Taranto

Scheuren in de muren van Taranto’s oude woonkazernes kruipen omhoog als slangen, op de vlucht voor de kreten van rouw en de geur van de dood in de straten beneden.

‘s Nachts, vanaf onze tegenoverliggende balkons, kijken Giulia en ik omlaag naar de mannen in pakken. Zij zien er altijd hetzelfde uit, maar op de brancard ligt telkens een ander mens. Vandaag is het de sleutelmaker van nummer 9. Zoals zovelen voor hem zal hij waarschijnlijk sterven – sterven in eenzaamheid.

Dit is nauwelijks de tijd voor harstochtelijke affaires; dat weet ik, en Giulia ook. Maar verwoesting wist verlangen niet zomaar uit. Omringd door verdriet en door overmacht gescheiden branden onze vingers van pijn omdat ze niet mogen voelen.

Giulia zit onderuit op de vloer van haar balkon, haar rug tegen de muur. Een moment lijkt ze versteend in de tijd. Dan schopt ze haar schoenen uit en maakt haar haar los. Ze spreekt de woorden niet uit en toch hoor ik ze.

Kijk naar me.

Haar slanke vingers vinden een weg, langzaam omhoog langs haar kuiten. Ze trekt haar rok op, spreidt haar benen, streelt dan de binnenkant van haar dijen, langzaam, terwijl ze haar ongeduld bedwingt en het mijne op de proef stelt. Het is een belofte van uitgesteld genot. Ze sluit even haar ogen – niet langer dan een tel – en huivert als haar vingertoppen het middelpunt van haar brandend verlangen vinden. Dan kijkt ze naar mij.

Raak me aan. Doe mee.

De bewegingen van mijn hand spiegelen de hare. Nader dan dit kunnen we niet komen. In een tijd waarin de Goden verzaken hebben we geen andere keus. Giulia en ik aanbidden het leven zelf.

*****

Dit is de Nederlandstalige versie van een verhaal dat ik schreef voor de Smut Marathon 2020. Het origineel staat hier.

Mujoz

“Het is toch niet te geloven!” roept Jorge uit. Hij is opgesprongen van de bank en strekt zijn armen in wanhoop uit naar de hemel, het flesje bier nog in zijn rechterhand. “Mierda!”
Rafael blijft rustig naar het scherm kijken. Hij weet dat het een verloren wedstrijd is en in de buurt van Jorge bedwingt hij zijn emoties meestal. Jorge laat zich langzaam weer terugzakken in de sofa. Dat kost hem zichtbaar moeite, de jaren en zijn zware ambt eisen hun tol.
De laatste minuten van de wedstrijd kijken ze zonder een woord te wisselen. Ook toen ze nog in Buenos Aires woonden en naast elkaar in het stadion naar de wedstrijden keken -Rafael als klein ventje en Jorge als volwassen man-  was zwijgen hun antwoord geweest op een naderende nederlaag. Nu bungelt San Lorenzo onderaan in de competitie. Als het zo doorgaat, is degradatie een feit.

Als de arbiter voor het einde blaast schakelt Jorge de televisie uit. Hij wrijft met de hand over zijn kale schedel en neemt nog een slok Quilmes. Het is stil om hen heen. Het tijdsverschil met Buenos Aires betekent dat ze ’s nachts de wedstrijden van hun favoriete ploeg moeten bekijken. In Rome slaapt men nu.
“Je moet iets voor me doen,” zegt Jorge.
“De trainer van San Lorenzo omleggen?” vraagt Rafael hoopvol.
De oude Jorge glimlacht vermoeid.
“Nee, het is wat ingewikkelder dan dat, jonge vriend. Je moet naar Spanje voor me.”
Rafael zwijgt even. Klusjes zijn zijn werk, daarvoor heeft Jorge hem meegenomen naar Europa. Weliswaar heeft zijn beschermheer personeel genoeg om hem op zijn wenken te bedienen, maar hij heeft zich, ook na zijn roeping, rekenschap gegeven van hun jarenlange vriendschap. Dus zorgde hij ervoor dat zijn jongere vriend een eenvoudig appartement in Trastevere kon betrekken. In ruil daarvoor is de veertigjarige Rafael op afroep beschikbaar voor zijn baas en vriend. Hij houdt Jorge’s auto in conditie, hangt plankjes op in diens verblijf, en ze kijken samen voetbal. Dat Jorge hem naar het buitenland stuurt is nieuw.
“Waar gaat het om?” vraagt Rafael.
“Delicate zaak,” antwoordt Jorge met een zucht. Hij staat op en loopt naar het bureau in de hoek van de kamer. “Ik wil dat je naar Mujoz gaat. Dat is een dorpje in de bergen.”
“Wat ga ik daar in godsnaam doen?”
“Niet in God’s naam, in de mijne. Maar na God ben ik een goede tweede, dat is waar. Je gaat op een verkenningsmissie.”
“Kun je de lokale bisschop niet sturen?”
“Nee. Het is geen officieel bezoek,” antwoordt Jorge. “Ik zal het je uitleggen.”
De oude man drukt op een knopje van het zwarte console op zijn bureau.
“Breng nog twee Quilmes en het dossier Mujoz, per favore!”
De luidspreker antwoordt krakend.
Subito, Heilige Vader!”

