De Lotus (2)

Naast de Lotus ligt een doodlopend straatje. Het doet denken aan een groezelig steegje uit een Amerikaanse film, waarin de held vlucht als hij achterna gezeten wordt door gangsters, zich een weg baant langs een nietsvermoedende zwerver en een paar vuilcontainers, en aan het einde nog net aan zijn belagers kan ontsnappen door over een roestig hek te klimmen. Ik daarentegen heb geen intentie om te vluchten als ik me gewillig aan haar hand laat meenemen. Zij en ik, we creëren onze eigen film en ik wil niets liever dan weten hoe het plot zich ontvouwt. Naarmate we verder het straatje in verdwijnen sterven de geluiden van de stad uit tot ze niets meer dan grijze tonen zijn, een kosmische achtergrondruis in ons eigen universum. We storen een hond in zijn zoektocht door het afval, en als het beest schielijk zijn hielen licht zijn we eindelijk alleen. Ze laat mijn hand los en gaat met haar rug tegen een van de muren staan. Daar staat ze, bewegingsloos, met haar handen naast haar lichaam tegen de koude stenen. Ze heeft me losgelaten maar als ik haar zo zie, kwetsbaar, weerloos bijna, is het alsof ze mijn hele wezen omarmt. Alsof ze zegt: “neem me, neem alles wat je wil.”

Ik strek mijn hand uit en streel haar hals met mijn vingertoppen. Ik zie hoe ze haar ogen sluit, alsof ze me dan beter kan voelen, en met een korte knik van haar hoofd in de richting van mijn vingers verwelkomt ze me. Haar armen blijven langs haar lichaam, haar borsten drukt ze licht vooruit. Ik buig mijn hoofd naar het hare en vindt de holte van haar slanke hals. In de voorbije weken had ik me vaak voorgesteld hoe haar lippen zouden proeven en nu, met ongeduldig karmozijnrood zo dichtbij, wil ik weten hoe ze ruikt. Ik snuif haar op, tot diep in mijn binnenste, ik ruik het mengsel van haar parfum en haar huid, een dier op zoek naar de geur van het nest waarvan hij niet wist dat hij het zo gemist had. Ik laat haar heden en haar verleden in me doordringen en luister naar haar ademhaling. Als ik mijn been zacht tegen haar aan druk laat ze me toe om de opwinding in mijn onderlichaam te kunnen voelen. Een paar centimeter spreidt ze haar dijen. Het is geen aarzeling die haar tegenhoudt, maar het textiel van haar rok. Even kijken we elkaar aan.
“Verzin een list,” fluistert ze met hese stem.
Ik laat mijn handen zakken naar de zoom van haar rok, zij legt haar armen op mijn schouders. In één krachtige beweging trek ik haar rok omhoog, ze slaakt een diepe zucht en bevrijd spreidt ze haar benen onmiddellijk verder. Ik voel haar warmte en haar opwinding als ik me laat overspoelen door de warme welvingen van haar lichaam. Ik weet niet of het door het tollen van mijn hoofd of door mijn opwinding komt, maar ik kan niet anders dan door mijn knieën zakken. Ze legt een been over mijn schouder en laat haar handen door mijn haar glijden en ik, ik snuif haar opnieuw op, laat me verder bedwelmen door de geur van haar vocht. Nu spreekt ze de woorden wel uit.
“Lik me!”
Ik wil haar uitstellen, ik wil haar bewaren, ik wil haar in een doosje doen en het pas op zondag openen, ik wil van haar vasten tot het suikerfeest. Maar het moet nu. Mijn vingers glijden ongeduldig langs de binnenkant van haar dijen naar boven.

Het geluid van een mobiele telefoon doorbreekt de spanning. De hare.
“Godver. Sorry, ik moet antwoorden.”
Ik voel me ongemakkelijk als ze haar attentie verplaatst van onze nabijheid naar een beller op afstand. Terwijl ze praat maakt ze zich van me los, strijkt haar rok glad en fatsoeneert zich. Ik kom terug in de kille werkelijkheid van een doodlopend steegje naast een Chinees restaurant. Dan verbreekt ze de verbinding en richt zich weer tot mij.
“Het spijt me. Een noodgeval.”
Ik kom weer recht op mijn benen en kijk haar bedremmeld aan.
“Snap ik,” zeg ik, maar overtuigend klinkt het niet.
Ze legt haar handen op mijn wangen, trekt me naar zich toe en kust me.
“Ik wil dit,” zegt ze. “Ik wil jou. Van uitstel komt geen afstel. Geef me je nummer. Om drie uur vanmiddag bel ik je. Je mag niet opnemen, maar ik spreek je voicemail in. Luister daar naar. Als je me dan nog wil zien, komt alles goed.”

