht hij even aan Afia. Een artikeltje in de rubriek ‘regionale berichten’ van de dinsdageditie was wat verloren gegaan in het schokkende Polarisnieuws, maar Axel had een zucht van opluchting geslaakt toen hij het las. In de buurt van Abisko, op het terrein van een verlaten herberg, waren de lichamen gevonden van twee onbekende en gewapende mannen. Van de dader ontbrak ieder spoor. Ze heeft het gered. Afia is veilig, had Axel gedacht.

Hij richtte zijn hoofd op en keek in Freya’s blauwe ogen. Zijn badjas hing inmiddels doelloos langs zijn lichaam. Terwijl ze kusten nam Freya zijn geslacht stevig in haar hand. Hij rook haar groeiende opwinding en voelde de zijne.
“Ik wil je in me,” fluisterde Freya. Doelgericht leidde ze zijn hand naar de vochtige warmte tussen haar benen.”Hier. Nu.”
“Er staat een bewaker voor de deur,” wierp Axel tegen, zonder veel overtuiging. Zachtjes nam hij Freya’s tepels tussen zijn lippen. Haar ademhaling stokte even toen hij zijn vingers in haar liet glijden.
“Dus?” vroeg ze hees. “Als we toch geen privacy hebben, laten we er dan maar voor zorgen dat die bewaker een stijve krijgt van wat hij hoort.”

Terwijl de zon steeds hoger aan de Göteborgse hemel klom en Axel met een wild gebaar de kranten van het bureau veegde om plaats te maken voor zijn geliefde, verraadde een piep dat er een mail in zijn inbox was geland.
Komt later wel, dacht hij.

Beste Axel,
Je zult je wel afvragen waar ik ben. Daar kan ik je niets over vertellen, voor je eigen bestwil en voor die van mij. Maar wees gerust, ik ben veilig nu. Mijn taak zit erop, nu is het aan jou. Je publicaties volg ik, ga ermee door, maak een einde aan deze ellende.
Wat je nog moet weten is dat mijn moeder veel over je verteld heeft. Je hebt indruk gemaakt, destijds.
Zoals je misschien weet geeft het Akan-volk uit Ghana hun kinderen vaak een naam die afhankelijk is van de dag van hun geboorte. Afia is de meisjesnaam voor kinderen die, zoals ik, op vrijdag geboren zijn. Ik ben kwart-Ghanees via mijn vaders kant. Van hem heb ik ook het talent geërfd een beetje met getallen en encryptie te rommelen. Zie je het nu?

Wees voorzichtig.
Liefs, Afia

*****


Naschrift

Dit verhaal is volkomen fictief maar losjes geïnspireerd door een schandaal rond seksueel misbruik dat speelde in de gelederen van  de Zweedse Academie in 2017. https://www.theguardian.com/news/2018/jul/17/the-ugly-scandal-that-cancelled-the-nobel-prize-in-literature.

Polaris bestaat niet, maar nummerstations zijn er wel. Hun functie is nog altijd gehuld in geheimzinnigheid. Lees bijvoorbeeld https://www.bbc.com/news/magazine-24910397. Horen hoe het klinkt? Op de frequentie van 4625 Khz zendt het Russische nummerstation UVB-76 (“The Buzzer”) uit. Ga naar http://websdr.ewi.utwente.nl:8901/ en vul 4625 in in het frequentieveld.

Polaris (9)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Abisko, juni 2017

Het duurde even voordat Axel zich realiseerde dat hij tegenover Saga’s dochter zat. Het wierp zoveel vragen op dat hij niet wist niet waar hij moest beginnen.

“Je moeder…Saga…waar is ze?” vroeg hij na een lange stilte.
“Mijn moeder is dood, Axel,” zei Afia kortaf en schijnbaar emotieloos.
Axel schrok. “Dat spijt me,” zei hij stilletjes. “Al lang?”
“Tien jaar. Ze hebben haar te grazen genomen. Dat is de reden dat jij en ik hier nu zitten.”
Het duizelde Axel en Afia zag het. Ze vulde Axel’s glas, ging achterover zitten en sloeg haar benen over elkaar. Ze vertelde.

Mijn moeder werkte bij SÄPO, dat vermoeden had je al. Ze was geen gemakkelijk mens en vanwege een intern akkefietje stationeerden ze haar ver van Stockholm, hier in het noorden, bij Polaris. Ze moest zorgen voor de fysieke beveiliging van het terrein, vandaar dat ze jou hier in de herberg opzocht. Je was nieuwsgierig, en terecht. Polaris was door SÄPO ooit opgezet als een gewoon nummerstation, voor geheime communicatie met agenten in het buitenland, zoals iedereen vermoedt. Dat was de tijd waarin jij haar leerde kennen. Maar toen de Koude Oorlog eindigde en de bestaansreden voor Polaris wegviel gooide SÄPO het roer om. In plaats van het station te ontmantelen werd het ingezet voor binnenlandse doeleinden. Eerst voor intelligence, later ook voor surveillance en zaken die op het randje van de wet lagen. En uiteindelijk voor illegale praktijken. Mijn moeder – Saga- vermoedde dat. Ze deed onderzoek en stelde vragen. Ze peuterde langzaam het behang los. Teveel, naar de smaak van degenen die aan de touwtjes trokken. Ze werd op een dag dood gevonden – vergiftigd waarschijnlijk. Ik was nog klein en groeide na haar dood op bij familie in Finland.

Axel nam de tijd om de woorden te laten doordringen.
“Waar wordt Polaris dan voor gebruikt?” vroeg hij.
“Voordat ik daarop antwoord moet ik zeker weten of je dat wel wil horen, Axel. Die informatie zal je een doelwit maken. Maar het is ook de enige manier waarop aan deze misdaden een einde kan komen. Het gaat dieper dan je denkt. Veel dieper.”
“Misdaden?”
“Ik interpreteer dat als een ‘ja’, Axel.”