***

Een week later staat Rafael kuchend in een wolk van zand en stof. Hij kijkt hoe de taxi verdwijnt in de richting waarvandaan ze gekomen zijn.
“Verder dan hier kunnen we niet, señor,” had de chauffeur gezegd. “Maar als u het pad volgt komt u vanzelf in Mujoz, het is een half uur lopen. Wees voorzichtig onderweg. En ook als u er bent.”
Rafael kijkt om zich heen. De zon is in het westen langzaam op weg naar de horizon. De dagen worden korter, de winter dient zich aan. Om hem heen strekt het rauwe berglandschap zich uit. Hoog in de lucht cirkelen een paar gieren. Voor hem ligt het ezelspad dat de taxichauffeur heeft aangewezen. Rafael zwiept zijn rugzak om zijn schouder en begint te lopen.

Terwijl het grint onder de ritmische pas van zijn schoenen knerpt denkt hij aan Buenos Aires. Hij herinnert zich zijn jeugdjaren in de barrio Flores en ziet de jonge priester, die hem na het tragische ongeluk van zijn ouders onder zijn hoede neemt. Jorge zorgt voor een school, voor een betrouwbaar pleeggezin, en op wedstrijddagen neemt hij de jonge Rafael mee naar het stadion van San Lorenzo. Naarmate de jaren verstrijken stijgt Jorge’s ster binnen de Moederkerk, en soms ziet Rafael hem maanden niet. Maar nooit verliest Jorge zijn protegé uit het oog. Ook niet nadat hij jaren later op de tweede dag van het conclaaf tot paus wordt gekozen.

Nadat Rafael twintig minuten in eenzaamheid heeft gelopen opent het smalle pad zich enigszins en ligt Mujoz plots voor hem. Een stuk of vijftig vervallen huizen liggen slaperig tegen de flanken van een voetheuvel, en de gerafelde toren van een kerk doorbreekt het silhouet van het dorre berglandschap. Een kasteelruïne torent boven het gehucht uit. Rafael stopt even en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Hij neemt een paar slokken uit zijn waterfles. Een vrouwenstem doorsnijdt de stilte.
“Welkom in Mujoz, Don Rafael. Ik verwachtte u al.”
Rafael ziet hoe de vrouw opstaat van de grote kei waarop ze kennelijk op hem heeft zitten wachten. Ze strekt een hand naar hem uit.
“Had Rome gebeld dat ik onderweg was?” vraagt hij enigszins verbaasd terwijl hij de slanke hand van de vrouw schudt.
“Nee. De gieren vertelden het me. Volgt u mij.”

Even later zit Rafael tegenover haar aan een tafeltje. Onderweg naar haar huis viel het hem op hoe leeg het dorp was. Lopend door de oude straatjes had geen levende ziel hun pad gekruist. Siesta, dacht Rafael. Toch had hij het gevoel dat hij werd gadegeslagen. En niet alleen door de mooie vrouw die nu een glas wijn voor hem inschenkt.
“U moet mij excuseren,” zegt ze. “Ik heb me nog niet voorgesteld. Ik ben Éobha.”
“Aangenaam,” anttwoordt Rafael. “Rafael Gigliotti. Bent u de alcaldeza, de burgemeester?”
Ze glimlacht. “Zoiets.”
Éobha kijkt Rafael een paar tellen zwijgend aan, alsof ze probeert zijn gedachten te lezen. Hij vindt het moeilijk haar leeftijd te schatten. Een jaar of dertig denkt hij. Ze is ontegenzeglijk een schoonheid, met haar lange, golvende donkere haar, haar gebruinde gave huid, kastanjekleurige ogen en ronde vormen. Maar er is iets ouwelijks in haar oogopslag. Vermoeidheid, stress misschien, denkt Rafael. Nee. Verdriet.
“U bent geen priester, Don Rafael,” zegt ze dan. “En een heilige bent u evenmin. Gezondheid.”
“Dat klopt,” zegt Rafael. “Voor het priesterschap ontbrak me de roeping, en om heilig te worden heb ik nog even de tijd. Gezondheid.”
Hun klinkende glaasjes maken een helder geluid.
“U komt namens het Vaticaan, dus ik neem aan dat u een volmacht heeft?” vraagt Éobha.
“Zeker. De Heilige Vader wil absoluut een oplossing van deze kwestie, maar hecht evenzeer aan, eh, discretie. Hij steunt volledig op mijn oordeel.”
Er verschijnt weer een glimlach op Éobha’s volle rode lippen.
“Dat is mooi. Ziet u, we willen in Mujoz af van dat middeleeuwse gedoe. We hebben internet, er komen hier toeristen, maar officieel ziet Rome ons nog steeds als een plek van het kwaad.”
“Ik ben er zeker van dat we dat kunnen oplossen,” zegt Rafael en neemt nog een slok wijn. Het kost hem wat moeite zich een beeld te vormen van vakantiegangers in de lege straten van Mujoz. Hij herinnert zich de briefing en de opdracht die Jorge hem heeft gegeven.