In de uren na het steegje komt er niet zoveel uit mijn handen. Met een akelig zoet vergif heeft ze al mijn zintuigen verdoofd en mijn aandacht tot eeuwig klokkijken veroordeeld. Twee collega’s vragen of het wel goed met me gaat.
“Was een kwestie van tijd dat je een keer niet lekker wordt van die Chinees. Jij met je lunches buiten de deur.”
Stipt om drie uur gaat de telefoon en ik betrap me erop dat ik ervan schrik. Ik doe wat ze me gevraagd heeft, ik doe niets. Hoe kan ik dat weigeren? Ik laat de beltoon uitsterven en tel vervolgens de minuten totdat een piepje verraadt dat er een nieuw voicemailbericht is. Ik zoek een rustige plek op kantoor zodat ik zeker weet dat ik haar bericht kan verstaan.
Maar het zijn geen woorden die ik hoor. Het is de ademhaling die ik ken, haar ademhaling. Onrustig, snel, ritmisch, begeleid door een even ritmisch geluid van kreetjes en een vochtig geluid dat wordt  weerkaatst in een kleine, gesloten ruimte. Heel even flitsen er zorgen door mijn hoofd, maar dan vallen de puzzelstukjes op hun plek. Ik zie haar opnieuw voor me, aan het tafeltje in de Lotus, waar ze haar hand onder tafel liet verdwijnen naar het zenith van haar verlangen. Toen kon ik alleen kijken, nu kan ik alleen luisteren hoe ze zich aan genot overgeeft.
Ik heb het warm als er een sms’je volgt.

Ik heb met mezelf gespeeld terwijl ik aan jou dacht. Ik wil dat we het spel samen afmaken. Vanavond, Oranjesingel 27, 20u. Be there?

De Lotus

De Lotus is geen tempel, en toch offeren we hier iedere woensdag onze lunchtijd en ons zwijgen aan de goden van verlangen. Zij en ik. Ik ken ons zoete ritueel tussen druk pratende gasten en haastige obers. Als een serveerster haar rekening heeft gebracht, zal ze het gelukskoekje van het schaaltje nemen en het bekijken, alsof haar aarzeling de boodschap nog kan veranderen. Dan zal ze naar mij kijken en het openbijten. Het koekje eet ze niet, het briefje heeft haar aandacht. Even zal haar blik uitdrukkingsloos zijn als ze het leest. Dan is er een lach, een gefronste blik, of haalt ze haar schouders op. Vervolgens zal ze opstaan, haar rok gladstrijken, haar laptoptas oppakken en met hooggehakte, elegante tred naar de uitgang lopen. Dan, als ze mijn tafel passeert, zullen onze blikken elkaar ontmoeten. Heel even, maar lang en intens genoeg om te weten dat het eten in De Lotus geworden is wat het verdient te zijn: een bijzaak.  

Vandaag verloopt het ritueel anders. Vandaag is haar glimlach meedogenlozer, de twinkeling in haar ogen indringender als ze haar papiertje leest. Ze staat op, loopt naar mijn tafeltje en legt zwijgend het briefje naast mijn bord. Dan keert ze terug naar haar eigen plaats. Ik lees.

 Don’t be afraid to talk to a stranger.