Al jaren is er in Zweden een netwerk actief van mensenhandel en seksueel misbruikers. Ze halen jonge meisjes en jongens uit het buitenland naar hier, weesjes vaak, die niemand zal missen. Ze misbruiken de kinderen en ontdoen zich dan van hen. Het is een smerige en clandestiene operatie, Axel. De logistiek erachter is buitengewoon complex. Waar het op neerkomt is dat Polaris dient als communicatiemiddel. Met de mensenhandelaars in het buitenland, om data en locaties af te spreken voor illegale seksfeesten, en om foto’s en video’s daarvan te distribueren. De gebruikers van Polaris zijn geen spionnen meer, maar seksuele delinquenten. Misdadigers. Het is om te kotsen, maar het is waar. En de gebruikers van Polaris zitten overal. Vergis je niet in de perversiteit van de macht. Dit gaat tot in de regering, tot in de top van SÄPO, tot in de culturele elite van Zweden.

Axel was bleek. Hij rilde. Afia’s woorden en de vochtige kilte van de kelder drongen door tot op zijn botten.
“Waarom is Polaris dan stil nu?” vroeg hij.
“Omdat iemand het algoritme heeft gekraakt, Axel. Ze weten dat hun communicatie op straat ligt. Ze hebben op de noodknop geduwd en Polaris uitgezet omdat het niet meer veilig is. Nu zijn ze op jacht.”
“Hoe weet je dat zo zeker?”
Afia glimlachte nu voluit.
“Omdat ik de kraker ben. En omdat ze me zoeken. Ik heb dit niet voor niets.”
Afia legde het pistool op de tafel voor zich.
“Wat is…”
Axel wilde een volgende vraag op Afia afvuren maar werd onderbroken door een piep die uit de luidsprekers van haar laptop klonk. Meteen schoot de donkerharige vrouw rechtop in haar stoel en richtte haar ogen op het scherm. Met een paar vlugge toetsaanslagen bediende ze de laptop. Axel zag aan haar bezorgde blik dat het geen goed nieuws was. Afia stond op van haar stoel en nam het pistool van tafel. Met haar andere hand haalde ze een voorwerp uit haar broekzak en gaf het aan de verbaasde Axel. Het was een USB-stick.
“Wat is dit? Wat is er aan de hand?” vroeg hij.
“Er is geen tijd meer, Axel,” antwoordde Afia. “Ze zijn in de buurt. Neem de stick mee, daar staat alles op wat je moet weten. Verlies hem niet. Ga terug naar Göteborg en stop voor niemand.”
“Maar…”
“Ga nu Axel. Doe wat ik zeg. Doe het voor mijn moeder. Ga!”

Een paar minuten later stuurde Axel Berglund zijn huurauto met trillende handen de provinciale weg op, in zuidelijke richting, met in zijn jaszak nu niet alleen het oude briefje van Saga maar ook een USB-stick van haar dochter.


wordt hier vervolgd

Polaris (8)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Abisko, juni 2017

De kiezels van de parkeerplaats maakten hetzelfde geluid onder de banden van Axel Berglund’s auto als dertig jaar geleden. Maar al snel zag hij dat voor de rest weinig hetzelfde was gebleven aan de plek waar hij Saga destijds met de schoten van een jachtgeweer had ontmoet. Tegen beter weten in parkeerde Axel zijn huurauto en liep naar het gebouw.  

De herberg was in staat van verval. Dikke plakken mos bedekten het dak en de veranda. De ramen en de deur waren met duimdikke planken van vurenhout dichtgetimmerd, volgeklad met graffiti en schunnige teksten. Van de eens vrolijk knipperende neonreclame staken alleen de electriciteitsdraden nog uit de muur, als giftige slangetjes die bezoekers op een afstand moesten houden. Axel liep om het verlaten gebouw heen. Op de kleine speelplaats, waar ooit kinderen van gasten hadden gespeeld, lag het stoeltje van de schommel op de grond, de kettingen er nog aan. Axel huiverde. Aan de achterzijde van de herberg keek hij even omhoog naar het raam van de kamer waar hij destijds had gelogeerd en met Saga een nacht had doorgebracht. Ook dat was dichtgetimmerd. Hij stapte over een stapel bakstenen, het restant van de schoorsteen die van het dak naar beneden was gevallen. Toen hij op het punt stond zijn omgang rond de herberg te voltooien hield hij even halt en snoof hij met gesloten ogen de koude lucht diep zijn longen in.

Op dat moment wist hij dat er iets niet klopte.

Wat hij rook was de geur van naaldbomen, natte aarde en kiezels, maar diep verscholen in dat palet van aroma’s herkende hij iets anders, iets minder alledaags en niet door de natuur gemaakt. Hij keek naar beneden en zag een kelderluik. Axel knielde op de vochtige grond en hield zijn neus bij een van de kieren. Zijn hart klopte in zijn keel. Het was de geur die hij al dertig jaar bij zich droeg. Het was Saga’s parfum.

Opgewonden klauwde hij zijn vingers om zware het luik en tot zijn verbazing kreeg hij het in beweging. Toen de opening groot genoeg was wurmde Axel zich door het gat naar binnen, benen eerst. Hij strekte zijn armen in de lucht om zich smal te maken, en merkte toen dat zijn voeten geen steun vonden. Met veel geraas gleed hij naar beneden en kwam hard op een betonnen vloer terecht. De adrenaline die door zijn lichaam raasde verdoofde de pijn van de landing. Even moest hij wennen aan het schemerduister van de kelder. Toen zag hij haar.

“Welkom terug, Axel Berglund. Ik verwachtte je al.”