“Mujoz was eeuwen geleden een vrijplaats voor valsemunters en oplichters. Tot grote ergernis van de kerk onttrok het afgelegen dorp zich aan belastingen voor het bisdom. Bovendien werd gezegd dat er in het dorp op grote schaal aan hekserij en zwarte magie werd gedaan. Of dat laatste een gerucht was om belastingfunctionarissen en andere pottenkijkers buiten de deur te houden, of dat er in Mujoz daadwerkelijk sprake was van hekserij weten we niet. In ieder geval werden de dorpelingen collectief geëxcommuniceerd en de Heilige Stoel sprak een officiële vloek over Mujoz uit. Die is merkwaardig genoeg officieel nooit opgeheven, en de bewoners van het dorp maken zich daar nu weer sterk voor. Het laatste wat de Heilge Stoel in deze dagen kan gebruiken is slechte publiciteit, dus zoeken we discreet naar een oplossing voor een eeuwenoud probleem.
Jij gaat naar Mujoz en rapporteert wat je ziet. Praat met mensen, loop er een paar dagen rond, kijk of je bijzondere dingen ziet. Bespreek met de dorpsraad hoe we die officiële vloek kunnen opheffen zonder dat het in de krant komt.”

“Ik zal u naar uw vertrekken laten brengen, Don Rafael,” zegt Éobha. U zult wel moe zijn van de reis. De details van onze kwestie bespreken we de komende dagen.”
“Laat dat ‘Don’ maar weg,” zegt Rafael, die voelt dat de wijn zijn werk doet. “Laten we jij en je zeggen.”
“Zoals je wil. Rafael. Dit is Ciara.”
Vanuit het niets komt een jonge vrouw de ruimte binnen. Onder haar bonte bandana kruipen roestkleurige lokken naar haar blanke schouders, talloze armbanden sieren haar polsen. Even neemt ze Rafael met haar felle groene ogen op en er gaat een rilling door hem heen. Ze is oogverblindend mooi.
“Nog een ding, Rafael,” zegt Éobha. “Ik moet je dringend verzoeken vanavond in je kamer te blijven, en de lichten gedoofd te houden tot aan zonsopkomst.”
Rafael trekt een wenkbrauw op.
“Begrijp me goed,” zegt Éobha die de verbazing in zijn gezicht ziet. “Het is geen gebrek aan gastvrijheid. Het is vandaag 31 oktober, Samhain. Ciara zal het je uitleggen terwijl ze je naar je verblijf brengt.”

Rafael pakt zijn rugzak en volgt de mooie jonge vrouw. Ze lopen zwijgend door de hellende straten van Mujoz. Rafael kijkt afwisselend naar de gehavende gevels van de oude huizen en de zwierige pas van Ciara. Ook nu is er in de straten van Mujoz geen mens te bekennen, alhoewel hij uit zijn ooghoeken meent te zien hoe hier en daar nieuwsgierig een gordijntje opzij wordt getrokken om een glimp van de vreemdeling op te vangen. Ciara beent stevig door en Rafael moet moeite doen haar bij te houden.
“Samhain?” vraagt hij hijgend van de inspanning.
“Het is een oude Keltische traditie,” antwoordt Ciara. “Zoals je weet is de Keltische invloed in Spanje groot en dat komt in dat soort hoogtijdagen tot uitdrukking.”
“In jouw haarkleur ook,” hijgt Rafael. Ciara glimlacht.
“Inderdaad. We koesteren onze afkomst, Rafael, en ze leeft in ons voort. De Ouden zeggen dat in de nacht van Samhain de grens tussen de boven- en de onderwereld vervaagt. Dan steken de Aos Sí, de geesten van de doden, over naar deze wereld. We blijven binnen en laten de lichten in de huizen uit om hun aandacht niet te trekken. Men zegt dat als een geest je bezoekt ook jij spoedig zal sterven. In plaats daarvan ontsteken we een groot vuur op het plein, dat de geesten lokt en waarin ze de weg terug naar de onderwereld vinden. Zie Samhain maar een beetje als ons Halloween.”
“Mythes en legendes”, zegt Rafael. “Folklore.”
“Inderdaad. Maar het is een mooie traditie waaraan iedereen in Mujoz meedoet. En dat verwachten we ook van onze gasten. We zijn er.”