 Even later zit ik tegenover haar, haar warme nabijheid een déjà vu van mijn fantasie.
“Heb je je wel eens afgevraagd waar het op lijkt?” vraagt ze. Demonstratief houdt ze mijn gelukskoekje omhoog.
“Wat bedoel je?”
“Wat ik zeg. Waar doet een gelukskoekje je aan denken?”
Ik kijk naar het halfronde deeg, met in het midden een vouw die aan een kant nauw is en zich aan de andere kant licht opent.
“Een mondhoek?” vraag ik aarzelend.
Ze glimlacht.
“Kijk goed,” zegt ze en ze draait het koekje een kwartslag zodat de vouw een verticale lijn vormt, met de verdikking in het deeg aan de bovenkant.
“Ik zal je helpen,” zegt ze. Haar stem is anders nu.
Ze sluit haar ogen en brengt het koekje langzaam naar haar mond. Haar lippen openen zich, ze draait het koekje in haar vingers om en laat haar tong langzaam door de vouw naar boven glijden. Op het puntje dat iets naar voren steekt houdt ze halt.  Mijn hoofd tolt en mijn hart staat stil als ze de beweging tergend langzaam herhaalt.
“Nu jij,” fluistert ze en reikt me het koekje aan. Het personeel is te druk om te zien hoe ze mijn blik vasthoudt, hoe ze haar amandelvormige ogen tot spleetjes vernauwt en licht achterover leunt. Met één hand streelt ze haar slanke hals, de andere verdwijnt onder de tafel. Ik doe wat zij deed en voel hoe mijn tong het deeg verzacht. De bewegingen van haar bovenarm en haar ademhaling verraden het synchrone ritme van een verborgen hand. Haar mond vormt steeds opnieuw twee woorden die ze niet uitspreekt maar die me oorverdovend hard raken.
Lik me.
Als de gehaaste ober achteloos de betaling oppikt brengt ze haar hand tevoorschijn. Ze pakt het gelukskoekje uit mijn hand. Nog één keer streelt ze zacht de vouw in het midden met haar vingers, die glimmen van haar vocht. Nat en verzadigd breekt het koekje open. De papieren inhoud dwarrelt naar  het damast.
“Je weet dat ik ze nooit eet, maar dit keer maak ik een uitzondering.”
Ze glimlacht opnieuw als ze me de helft van het gelukskoekje aanreikt en zelf het andere stukje in haar mond neemt. Ik sluit mijn mond zacht om haar slanke vingers en eet uit haar hand, zoet en zilt.
“Kom,” gebiedt ze en staat op.
Ze grist haar spullen bij elkaar en als ze mijn hand pakt lees ik nog de boodschap op het briefje. 

A ship in a harbour is safe. But that’s not the reason ships are built.

 Voor wijze woorden hoef je niet altijd in een tempel te zijn.

(Inzending voor ronde 7 van de EWA Schrijfmarathon)

Een verhaal in een verhaal

Het was een half jaar na mijn scheiding. Heel langzaam begon ik mijn draai weer te vinden na een emotionele en ingrijpende tijd, en mijn baan in het hotel hielp me daarbij. Ik was met mijn 40 jaar veel ouder dan de meeste van mijn collega’s, over het algemeen studenten van begin twintig die in de bediening werkten om hun studiebeurs wat aan te vullen. Voor mij was het nu mijn financiële houvast en iedere dag nog was ik de eigenaar van het hotel, een persoonlijke vriend, dankbaar dat hij me deze baan had gegeven om wat zekerheid te hebben in een moeilijke periode.

Lees verder

De Nacht op het Eiland

De hele nacht heb ik met je geslapen
aan zee, op het eiland.
Woest en zacht was je tussen het genot en de slaap,
tussen vuur en water.

Heel laat misschien
werden onze dromen één
in de hoogte en de diepte,
daarboven zoals takken door dezelfde wind bewogen,
beneden zoals rode wortels die elkaar raken.

Misschien maakte je droom
zich van de mijne los
en zocht me
op de donkere zee
zoals vroeger
toen je nog niet bestond,
toen ik zonder je te ontwaren
aan je voorbijvoer,
en je ogen zochten
wat ik je nu
—aan brood, wijn, en woede—
met volle handen geef
want je bent de kelk
die op mijn levensgaven wachtte.

Ik heb met je geslapen
de hele nacht, terwijl
de donkere aarde draait
met levenden en met doden,
en bij het plotseling ontwaken
in de volle schaduw
omvatte mijn arm je middel.
De nacht noch de slaap
konden ons scheiden.

Ik heb met je geslapen
en bij het ontwaken schonk je mond
—uit je droom gestapt—
me de smaak van aarde,
van zeewater, van algen,
uit het diepste van je zijn,
en ik ontving je kus
vochtig door de dageraad
alsof hij tot me kwam
vanaf de zee die ons omringt.

**

Pablo Neruda, La Noche en la Isla. Uit: Los versos del capitán, 1952.

Vertaling ©Mahotsukai 2015

 

Artho’s Biecht

“Vergeef me, ik heb gezondigd.”

Ik ken alleen je engelzachte stem en je duivelse ontboezemingen. Ik ben jong genoeg om de verlokkingen die je me toevertrouwt te begrijpen, ik ontbeer de wijsheid om er weerstand aan te bieden.

“Ik weet dat je geweten je plaagt. Maar als je eerlijk bent, niets achterhoudt en berouw toont zal God je opnieuw in zijn armen sluiten. Vertel me je zonden.”
“Ik heb lustvolle gedachtes. Lust omgeeft me. Voortdurend.”
“Voortdurend?”
“Ja, voortdurend. Ook nu.”