Ze zat een paar meter verderop aan een tafeltje en droeg een ijsmuts, waar donkere lokken onderuit golfden. Haar gezicht werd verlicht door het scherm van een laptop en even dacht Axel dat hij een geest zag. Hij kwam moeizaam op zijn benen. Op de tafel, net voor de vrouw, lag een pistool onder handbereik. Het was klaar voor gebruik, de haan gespannen.
“Saga…?” stamelde Axel.

Maar toen zag hij dat het niet waar was. Ze was te jong. De vrouw stond op, ontspande het pistool en stopte het met een geroutineerde beweging achter haar broekriem. Ze kwam een paar passen dichterbij.
“Nee, niet Saga,” zei ze zacht.
De vrouw bekeek Axel van top tot teen, liep toen door en sloot het kelderluik van binnenuit.
“Wie ben je? Wat doe je hier? Heb jij die anonieme mail gestuurd?” vroeg Axel angstig en opgewonden.
“Niet zo ongeduldig. De antwoorden komen. Ga zitten, Axel.”
De journalist deed wat hem gezegd werd. Het wapen was weliswaar uit de buurt, maar de dreiging nog niet verdwenen. Ook zij nam plaats en een minuut zaten ze zwijgend tegenover elkaar. Haar blik was emotieloos, maar Axel herkende nieuwsgierigheid en intelligentie in haar donkere ogen. Hij had haar nooit gezien, dat wist hij zeker. Toch kwam ze hem bekend voor. De vrouw reikte opzij naar een kastje en haalde er een fles whisky en twee glazen uit.
“Ik heb begrepen dat je hiervan houdt,” zei ze toen ze de glazen vulde. Voor het eerst in hun nog jonge ontmoeting was er de zweem van een glimlach om haar mond.

“Proost, Axel Berglund. Mijn naam is Afia. En ik geloof dat ik wel begrijp waarom mijn moeder voor je viel.”


wordt hier vervolgd

Polaris (7)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Stockholm, mei 2017

“Welkom, meneer Leblanc. Uw gezelschap is reeds aanwezig.”

De gerant maakte een lichte knik met zijn lichaam en nam de lamswollen jas aan van de man die net het restaurant was binnengelopen, de man die een half uur eerder haastig was vertrokken uit een villa in een deftige Stockholmse buitenwijk. Hij was een kwartier te laat voor het diner, maar daar zou niemand wat van zeggen. Niet alleen lagen zijn wortels in Frankrijk, iets wat de cultuursector in het noorden van Europa in hoge mate imponeerde; hij was bovendien voorzitter van de Zestien en ze zouden ook geduldig op hem wachten als hij een uur te laat was. Sterker nog, het zou zelfs van slechte smaak getuigen niet als laatste te arriveren.

Het geroezemoes van de vijftien aanwezigen verstomde even toen de man de ruimte op de bovenverdieping binnenliep die van het publieke restaurant was afgezonderd. Hij knikte naar de aanwezigen die aan de met zorg gedekte tafel zaten en nam plaats aan het hoofd. De spichtige, kale heer naast hem boog zich naar de man toe.
“Goedenavond, monsieur le président.”
De man met de borstelige wenkbrauwen bromde even binnensmonds, een bevestiging dat hij de woorden van zijn secretaris had gehoord. Niet meer dan dat. Een brom was genoeg voor een secretaris. Hij nam even de tijd om de rest van de aanwezigen in zich op te nemen. Goeddeels mannen op respectabele leeftijd, gesoigneerd en in avondkleding, die hun best deden met kleine handgebaren het grote belang van hun woorden te onderstrepen. Maar Arnaud kende ze, en hij zag de bezorgdheid op sommige gezichten. Vanwege de berichten van eerder die avond verbaasde hem dat niet.

Sukkels, dacht hij. Allemaal in paniek.

Ze realiseerden zich niet hoe gelukkig ze waren dat ze hém hadden, iemand die het hoofd koel hield ook als er stront aan de knikker was. Natuurlijk, het bericht over Polaris had ook hem even van zijn voetstuk gebracht. Maar er was weinig wat hij, Arnaud Leblanc, voorzitter van de Zweedse Academie, waarvan de leden zichzelf ‘de Zestien’ noemden, niet met een paar telefoontjes kon oplossen. En die telefoontjes had hij gepleegd. Dat hij het lichaam van het meisje had moeten laten verdwijnen was een nare bijkomstigheid geweest die hem tijd had gekost. Maar uiteindelijk was de oplossing al in zicht voordat het probleem zich had gemanifesteerd.

Hij stond op van zijn stoel en de leden van de Academie zwegen, de ogen gericht op hun voorzitter.

“Welkom vrienden,” sprak Leblanc plechtig. “Ik hoef jullie niet te vertellen hoe belangrijk deze avond is. Jullie hebben allemaal de shortlist voor de laureaten ontvangen. Vanavond is de eerste, voorlopige stemming. Ik vertrouw op jullie deskundigheid en discretie. De uitverkiezing van de winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur is een belangrijke taak. Het is een eervolle taak. Het is onze taak.”
De leden van de Zestien knikten instemmend. Een enkeling klapte even in zijn handen.
“Talent en goede smaak!”, zei Arnaud en hief zijn glas.
“Talent en goede smaak!” echode het motto van de Academie uit vijftien kelen.
Terwijl de leden hun onderlinge gesprekken weer hervatten, serveerden de bedienden noordzeekrab en ganzenlever.

Enkele uren later verzamelden de Zestien zich voor de informele afsluiting van de avond in de aangrenzende salon. Staand in groepjes van twee of drie bespraken ze op gedempte toon de uitslag van de stemming. Voor Arnaud Leblanc was het een audiëntie. Iedereen wilde wel even een gesprek met de voorzitter, niet om de inhoud, maar om met hem gezien te worden. Leblanc genoot van zijn status.