Ze houden halt voor de deur van een klein huis aan het einde van een steegje. Rafael is buiten adem, op Ciara lijkt het hoogteverschil geen effect te hebben. Ciara’s armbanden rinkelen als ze de sleutel van de huisdeur omdraait en die met een duwtje van haar schouder krakend opent. Met enige gêne realiseert Rafael zich dat hij haar bekijkt als ze hem voorgaat, de contouren van haar lichaam in zich opneemt, haar geur opsnuift en zelfs probeert haar parfum te duiden. Hij wendt licht beschaamd zijn hoofd af en volgt haar naar binnen. Ciara leidt hem naar de sobere salon. De muren zijn van ruwe, dikke steen, het is er koel. Rafael legt zijn rugzak op de grond.
“Je vindt hier alles wat je nodig hebt. Je avondmaaltijd wordt straks gebracht. Ik wens je een aangenaam verblijf, Rafael, rust uit. Ik vind het trouwens niet erg als je me bekijkt en het is Chanel nummer vijf. We zijn hier heel gewoon hoor.” Ciara glimlacht, draait zich om en verdwijnt.
Terwijl buiten de avond valt trekt de verwarde Rafael zijn kleren uit, neemt een douche, gaat op bed liggen en glijdt onmiddellijk in een diepe slaap.

***

Rafael wordt met een schok wakker en het duurt een tel voordat hij beseft waar hij is. De schaduwen in zijn kamer dansen op de bewegingen van het oranje licht dat door het raam binnenvalt. Hoe lang hij heeft geslapen weet hij niet en het kost hem moeite weer in de werkelijkheid terug te keren. Hij kijkt naar het raam. Het binnenvallende licht moet wel afkomstig zijn van het grote vuur op het plein. Zijn telefoon heeft geen bereik maar vertelt hem dat het elf uur ’s avonds is. Rafael staat op. In het halfdonker ziet hij dat er een maaltijd op het tafeltje is neergezet, maar eetlust heeft hij niet. Hij twijfelt. Zou hij gaan kijken? Enerzijds wil hij de wens van zijn gastvrouwen respecteren en in zijn vertrek blijven, anderzijds heeft hij een opdracht om zijn ogen in Mujoz de kost te geven.
Uiteindelijk wint Rafael’s nieuwgierigheid het van zijn fatsoen. Hij kleedt zich om in de donkerste kleding de hij bij zich heeft, trekt zijn schoenen aan en loopt naar de voordeur. Hij zet zich schrap om de knellende deur zonder lawaai te openen maar tot zijn verbazing gaat die zonder moeite of geluid open. Met zijn hoofd door de deuropening kijkt hij links en rechts het steegje in. Niemand. Behoedzaam gaat hij op weg en blijft dicht tegen de gevels van de huizen aan terwijl de gloed van het vuur hem de weg wijst door de straatjes van Mujoz. Hij slaat een laatste hoek om en ziet dan de brandstapel op het plein. De hitte verwarmt zijn gezicht in de kille nacht. Hij hurkt achter een muurtje en terwijl hij uithijgt bekijkt hij het plein. Er is meer dan een vuur.

Twee rijen manshoge brandende toortsen lopen parallel van de oostkant van de markt langs de fontein naar het midden, met ongeveer drie meter ruimte ertussen. Aan het einde van die verlichte passage, niet ver van het hoog oplaaiende vuur, ligt een  grote, vlakke steen, deels bedekt met rode stof.
Wat is dit?
Minutenlang wacht Rafael gespannen. Er gebeurt niets. Hij staat op het punt weer terug te keren naar zijn vertrekken als twee donkere gestalten aan de oostkant van het plein opdoemen. Ze lopen gearmd tussen de brandende toortsen, beide gehuld in een lange mantel en hun hoofd onzichtbaar onder een grote kap. Met ingehouden adem kijkt Rafael toe hoe ze naar de steen schrijden, langzaam, alsof elke stap belangrijk is. Als ze voor het plateau staan draaien de gestalten zich naar elkaar toe en lijken een paar woorden te wisselen. De langere van de twee reikt naar de mantel van de kleinere en maakt die los. Rafael’s adem stokt in zijn keel. Het is Ciara. Op haar armbanden na is ze nu helemaal naakt, haar lange rode haar hangt los over haar rug. De andere gestalte neemt Ciara’s hoofd tussen de handen en geeft haar een kus op het voorhoofd. Dan maakt Chiara de mantel van haar metgezel los. De rondingen van Éobha’s naakte lichaam tekenen zich af in de gloed van de vlammen.
Wat gebeurt hier?
Rafael houdt zijn adem in en ziet hoe Ciara Eobhá’s hand pakt en haar naar de grote steen leidt. Behoedzaam neemt Éobha plaats en gaat dan langzaam op haar rug liggen, uitgestrekt op het rode doek en met een been opgetrokken. Chiara knielt naast haar, buigt zich over Eobha heen en de twee vrouwen kussen elkaar. Rafael knijpt zijn ogen tot spleetjes om beter te kunnen zien. Het is geen zoen van passie, dat weet hij onmiddellijk. Er gaat een schok door hem heen. Het is een afscheidskus.
Ciara staat op en haalt uit een van de mantels een flesje tevoorschijn. Op enkele meters van de steen waarop Éobha ligt giet ze de inhoud in een cirkel op de grond. Dan stapt ze de cirkel binnen en knielt. Ze heeft haar hoofd gebogen en lijkt een paar woorden te spreken. De schrik slaat Rafael om het hart als hij ziet hoe de cirkel als vanzelf vlam vat. Ciara is omringd door vuur maar de nabijheid van de vlammentongen lijkt haar niet te deren.