Mijn hart klopt in mijn keel. Slechts een houten wand en een gordijntje scheiden ons. Dat, en mijn geweten. Toen je enkele weken geleden voor het eerst in mijn biechtstoel kwam, dacht ik dat jij degene was die op de proef werd gesteld, dat je mijn absolutie nodig had om met jezelf in het reine te komen. Inmiddels weet ik beter. Jouw hunkering is de mijne geworden, het is mijn beproeving. Waarom doe je dit? Waarom geef je me vleugels als je weet dat ik niet mag vliegen? Ik zou je moeten verbannen van deze heilige plek, ik zou dit gesprek moeten afkappen, nu.

“Vertel me meer.”
“Ik fantaseer, Artho. Je vindt het toch niet erg als ik je Artho noem? Ik weet dat je zo heet. Ik fantaseer over jou. Ik fantaseer over het lichaam onder je soutane. Ik kom naar de mis om je te zien, ik kom om naar je te luisteren. Maar het is alsof je mijn lijf binnendringt en ik niet anders kan dan gehoorzamen aan de beelden in mijn hoofd.”
“Ook nu?”
Het gordijn gaat een klein stukje opzij. De slanke vingers van je hand reiken me een stukje stof aan.
“Ja, ook nu.”

Je trekt je hand terug. Je vochtige geur, in kant gevangen, dringt door in het binnenste van mijn geplaagde ziel. Dit moet stoppen.

“Vertel me meer.”
Ik hoor hoe je ademhaling versnelt en je stem trilt.
“Alles is al gezegd, Artho. Mijn beelden zijn ook de jouwe, dat weet ik. Jij fantaseert ook over mij. Geef eraan toe. Stop met vragen, luister naar de schoonheid van mijn lust. Begeleid me.”
“Maar ik…”
“Ssst!”

Weerloos gehoorzaam ik en ontbloot ik mijn harde geslacht. De rusteloze ademhaling van ons verlangen doorsnijdt de koude stilte van eeuwen. Ik sluit mijn ogen en zie de beelden die bij het vochtige geluid horen: wijdbeens doop je je vingers in je eigen vocht en verlos je jezelf. Ik vergezel je, zoals je me hebt opgedragen. Schitterender heb ik zonde nooit gezien.
Samen spoelen we aan in een branding van lust. Als de golf zich terugtrekt blijf ik alleen achter, een schipbreukeling, het warme schuim van mijn schuld gevangen in jouw kant.

(Inzending voor ronde 6 van de EWA Schrijfmarathon)

Littlewood’s Law

Fletse zonnestralen verdrijven slechts langzaam de mist. Mijn schoenen knarsen op de kiezels van het kerkhofpad, en de ochtendkilte versteent de sporen van zwarte dromen in mijn hoofd. Ik denk aan Littlewood’s Law.

Premisse: Gemiddeld is één op de miljoen gebeurtenissen een wonder.

Sinds het ongeluk heeft de maan de aarde één keer omcirkeld. Keer op keer dicteert de pijn me naar Sophia’s graf, en telkens lokt de troostbelofte van alcohol me weer snel daar weg. Als ik zo doorga, hoor ik binnenkort bij de permanente bewoners van deze plek. Verderop staat een groep mensen bij elkaar rondom een verse wond in de aarde. Mijn kiezelknarsen stopt en ik luister naar het geluid van verdriet. Een snik. De woorden van de priester. Loodzware leegte. De rook van mijn sigaret danst als een geest in de ijle lucht. Ik vervolg mijn weg.

Premisse: Een mens is gemiddeld gedurende acht uur per dag wakker en maakt dan iedere seconde een gebeurtenis mee.

Het zijn niet de stenen doodsengelen aan weerszijden van het grote familiegraf die me tegenhouden, maar de geluiden die door de geopende deur naar buiten zweven. Ik kan de verleiding niet weerstaan en werp een blik naar binnen.
Een man en een vrouw. Zwarte rouwkleding die haastig en hoognodig opzij is geschoven voor de naaktheid van heimelijke passie. Zij ligt op haar rug op het kleine altaar, haar borsten ontbloot. Hij knielt voor haar, heeft zijn handen op de onderkant van haar dijen en dwingt haar gekouste benen omhoog naar de hemel. Haar zwarte kanten slipje is op kniehoogte gespannen; het dwingt haar benen dichter bij elkaar dan ze eigenlijk wil. Ik zie haar natte glinstering.
“Geduld. Nog even, dan mag je ze spreiden.”
Zijn stem sterft in de klamheid van de oude muren, zijn tong spreekt nu. Ze laat hem toe, werpt haar hoofd met een kreet naar achteren en kromt haar rug tot een sierlijke brug van genot. Hier, in het huis van de dood, wordt levenslust herboren. Als de goden ons verlaten is er geen andere keuze dan overvloedig te offeren aan het leven. Ik laat hen achter, verlaat het kerkhof en denk aan Littlewood’s conclusie.