Uiteindelijk stapte een tengere, lange man langzaam maar gedecideerd op de voorzitter toe. Leblanc sloeg amicaal een arm om diens schouders en nam hem op discrete wijze apart.
“Een onverkwikkelijke zaak, dat van Polaris,” fluisterde de lange man.
“Dat kun je wel zeggen,” antwoordde Leblanc. “Ik reken erop dat je het uitzoekt en oplost, Gustav. Je hebt er net zoveel belang bij als ik.”
De lange man knikte met een glimlach.
“Maak je geen zorgen, Arnaud. We weten wie het is en mijn mensen zijn ermee bezig. Voor je het weet is Polaris weer operationeel en kunnen we de proeverijen hervatten.”
Leblanc reageerde als door een wesp gestoken.
“Hervatten? Van de directeur van SÄPO had ik een intelligentere respons verwacht, Gustav,” siste hij. “Ik weet dat je je pik achterna loopt maar nieuwe meisjes zijn onze zorg nu niet. Het gaat erom dat er niets uitlekt over het verleden. Damage control noemen gleufhoeden zoals jullie dat toch?”
Gustav Wennerström zweeg en keek naar het cognacglas in zijn rechterhand, de blik van de voorzitter ontwijkend. Leblanc gaf hem een schouderklopje.
“Nogmaals, ik reken op je,” zei Leblanc, ogenschijnlijk vriendelijk nu. Hij maakte zich van Wennerström los en begroette met een stralende glimlach een tweetal andere leden van de Academie.

Wennerström dacht even na. De dreiging in de woorden van de voorzitter was hem niet ontgaan. Hij moest haast maken.


wordt hier vervolgd

Polaris (6)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Lezer let op! We maken een tijdsprong vooruit in het verhaal.

Kiruna, juni 2017

Axel Berglund zat net in de auto die hij op het vliegveld van Kiruna had gehuurd toen zijn telefoon ging. Het was Freya.
“Waar zit je in godsnaam?”
Axel was blij haar stem te horen.
“In Kiruna.”
“Kiruna? Wat doe je daar?”
De vrouwelijke stem van het navigatiesysteem gebood Axel over tweehonderd meter rechtsaf te slaan.
“Ik hoor het al,” zei Freya met gemaakte teleurstelling in haar stem. “Je hebt een ander liefje dat je de weg wijst.”
“Research voor een artikel,” zei Axel kortaf.

Dat was slechts gedeeltelijk de waarheid, maar hij had geen zin om Freya aan de telefoon over zijn geschiedenis in Abisko te vertellen. Na hun laatste rendez-vous en zijn constatering dat Polaris uit de lucht was had hij meteen een vlucht geboekt. Iets zei hem dat hij terug moest naar het noorden, terug naar Abisko. Iets zei hem dat hij daar de afzender van de anonieme mail zou vinden. Dat hij eindelijk antwoorden zou krijgen over Polaris.

“Blijf je lang weg?” vroeg Freya. “Ik mis je.”
Axel zocht in zijn geheugen en vond geen eerdere uitspraak van Freya waarin ze aangaf dat ze naar hem verlangde.
“Een paar dagen maar. Wacht je op me?”
Deze weg tachtig kilometer volgen, zei de navigatiemevrouw met luide stem.
“Alleen als je die sloerie uit je auto gooit. Pas goed op jezelf, Axel. Ik wacht.”

Om hem heen maakte de bebouwde kom plaats voor een weg door schijnbaar eindeloze naaldbossen. Axel dacht terug aan Abisko. Om precies te zijn dacht hij aan Saga, en aan de nacht die ze samen hadden doorgebracht. Het was dertig jaar geleden, maar de warmte van haar lichaam en de geur van haar huid waren hem bijgebleven. Heel soms, als hij na een lange dag op de krant in de metro van Göteborg zat, dacht hij haar te zien in het gezicht van een ander. Af en toe, als hij door de straten van de stad liep en een vreemde vrouw hem passeerde, rook hij de geur van haar parfum. Saga was nooit helemaal verdwenen.

Toen. Dertig jaar geleden, in de herberg.
“Als je het goed aanpakt,” had ze gezegd.
Het was Axel snel duidelijk dat geworden dat die juiste aanpak niet gebaseerd was op verfijnde hofmakerij, maar op pure daadkracht. Luttele seconden nadat Saga haar woorden had uitgesproken hadden zij en Axel elkaar het zwijgen opgelegd. Met gulzige tongzoenen, die soms gepaard gingen met een kleine tik van hun botsende tanden, omdat hun armen in een ruwe wedstrijd verwikkeld waren wie de ander het snelst van kleding kon ontdoen. Saga won, en het kon Axel niet schelen dat Saga’s slipje nog om haar knieën spande en haar beha nu om haar middel zat. Het was haastige lust die hen dreef.
Ze nam zijn stijve lid stevig in haar hand, plaatste haar andere hand op zijn borst en onderbrak het spel van hun tongen.
“De rest van het voorspel komt straks wel. Ik wil dat je me nu neemt,” hijgde ze. Ze draaide zich om, boog licht voorover, steunend met haar handen op de rugleuning van een stoel, spreidde haar benen zover als haar slipje-op-kniehoogte het toeliet, en keek over haar schouder naar Axel.
“Waar wacht je op Axel? Neuk me!”
Axel had niet langer geaarzeld. Hij ging achter haar staan en pakte haar bij haar heupen. Saga verwelkomde zijn penetratie met een dierlijke kreet. Axel stootte, voelde, greep, stootte, gromde, streelde, stootte, klauwde, klemde, stootte en Saga moedigde hem aan in zijn roes van geilheid en alcohol.
“Geef het me, Axel!”
Hij kwam in haar klaar terwijl hij met beide handen Saga’s bruine lokken vasthad en haar hoofd achterover trok.
Toen hij zich uit haar terugtrok hadden ze beide nahijgend toegekeken hoe hun vermengde vocht langs de binnenkant van Saga’s dijen langzaam naar beneden droop. Axel ving het met twee vingers op. Saga hield haar ogen even gesloten toen hij haar liet proeven.