Rafael schrikt op en kijkt even omhoog als de kerkklok hoog boven hem middernacht slaat. Dan wendt hij zijn ogen weer naar het plein. Met afgrijzen ziet hij hoe de rijen met toortsen plots opflakkeren alsof er een windvlaag over het marktplein raast. De vlammen van de toortsen buigen naar het westen, in de richting van de steen. Stof wervelt van de keien omhoog en het water van de fontein spat buiten het bekken. Éobha gooit haar hoofd naar achteren, en haar lange haren lijken te dansen op een onzichtbare luchtstroom. Rafael huivert en slaat een kruis. Hij zit op dertig meter afstand en het is volkomen windstil. Éobha’s lichaam begint te trillen, dan te schokken. Naarmate de toortsen feller oplaaien in de luchtstroom trekt ze haar benen verder op en opent die. Ciara knielt nog steeds in haar cirkel van vuur en prevelt bezweringen, haar hoofd gebogen en zonder ook maar één blik te werpen op Éobha. Die kromt wijdbeens haar rug, haar mooie grote borsten wijzen naar de hemel. Ze klauwt haar vingers in het rode fluweel dat onder haar is uitgespreid en slaakt een extatische kreet.

Met open mond kijkt Rafael hoe de vlammen van de toortsen hun normale omvang weer aannemen, het stof op de stenen neerdaalt en water van de fontein rustig in het bekken kabbelt. Éobha ligt schijnbaar uitgeput en roerloos op de steen. Dan, alsof iemand de vrouwen zijn aanwezigheid heeft ingefluisterd, richten Ciara en Éobha plots hun hoofd op en kijken ze beide met vurige ogen Rafael’s kant op. Rafael schrikt en maakt zich uit de voeten. Op adrenaline rent hij door de donkere straten van Mujoz terug naar zijn onderkomen. Uitgeput en bezweet trekt hij haastig al zijn kleren uit en kruipt onder de lakens.

Een half uur verstrijkt en er gebeurt niets. Even vraagt Rafael zich af of hij niet net pas uit zijn slaap ontwaakt is, of niet alles een droom was. Dan gaat de deur van zijn vertrek open. Een donkere gestalte tekent zich af tegen het schemerduister van de gang.
“Je hebt je niet aan de afspraak gehouden, Rafael.” Het is Ciara’s stem.
“Ciara? Ik…eh…je vergist je…”
“Beledig me niet met een leugen. Ik weet dat je hebt toegekeken.”
Ciara klimt op Rafael’s bed, knielt aan het voeteneinde en doet de kap van haar mantel naar achteren. Rafael slikt. Door de oranje gloed lijken haar lange lokken van goud. Ciara is van een andere wereld.
“Wat heb je gezien, Rafael?”
Opnieuw zijn er de rituelen, het vuur, de windvlaag, al de gebeurtenissen van de avond die hij niet kan duiden.
“Folklore,” zegt hij zacht.
Ciara glimlacht.
“Je hebt lef,” zegt ze met felle stem. “Voor jullie was het nooit folklore maar een uitdaging van jullie dogma’s, jullie waarheid, jullie macht. Eeuwenlang hebben jullie ons verketterd en op ons gejaagd. Maar we zijn er altijd geweest en zullen altijd blijven, Rafael. Voor jou is het buitenwerelds, paranormaal, duivels, noem het zoals je zetbazen in Rome doen. Voor ons is het de werkelijkheid, het hoort bij ons zoals de aarde bij onze voeten.”
“Mijn ogen liegen niet,” zegt Rafael.
“Je ogen zijn het probleem niet. Het is je hart dat blind is. Je bent getuige geweest van een ritueel dat ouder is dan iemand zich kan herinneren, ouder dan jouw geloof.”
Ze zucht en zwijgt even.
“Éobha heeft twee maanden geleden haar geliefde verloren. Hij heette Unai. Ze waren al samen sinds hun jeugd en hij was nog jong, zelfs voor onze begrippen. Het verdriet verteert haar, Rafael. Ze heeft haar keus gemaakt. Ze wil liever dood zijn met hem dan zonder hem te leven. Begrijp je dat?”
Rafael’s hart bonkt in zijn keel.
“Nee, ik begrijp het niet, ze leeft toch wel? Of is ze…”
“Unai is vanavond overgestoken uit het domein van de Aos Sí en nam opnieuw bezit van haar. Van Éobha’s geest, haar lijf, haar ziel. Dat is wat je zag. Het was Éobha’s wens en hij heeft haar roep gehoord. Eobhá zal nu spoedig sterven, en ze zal de dood omarmen als een vriendin.”