Je mag gemiddeld iedere vijf weken een wonder verwachten.

Een maand geleden brak een klap van staal en aluminium Sophia’s lichaam. Ik geef Littlewood het voordeel van de twijfel. Nog een week overleven, dan wordt alles beter.

(Inzending ronde 5 van de EWA Schrijfmarathon. John Edensor Littlewood (1885-1977) was een Brits wiskundige.)

De Kalahari Roos

Binnenkort verschijnt De Kalahari Roos van Emanuel Claessens (ook bekend onder het pseudoniem Luckyman) bij uitgeverij Eroscripta. Het is een prachtige verhalenbundel; ik weet dat, want ik kreeg een sneak preview en mocht er een inleiding bij schrijven. Die kun je hier (of hier) al lezen; publicatie van het boek staat gepland voor eind april.

Face à la Mer

Volgzaam was ik nooit, maar op die zomerdag liet ik me aan je hand meevoeren naar een onbekende bestemming.
Ik herinner me het dijkhuisje en het uitzicht op zee. We knielden. De zachtheid van jouw lichaam vóór me en zijn mannenwarmte in mijn rug vormden een cocon van begeerte waaruit ik niet kon en niet wilde ontsnappen. Voor het eerst proefde ik de lippen van een vrouw. Vier ervaren handen ontdeden me met geveinsd geduld van mijn kleding. Ik zag geilheid in je ogen toen je je vingertoppen over mijn tintelende huid liet glijden, langs mijn hals, omlaag, naar mijn borsten, neerwaarts, naar mijn buik, mijn dijen en – eindelijk- tussen mijn benen. Je ogen glinsterden toen je mijn lipjes spreidde en je het bewijs vond waar je zo naar had verlangd.
“Wat ben je nat,” fluisterde je.
De sporen die je met jouw vingers en mijn vocht over mijn wang trok wiste hij met zijn tong onmiddellijk weer uit, alsof hij wilde onderstrepen dat dit pad alleen voor ons was bestemd. Jij leunde achterover en spreidde je benen. Je ogen hielden me vast toen je me liet me zien hoe je jezelf vingerde. Zijn hand in mijn haar dwong me voorover, dichtbij je. Jouw lust was de mijne geworden; ik wilde je ruiken, proeven, drinken. Dat mocht ik pas na je verlossende woorden.
“Neuk haar. Neuk haar voor mij.”

Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt.
Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt.

(Inzending voor ronde 4 van de EWA-schrijfmarathon)

Een Slotgedachte

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Tevergeefs zoekt ze in de kieren van haar geheugen naar zijn naam. In plaats daarvan vindt ze zijn zachte lach, in een tijd ver van hier. Ze waren jong genoeg om nog niet te beseffen dat onsterfelijkheid slechts kort zou duren. De warmte van de herinnering verjaagt de kille mist die over haar verleden ligt en geeft haar weer even adem.

Een sleutel is gekarteld. Elk scherp hoekje en iedere inkeping is belangrijk. Ze tillen alle sluitpinnetjes in het slot tot precies de juiste hoogte om de cilinder te laten draaien. Het eerste pinnetje viel op zijn plaats toen hij haar kuste, het tweede toen hij haar lichaam met jeugdige onbeholpenheid ontkleedde. De warme, natte cirkels van zijn tong  klikten het derde pinnetje op zijn plek. Ongeduldig verwelkomde ze zijn jonge, gespierde lichaam. Met een gesmoorde kreet van pijn, en niet veel later een extatische schreeuw van genot ging het slot van haar hart open en nam ze afscheid van het onwetende kind in haar ziel.

 Een man in het wit zit naast haar. Ze kent hem niet, maar de warmte van zijn hand op haar voorhoofd en zijn zachte glimlach zijn troostend. Vanaf het moment dat ze de sleutel kreeg heeft ze vertrouwd op de taal van een blik. Waar monden vaak naar de juiste woorden zoeken, spreken ogen vloeiend stilte.

Nog één keer ademt ze. Dan omklemt ze haar sleutel en opent rustig de allerlaatste deur.

(inzending ronde 3 van de EWA-schrijfmarathon 2017)