Met een reflex en een krachtige trap op de rem van de huurauto verdween de herinnering en kwam Axel Berglund weer terug in het heden. Op de verlaten provinciale weg tussen Kiruna en Abisko stond hij stil, het hart kloppend in zijn keel. Tien meter voor hem, midden op de weg, stond een hert. Onbeweeglijk en trots. Even vonden de ogen van het dier de zijne, en leken ze tegen hem te spreken. Sluit het af. Laat het gaan. Toen boog het prachtige dier zijn hoofd en verdween tussen de naaldbomen aan de overzijde van het asfalt.

Geschrokken en onrustig vervolgde Axel zijn weg. Al rijdend voelde hij in zijn jaszak. Hij hoefde het velletje papier met het logo van de herberg niet tevoorschijn te halen, de woorden die er op stonden kende hij uit zijn hoofd. In de afgelopen dertig jaar had hij ze talloze malen gelezen, in de ijdele hoop dat het Saga terug in zijn leven zou brengen. Het was het enige tastbare dat hij aan de nacht met haar had overgehouden, een notitie die ze voor hem had achtergelaten toen hij in een leeg bed wakker werd. Het was een overblijfsel dat hij eigenlijk had moeten vernietigen.

Ga terug naar Göteborg, lieve Axel Berglund. Je zult hier geen antwoorden vinden op je vragen over Polaris. Het enige dat ik je zeg: blijf je theorie trouw. Als Polaris ooit zwijgt moet je waakzaam zijn.
Nu ik je dit verteld heb kan ik je nooit meer zien. Misschien is dat ook wel beter. Verbrand dit briefje alsjeblieft.
XXX Saga
PS Sommige jonge mannen zijn beter dan oude whisky.


wordt hier vervolgd

Polaris (5)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Abisko, mei 1987

“Ben je van SÄPO?” vroeg Axel terwijl Saga een forse hoeveelheid whisky in zijn glas schonk.
Ze zaten tegenover elkaar, gescheiden door een klein tafeltje, in Axel’s eenvoudige kamer in de herberg. Buiten schemerde het. Saga glimlachte.
“Recht op de man af, hè?” zei ze, terwijl ze haar glas omhooghief. “Zoals dames van lichte zeden zeggen: ik kan alles zijn wat je wil, Axel. Proost, op SÄPO!”
“Proost,” antwoordde Axel aarzelend. Hij begreep dat hij geen direct antwoord op zijn vraag zou krijgen en nipte aan zijn glas. Saga gooide haar whisky in één teug achterover.
“Je weet er raad mee,” zei Axel.
Saga schonk zichzelf bij.
“Ik heb mijn whisky graag oud en mijn mannen jong,” antwoordde de brunette, “dus ik ben prima op mijn plek.”
Terwijl ze hem van top tot teen bekeek schuifelde Axel wat nerveus op zijn stoel.
“Je voelt je ongemakkelijk. Hoe jeugdig charmant! Maar vertel eens, beste Axel Berglund, wat weet je eigenlijk van Polaris?”

Axel was blij dat ze van thema wisselde en vertelde wat hij wist met het vuur dat jonge wetenschappers nu eenmaal kenmerkt. Dat Polaris al jaren onafgebroken actief was. Dat op geregelde tijden een serie cijfers en letters werden voorgelezen door een vrouwelijke stem. Dat men vermoedde dat de Zweedse geheime dienst op deze manier communiceerde met haar field officers in het buitenland, om de paginanummers van een codeboek met one-time pads door te geven. Dat anderen zeiden dat die cijfers en letters helemaal niets betekenden en alleen maar moesten afleiden van het werkelijke doel: pas als er niet meer zou worden uitgezonden, als de zender stil zou vallen, was dat een teken dat er iets belangrijks was gebeurd en moesten bepaalde mensen in actie komen.

Op dat punt was er een twinkeling in Saga’s ogen.
“Interessant. En als Polaris stopt, wat voor belangrijks zou er dan gebeurd kunnen zijn?” vroeg ze, terwijl ze haar muts afzette en een lok achter haar oor bracht.
“Eh…een nucleaire aanval, bijvoorbeeld,” antwoordde Axel die de beweging van haar hand onbewust nauwlettend volgde.
“Axel, Axel. Dat is afgezaagd en saai. Ieder populair-wetenschappelijk blad voor puberige nerds komt met die onzin op de proppen,” schamperde Saga. “Jij bent wetenschapper, je kunt beter dan dat. Wat denk je zelf?”
Axel voelde zich voor het blok gezet. Hij had er op de universiteit en bij sommige cryptografiebijeenkomsten geen geheim van gemaakt dat hij inderdaad een heel andere theorie aanhing. Hij realiseerde zich dat Saga meer van hem wist dan hij vermoedde.
“Als de zender zwijgt is dat een teken dat de encryptie van belangrijk berichtenverkeer gecompromitteerd is. En niet zomaar van een sleutel, die is vervangbaar, maar van het algoritme zelf.”

Saga trok vragend haar wenkbrauwen op.

“Asymmetrische encryptie bijvoorbeeld,” vervolgde Axel, “ontleent zijn kracht aan het feit dat het een bijna ondoenlijke klus is om het product van twee grote priemgetallen te ontbinden in factoren. Stel je nu eens voor dat een of ander wiskundig genie een manier vindt om dat in luttele seconden voor elkaar te krijgen. Dat is helemaal niet ondenkbaar. Als dat uitkomt zullen geheime diensten, overheden, maar ook criminele organisaties meteen hun communicatie willen stilleggen.”