Rafael zwijgt. Ciara knoopt haar mantel los en laat die van zich afglijden. Rafael kijkt met ingehouden adem naar haar schitterende lichaam.
“Je hebt me al naakt gezien. Beval ik je?” Ciara’s stem is teder nu. Ze streelt zacht haar borsten.
“Eh…ja…je bent ongelooflijk mooi. Maar…”
“Geen maar, Rafael. De energie van Samhain vloeit door iedere vezel van ons lichaam en bereidt ons voor op de lange winter. Voel je dat niet?” 
Ciara buigt voorover en grist de lakens van Rafael’s lichaam. Ze trekt met haar nagels een streep over zijn naakte borst, over zijn buik, en omklemt dan zijn groeiende geslacht met haar slanke vingers. Haar groene ogen glinsteren in het gedempte licht als ze hem aankijkt.
“Jij voelt het ook,” fluistert ze.
Rafael ademt zwaar en probeert zijn lust te bedwingen. “Ciara, wat doe je, wat…”
“Laat het toe, Rafael. Dit is de wereld, dit is wat ons mens maakt. Laat je hart zien.” Met één hand trekt ze langzaam Rafael’s voorhuid naar achteren, met de ander brengt ze haar rode lokken achter haar oor terwijl ze zich naar voren buigt. Rafael kreunt als ze zijn erectie in haar mond neemt en haar tong laat spreken. Hij laat zijn hoofd achterover vallen in het kussen, sluit zijn ogen en voelt. Het is alsof een plotselinge koorts hem overvalt en een ijlende droom bezit van hem neemt. Takken rijzen uit de aarde omhoog en kronkelen zich om zijn armen en zijn borst, pinnen hem vast op het matras. Hij verzet zich, worstelt, hapt naar adem, probeert uit alle macht te ontsnappen. Dan breekt zijn verzet. Hij ontspant en opent zijn ogen. Ciara glimlacht. Haar mond beweegt niet en toch hoort hij haar.

Kijk naar me. Met je hart. Vertel me wat je ziet. Vertel me wat je voelt.

Rafael gehoorzaamt.

Je zit schrijlings over mijn middel en buigt je naar me toe. Je lange haren zijn als touwen, vallen langs mijn gezicht en beschermen me. Je kiest me, je kust me. Onze tongen verkennen en omstrengelen elkaar in een uitdagende dans. Je voert het ritme van je bekken op en laat mij hetzelfde doen. De tijd staat stil, het enige dat tikt zijn je armbanden. Even zijn ook wij geesten, Aos Sí die doelgericht hun weg zoeken naar het vuur dat ons verlost. Je handen steunen op mijn borst, je kijkt me aan en fluistert woorden in een onbekende taal. Bezweringen, formules waarvan alleen jij en de Ouden de geheimen kennen. Je slanke vingers krommen zich en je lange nagels klauwen zich in de huid van mijn borst. Je herdoopt me met je vocht. Er gaat een huivering door je lichaam, een schreeuw van genot verlaat je prachtige mond. Als de bezwering zijn beslag krijgt richt je je op en kijk je naar de hemel. Ik geef me over, mijn kracht wordt de jouwe, je neemt bezit van me en ik weet dat ik voor altijd zal moeten leven met de zachte vloek die je lichaam over me uitspreekt.

Ciara ligt zwijgend op zijn borst. Minutenlang staart Rafael naar het clair-obscur van haar witte huid tegen het zwart van de nacht. Dan verbreekt hij de stilte.
“Vergeef me Ciara, ik had niet mogen kijken. Alles blijft onder ons.” Hij streelt Ciara’s haar.
Ze zucht. “Maak geen beloftes die je niet na zult komen, Rafael. Je zult teruggaan naar Rome en je broodheren vertellen over wat je in Mujoz hebt gezien. Dat mag niet. Ik heb een garantie van je nodig dat je zult zwijgen.”
“Dat komt morgen, mijn liefste, als we de zaak bespreken.”
Ciara richt zich op.
“Er valt niets te bespreken, lieve Rafael. Jij gaat terugkeren en je zult vertellen dat je helemaal niets bijzonders hebt gezien.”
Rafael lacht. “Hoe weet je dat zo zeker?”
Ciara komt rechtop op haar knieën, pakt Rafael’s hand en legt die tegen haar buik. Haar groene ogen vlammen.
“Ik weet meer dan je voor mogelijk houdt. Het meisje dat je vanavond bij me hebt verwekt is mijn garantie. Ze zal gelukkig en beschermd opgroeien, en me ooit opvolgen zoals ik straks in Éobha’s voetsporen zal treden.”

***

“Ik heb je rapport over Mujoz gelezen. Goed werk, Rafael. Lijkt erop dat we eindelijk van die geschiedenis af zijn,” zegt Jorge tevreden.
“Een hoop folklore maar dat heb je nou eenmaal in de bergen,” antwoordt Rafael. “Verder heel gewoon.”
Het is de eerste keer dat hij Jorge niet de waarheid vertelt.
Jorge Bergoglio zet de televisie aan op het wedstrijdkanaal.
“Veel belangrijker is dat San Lorenzo sinds je verblijf in Mujoz alleen maar heeft gewonnen. Die zijn ook van hun vloek af lijkt het. Jij moet vaker naar Spanje.”
Rafael nipt van zijn Quilmes. Even raakt hij de armband aan die Ciara hem heeft gegeven.
“Dat moet ik zeker, Jorge.”
Om zijn hart brandt een ring van vuur.

*****

Naschrift:
Dit verhaal is geïnspireerd door de geschienis van Trasmoz, een dorpje in Aragón, Spanje, waarop nog steeds een officiële vloek van het Vaticaan rust.
Paus Franciscus is een fervent supporter en socio van de voetbalclub San Lorenzo de Almagro uit Buenos Aires.

Focal Points

Her living room: girl stuff, clothing on chairs, seven shoes scattered around the floor.
Odd.
We sit on her sofa in front of the fireplace. My knee wiggles and my cheeks glow.
Must be the fire.
“Why do flames always make us stare at them?” Her voice is soft.
I shrug.
“It’s your focus.”
“Sorry?”
“Focus. Latin word for fireplace. Your focus. Word play.”
She giggles, bows her head slightly and looks at me, gently caressing her neck.
“Why don’t you focus on me, Oscar?”
Uh-oh.
“One of your shoes is missing.” My mouth is dry.
She ignores my hollow attempt to escape. Her fingers slide to her chest. Elegantly, she opens her dressing gown. With her right hand she cups her breast. I swallow.
“Relax. I know you hate it when things get unpredictable. Just watch,” she says.
She spreads her legs and slowly slides her left hand into her panties.
“Do you want to see me?”
I shouldn’t do this.
“Yes.”
Her breathing grows heavy as she caresses herself.
“Do you want to see how wet I am?” The movements of her hidden fingers intensify.
I should leave.
“Show me.”
Her fingers moist, she tugs her panties aside.
“Come closer, join me.”
Her scent intoxicates me and she’s battering my last defense. I move towards her. Clumsily, I undo my pants and take my hard cock into my hand.
“Oh yes,” she moans and slowly slides two fingers into her wetness.
We masturbate, lust dictating the rhythm. With every stroke and every breath, my diffidence crumbles.
Then she stops, takes my hand and brings it between her legs.
“Your turn. Finger-fuck me. Make me come.”
I do as I am told. She curls her slender hand around my cock. We stroke, we watch. It doesn’t take long, it’s too much. She shivers, arches her back, closes her eyes and screams. I feel her juice flowing along my fingers.
“Come over me,” she hisses.
My sensory overload finds an escape in powerful, uncontrolled pulses of cum that land on the soft skin of her thighs, her belly, her cunt.

The fire is out, the ash still glowing. As we silently catch our breath I set a new personal best in eye contact. She smiles.
“What a mess you made. Find my shoe, and I’ll let you lick me clean.”

(Smut Marathon 2020, 5th round)

The closing dance

The elderly couple I had seen before entered the hotel late in the evening. The lady wore her silver grey hair elegantly put up, his was covered by a panama hat. My guess was they’d been dancing in the Roseland, one block down. I greeted them as they walked towards the stairs, then refocused on my concierge work.

Ten minutes later, there were strange noises from down the corridor and I left my post to check. I was dumbfounded for a moment, not at all prepared to see the couple like this. She was lying on her stomach on the wide arm of a sofa, her legs spread and her dress rolled up to her waist. He stood behind her, holding her firmly at the hips, and took her. I watched, but not because I am a voyeur. It was grace that transfixed me. They fucked as if the world around them didn’t exist. He clenched her hair firmly and pulled her head slightly backwards, raw and tender at the same time. She followed his lead, surrendering in encouraging groans. It was a timeless tango of inextricably connected souls. I coughed discreetly and returned to the reception.

Half an hour later, the gentleman came up to my desk and handed me an envelope.
“This is for you. May I ask you not to open it before tomorrow? Good night.”

The next day, the cleaning lady found them, lifeless on their bed. The pills on the table testified to a voluntary death. My envelope contained a hundred-dollar bill and a note.

You inadvertently witnessed our passion, thank you for your discretion. My wife was terminally ill. We have always been together, in death too I will accompany her. Fifty years ago, we first made love in the exact same spot in this hotel. Now we’ve come full circle, and our dance ends.

“They lay in each other’s arms,” the cleaning lady said.

(Smut Marathon 2020, 4th round)

Balcony scene

Cracks in the walls of Taranto’s old tenements slither upwards like snakes, escaping the cries of mourning and the smell of death in the narrow alleys below.