Saga liet zich tegen de rugleuning van de stoel zakken en sloeg haar benen over elkaar. Ze zweeg en keek peinzend opzij, naar het donker en de kou van de avond achter het raam, terwijl ze met haar vingertoppen haar hals streelde.
“Dus jij zegt: zolang Polaris uitzendt, weten de ontvangers dat hun communicatie veilig is. Als het station stopt, is er paniek want niets is meer geheim.”
Axel was met zijn hoofd bij Saga’s vingertoppen.
“Wat? Eh..ja, precies,”  antwoordde hij bedremmeld. “Polaris is een alarmbel en een noodschakelaar.”

Saga pakte de fles en Axel hield een hand boven zijn glas in een poging een nieuwe slok te weigeren.
“Niks ervan,” zei Saga zacht. “Het is een goede theorie, Axel Berglund. En een goede theorie, daar moet op gedronken worden.” Ze pakte voorzichtig zijn hand en schoof die langzaam opzij. Haar vingers waren zacht en warm.

De alcohol was geleidelijk aan naar Axel’s hoofd gestegen en vertroebelde dat hij zich op een kinderlijke manier had laten uithoren, terwijl hij zelf over Polaris helemaal niets wijzer was geworden. Maar het verscherpte ook de blik waarmee hij de aantrekkelijke vrouw die tegenover hem zat in zich opnam. Hij wendde zijn ogen nu niet meer van haar af.
“Mag ik je wat vragen, Saga?”
“Je mag alles vragen, lieve Axel. Maar je bent slim genoeg om te beseffen dat ik over Polaris veel weet, maar weinig kan zeggen.”
“Het heeft slechts zijdelings met Polaris te maken.”
“Toe maar dan.”
“Is het echt zo?”
“Is het echt zo wát?”
Het was eruit voor hij er erg in had.
“Dat er in dit godvergeten oord echt niets te neuken valt?”
Saga schaterde het uit, legde toen een hand op Axel’s been en keek diep in zijn ogen.
“Heel soms. Als je het goed aanpakt.”


wordt hier vervolgd

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is pp.jpg

Polaris (4)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Abisko, mei 1987

Het was koud en nevelig toen Axel de volgende ochtend zijn auto een paar kilometer ten noorden van de herberg aan de bosrand parkeerde en gewapend met zijn stafkaart het woud inliep. Hij schatte dat het een uur zou duren voordat hij de zône zou bereiken die op zijn kaart met een wit vlak was aangeduid: het terrein van Polaris. In werkelijkheid deed hij er twee keer zo lang over voordat zijn wandeling abrupt eindigde bij een metershoog hek van staal en prikkeldraad. Steunend tegen het hek gaf hij zichzelf even rust en kwam op adem. Ondanks de temperatuur die rond het vriespunt lag zweette hij. Hij gluurde door een spleet in het hekwerk en zag een paar honderd meter verderop de drie zendmasten van Polaris, hun toppen verborgen in de laaghangende bewolking. Rond de antennes stonden twee kleinere gebouwen. Axel keek om zich heen. Er was niemand, het was muisstil en er was geen wind. Toch had Axel het gevoel dat hij werd gadegeslagen. Hij nam een paar slokken water en besloot zijn weg langs het hekwerk te vervolgen, in de veronderstelling dat hij ergens wel een poort of ingang zou vinden. Hij baande zich een moeizame weg over takken, door struiken, heuvel op en heuvel af, tot hij anderhalf uur later weer op de plek kwam waar hij zijn ronde om het terrein was begonnen. Hij had geen poort gevonden. Over het hek klimmen was vanwege de hoogte en het prikkeldraad geen optie. Axel zuchtte. Het leek erop dat zijn professor gelijk had: je zult niets vinden. Moedeloos besloot hij terug te gaan naar de herberg en nogmaals te proberen iemand te vinden die hem meer over Polaris zou kunnen vertellen.

Toen de banden van zijn Volvo knarsend de kiezels van de parkeerplaats opreden zag hij twee mannen naast een grote zwarte pickup-truck staan. De letters van de neonreclame aan de gevel van de herberg knipperden ‘Vilkommen’, maar de blikken van de mannen zeiden iets heel anders. Axel voelde onraad. Zodra hij was uitgestapt kwamen de kerels op hem toe.
“Ben je verdwaald, snotaap?” vroeg de langste van de twee. “Wat heb je hier te zoeken?”
Axel negeerde hem en probeerde zijn weg naar de deur van de herberg te vervolgen, maar de maat van de lange hield hem met een hand tegen.
“Hoor je slecht ofzo? We vroegen je wat, zwarte,” zei hij bits.

Axel schrok. Hij was zich altijd bewust van zijn kleur en de Ghanese afkomst van zijn moeder. Niet zelden had hij het gif van discriminatie moeten slikken, maar over het algemeen waren de mensen in Göteborg te gehecht aan hun imago van correctheid om hem op een agressieve manier met zijn huidskleur te confronteren. Een seconde later sloeg zijn schrik om in boosheid. Hij duwde de man die zijn weg belemmerde met kracht van zich af, waardoor die zijn evenwicht verloor en achterover op de kiezels viel.
“Wel godverdomme!” schreeuwde de lange en in zijn ooghoek zag Axel hoe de kerel naar zijn riem greep en een glimmend voorwerp tevoorschijn trok. Mes! De adrenaline gierde door Axel’s lijf en toen de lange dreigend en zwaaiend met zijn stiletto op hem afkwam was er een fractie van een seconde die panische existentiële twijfel in Axel’s hoofd: vluchten of vechten?

Twee oorverdovende knallen maakten een beslissing overbodig. Axel en de lange keken allebei verschrikt in de richting van de herberg. Voor de deur stond een vrouw. Met zekere hand knikte ze de nog rokende loop van een jachtgeweer open en duwde er twee nieuwe patronen in.
“Maak dat je wegkomt, fucking hillbillies. Anders zit je reet na het volgende schot vol met hagel. Optiefen!”
De twee kerels stapten vloekend in de richting van hun pickup-truck.
“Jou krijgen we ook nog wel, kutwijf!” riep de lange voordat hij het portier dichtsloeg. Op zoek naar grip spogen de wielen van de pickup kiezels toen ze zich uit de voeten maakten.

De vrouw wenkte Axel.
“Of wil je soms in de kou blijven staan?”
Terwijl hij nog natrilde van schrik en boosheid volgde Axel haar naar binnen, waar ze het jachtgeweer aan de glimlachende kale herbergier overhandigde.
“Bedankt Bengt. Berg je donderbus maar weer goed op, voor de volgende keer. En doe ons een fles whisky en twee glazen.”
Axel keek met grote ogen naar de tengere brunette. Hij schatte haar achter in de dertig. Ze had schouderlang haar dat onder een bonte ijsmuts uitstak en was gekleed in een spijkerbroek en een zwarte coltrui.
“Wat sta je nou te kijken?” vroeg ze brutaal. “Je wilde toch iets over Polaris weten?”
“Eh..ja,” zei Axel bedremmeld. “Maar wat was dat daarnet? En wie bent u?”
Ze had een mooie glimlach.
“Mijn naam is Saga. En dat daarbuiten was de befaamde noordelijke gastvrijheid. Ze zijn bang dat je hier bent om te stelen of blonde vrouwen te schaken. Alsof er in dit godvergeten oord wat te halen of te neuken valt.”
Ze hield de fles whisky in de lucht omhoog, als een stille uitnodiging.
“Nou, kom je nog?”


wordt hier vervolgd

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is pp.jpg

Polaris (3)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

(dertig jaar eerder)
Abisko, mei 1987

Niemand weet precies waar nummerstations voor dienen. Het zijn radiozenders die gebruik maken van korte golf-frequenties en een merkwaardig soort informatie uitzenden. Vaak is er sprake van een een intervalsignaal, een soort hartslag, die om de paar seconden wordt herhaald en waarvan men vermoed dat die wordt gebruikt om de frequentie bezet te houden en aan te geven dat de zender actief is. Op sommige momenten is er dan een menselijke stem die een reeks cijfers of woorden spreekt, waarna het intervalsignaal zich herhaalt. Algemeen wordt aangenomen dat nummerstations worden gerund door geheime diensten en als functie hebben om geheimagenten in het veld van gecodeerde instructies of cryptografische informatie te voorzien. De zenders zijn dag en nacht operationeel, onafgebroken, sommige al decennia lang.
Ook Zweden heeft een actief nummerstation. Het ligt afgezonderd in de bossen bij Abisko, ten noorden van Kiruna, honderd kilometer boven de poolcirkel. Officieel heeft het geen naam, sterker nog: officieel bestaat het niet. Het terrein rondom het zendstation is beveiligd en eigendomsgegevens zijn niet te vinden. Omdat signaalpeilingen van het station vanuit de bewoonde wereld altijd bijna recht naar het noorden wijzen hebben radio-amateurs het station ‘Polaris’ gedoopt.

Axel Berglund legde zijn pen neer. Het begin van een artikel was altijd het moeilijkste. Wiskundigen zijn nu eenmaal geen grote schrijvers. Hij keek om zich heen. De eetzaal van de herberg was donker, grenzend aan muf. De muren waren met houten schroten afgetimmerd en voorzien van kleine crèmekleurige schemerlampjes die de ruimte verlichtten. Aan de bar zat een man met honkbalpet en een roodgeruite winterjas voorovergebogen en zwijgend boven een grote pul bier. Verderop zat een aantal zwaarlijvige mannen te kaarten. De warmte kwam van een grote houtkachel in de hoek van de ruimte.

Zover noordwaarts was Axel was zijn jonge leven nooit eerder geweest en het kwam hem voor alsof hij in een andere wereld verzeild was geraakt. In het noorden, wist hij, is de zwaartekracht anders en legt de aarde een kortere weg af terwijl ze om haar as draait, en het was alsof hij dat merkte. Hij voelde zich zwaarder en trager.
De uitbater van de herberg zette Axel’s maaltijd op tafel, een eenvoudige sörstrumming met aardappelen en salade. De man was imponerend groot en kaal.
“Uit de stad, of niet?” vroeg hij kortaf.
“Inderdaad,” antwoordde Axel. “Göteborg. Ik ben hier voor het zendstation. Een onderzoek voor de universiteit. Kent u misschien iemand die daar werkt?”
De eigenaar hoefde niet lang na te denken.
“Nee. Je zult niet veel materiaal vinden, ben ik bang. Niemand weet of daar iemand werkt en zoja, wie. En een PR-afdeling hebben ze bij Polaris nou ook niet bepaald.”
Axel haalde zijn schouders op.
“Nou ja, we zien wel. Morgen ga ik het in ieder geval eens van dichtbij bekijken. Wie weet ontm…”
“Kansloos,” onderbrak de man hem. “Je komt tot aan de hekken en dan ben je nog steeds op ruime afstand van de zender. Ik ken niemand die ooit op het terrein is geweest.”