At night, from our opposing balconies, Giulia and I watch the men in suits. They always look the same, but the person on the stretcher is different every time. Today it is the locksmith from number nine. Like so many before, he will probably die – and die alone.

This is hardly the time for torrid affairs; I know that, and so does Giulia. But demise just can’t eradicate desire. Surrounded by sorrow and separated by force, our fingers ache from not being able to touch.

Giulia sits down on the floor of her balcony, her back to the wall, motionless for a second. Then, she kicks off her shoes and undoes the knot in her hair. Her words are unspoken, but I can hear them.

Watch me.

Her slender fingers indicate a smooth path, slowly upwards along her calves. She pulls up her skirt, spreads her legs, then touches the inside of her thighs, gently, controlling her impatience and increasing mine. It is the promise of pleasure postponed. Her body shivers slightly as her fingers find the centre of her ardour.

Touch me. Join me.

The movements of my hand mirror hers. This is the closest we can be. With the gods off duty, Giulia and I  have no choice but to worship life itself.

(Smut Marathon 2020, 3rd round)

Belchite

Tags

,

De ochtendzon schijnt over het laagland van Aragón en verwarmt de oude rode aarde. Spoedig zal de warmte hitte worden en die zal ondraaglijk zijn. De oude stad ligt vóór ons als een karkas van een wild dier, in de woestijn bezweken en door de gieren kaalgevreten. De huizen zijn geen huizen meer, maar willekeurige stenen puinhopen van enkele meters hoog. De naakte restanten van gewelfbogen die twee gerafelde muren verbinden verraden dat daar het middenschip van de kerk moet hebben gestaan. Waar het puin het laagst is, leidden ooit de straten van het provinciestadje de inwoners naar kerk, kroeg, familie en geliefden. De zinderende stilte ligt over Belchite als een lijkwade over een terechtgestelde: onthoofd, gevild, onschuldig.

“Nu weet je waar het allemaal is gebeurd”, zegt María zacht.

Lees verder

Maestra


De cursus was nog geen half uur bezig of ik had al spijt van mijn impulsieve inschrijving. Daar zat ik, in Rome, veroordeeld tot een week met amateurkunstenaars van divers pluimage en opgezadeld met docente Tiny van Houten-Crutz, van wie ik na tien minuten introductie al wist dat ze niet goed snik was.

Lees verder

Aspergestekers

aspergesveld

Een nieuwe nacht, dezelfde droom. Ik sta in een verlaten akker. De lucht is grijs, er is alleen maar stilte. Geen wind, geen vogel, niks. Toch is er iets gebeurd; dat voel ik. De eenzaamheid verlamt me. Waarom is er niemand die me zegt waar ik ben? Waarom vertelt niemand me waar ik naar toe moet? Twee stippen aan de horizon worden langzaam naderende mensen. Een kleine, gedrongen vrouw met een hoofddoek. Een ongeschoren man in vuile kleding, die zijn pet afneemt. Ze dragen plastic tassen die ze me aanreiken en spreken woorden die ik niet versta.
“Nee,” roep ik, “nee, alstublieft. Ik hoef ze niet!”
Uit de tassen druppelt dik rood vocht dat wegzakt in de droge, dorstige grond.

Lees verder

Onder de vulkaan

vulcano

Voor de Prikkelzinnen van 26 januari 2019 – “Talk dirty to me, baby!”

PARCO ARCHEOLOGICO DI POMPEI, 9 AM

Mijn rondleidingen waren ongeschikt voor mensen met een zwak hart of een orthodoxe moraal. De confronterende kant van het oude Pompeï was mijn domein. Ook nu was er slechts een handjevol toeristen dat zich had laten verleiden tot een tour die ik de naam ‘Graffity under the vulcano’ had gegeven. Aanwezig: een beleefd Zwitsers echtpaar op leeftijd, een gezette Duitser met een t-shirt van Rammstein, twee giechelende Koreaanse meiden met vlechtjes en een ruitjesrok, en een aantrekkelijke Nederlandse vrouw wier hakken me te hoog leken voor de kasseien van de zo tragisch verwoeste stad. En natuurlijk een Amerikaans stel, van middelbare leeftijd op spierwitte tienersneakers. Zij hielden het vol tot aan het tweede voorbeeld. Dat was  een hartekreet van tweeduizend jaar oud, gekrast in de steen van het peristylium van het ‘Huis van de Zilveren Bruiloft’:

PEDICARE VOLO

Lees verder

De Klok

« C’est le temps que tu as perdu pour ta rose qui fait ta rose si importante. »

clockwork_time

Ik had niets om me schuldig over te voelen, en toch schrok ik van de telefoon. Er was nooit iemand die me belde, behalve mijn moeder. Maar die belde altijd ’s avonds, niet aan het eind van de ochtend.
“Bart, met Isa.”
“Hallo Isa.” Mijn schrik maakte plaats voor zenuwachtige verrassing.
“Jij bent toch goed met techniek? Ik heb je nodig. Dringend.”
Lees verder