De man zocht zijn plek achter de bar weer op en Axel zuchtte. ‘Een onderzoek voor de universiteit’ klonk officiëler dan het in werkelijkheid was. Hij zat in zijn promotietraject en beet zijn tanden stuk op een obscuur onderwerp in de getaltheorie, maar zijn werkelijke passie lag op het gebied van toegepaste cryptografie. Het idee dat nummerstations cryptografische informatie of sleutels verzonden intrigeerde Axel Berglund in hoge mate. Hij wilde weten hoe het echt zat, en professor Magnusson, zijn promotor, had uiteindelijk een bescheiden budget geregeld waardoor hij een paar dagen ter plekke onderzoek zou kunnen doen. “Zonde van je tijd jongen,” had hij gezegd. “SÄPO runt die tent. Je zult niets vinden.” Maar Axel was jong, koppig en naïef genoeg te denken dat hij zelfs de Zweedse geheime dienst informatie zou kunnen ontfutselen.

Van een vriend had hij een oude Volvo 240 geleend en was noordwaarts vertrokken. Na een rit van twee dagen, waarin hij de bewoonde wereld steeds verder achter zich liet, was hij neergestreken in een herberg aan de rand van het bos, op een kruising van wegen vlakbij Abisko. Hij had aan alles gedacht: wandelschoenen, stafkaart, een verrekijker, zijn fototoestel. Aan alles, behalve een plan. Hij at zijn haring zwijgend, nam daarna zijn schrijfblok onder de arm en verliet de eetzaal, op weg naar zijn eenvoudige kamer op de eerste verdieping.

Vi har en besökare,” sprak de kale herbergier op gedempte toon in de telefoonhoorn. We hebben een bezoeker.


wordt hier vervolgd

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is pp.jpg

Polaris (2)

(klik hier om het vorige deel te lezen)

Stockholm, mei 2017

Nieuwsgierig geworden? Volg me dan maar, naar een plek net buiten de Zweedse hoofdstad. Ik moet je iets laten zien.

Het is raar; de huizen zijn hier groot en toch moet je ze zoeken. Elke villa ligt een eindje van de openbare weg en is omgeven door een riant perceel, niet zelden bosrijk. Als je de sierlijke hekken voor de lange oprijlanen ziet realiseer je je twee dingen. Het eerste: de bewoners zijn welgesteld. Het tweede: ze hechten aan hun privacy. Eén van die oprijlanen, achter een poort die enigszins tussen de bomen verscholen ligt, leidt kronkelend naar een landhuis uit het begin van de twintigste eeuw, met florale ornamenten in de architraven en de gietijzeren raamversieringen. Jugendstil, dat heb je goed gezien. Vijf treden van donker marmer leiden naar een zware, massief eiken voordeur. Volg me maar, naar binnen, naar een immense hal met visgraatparket en Chinese vazen op manshoge zuilen aan weerszijden van een andere trap, die je naar de eerste verdieping brengt. Daar rechtsaf, de gang in. Aan de linkerkant, net achter het schilderij met het danseresje van Degas, is de deur naar de master bedroom. Open die. In een riante fauteuil, rechts achter de deur, zit een man. Hij draagt niets anders dan een badjas. Zijn haar is grijs, net als zijn borstelige wenkbrauwen. Rond zijn mond zit een zweem van rood. Hij ademt zwaar en zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd. In zijn ene hand heeft hij een tumbler met oude whisky, in de ander zijn mobiele telefoon. Op het tafeltje naast zijn stoel vormen witte streepjes een poederige barcode. Draai dan naar links en kijk naar het bed. Je ziet een meisje, liggend op haar buik. Ze is naakt. Een arm ligt in een onnatuurlijke hoek op haar rug, de ander is uitgestrekt over een kussen en is aan de spijlen van het bed geboeid. Kijk goed en je ziet hoe haar halfopen ogen langzaam en doelloos bewegen in het traanvocht dat zich met haar eyeliner heeft vermengd en traag over haar gezicht loopt. Af en toe trekt haar tengere lichaam even samen in een onwillekeurig spasme. Haar donkere, bronskleurige huid contrasteert met het witte satijn van het beddegoed. Behalve ter hoogte van haar middel. Daar zijn de lakens rood. Letterlijk bloedrood.

De man kijkt op zijn mobiele telefoon. Jij weet niet wat hij denkt, maar ik zal het je vertellen.

Ik ben nog ruim op tijd voor de vergadering van de Zestien.

Je weet niet wat dat betekent, je weet überhaupt niet waarom ik je heb meegenomen naar deze plek, maar dat komt nog wel. De man nipt tevreden van zijn whisky en kijkt naar het meisje op op het bed. Wat hij denkt?

Wat is ze prachtig zo!

Je walgt van zijn gedachten, je maag draait zich om, je wil hier weg. Maar je moet even volhouden, we zijn nog niet klaar. Er klinkt een geluid van een binnenkomend bericht en de man checkt zijn telefoon. Jij kan het niet lezen maar ik weet wat hij op het display ziet.

Van: POLARIS
Giftige wijn. Alle proeverijen gecancelled. Vernietig de flessen.

De man, plots bleek en onrustig, staat haastig op uit de fauteuil. Hij loopt naar het bed en pakt een van de kussens. Zonder enige aarzeling drukt hij dat met zijn volle gewicht op het hoofd van het meisje. De eerste seconden gebeurt er niets. Dan registreert haar brein haar ademnood en mobiliseert een laatste krachtsinspanning van het lichaam. Ze stribbelt tegen, je ziet hoe ze met haar benen spartelt. Rustig maar, het duurt maar eventjes, ze was immers al half dood. Na enkele tellen is haar worsteling voorbij. De man controleert met twee vingers in haar hals de afwezigheid van een hartslag. Dan loopt hij weer naar zijn fauteuil en drinkt staand een laatste slok whisky.

Zo, je hebt genoeg gezien. Nu mag je overgeven.


wordt hier vervolgd