De Lotus – slot

De Lotus – deel 1
De Lotus – deel 2

 

Aarzelend kom je binnen, maar je ogen hebben je al verraden.
Je staat voor mijn boekenkast, bekijkt de titels maar ik weet dat het je niet kan schelen wat ik lees. Je complimenteert me met de inrichting van mijn huis, maar ik weet dat je gedachten niet bij mijn interieur zijn.

Je denkt aan mij.

Je bent een stille man, en beetje verlegen zelfs. Dat maakt je spannend, weet je dat? Dat vond ik al die woensdagen in de Lotus al, en nu, in mijn eigen huiskamer, laat ik het even zo. Want ik weet wat er in je hoofd speelt, ik ken het verlangen achter die façade van terughoudendheid.

Je wil mij.

Ken je dat? Het moment dat je weet wat er gaat gebeuren, het moment dat de dingen onvermijdelijk geworden zijn… maar dat het nog niet zover is en je het uitstelt, het verlangen en de lust laat groeien? Dat is dit moment. Jij weet het, ik weet het ook. We praten over koetjes en kalfjes, en ik vraag me af hoe lang je dat volhoudt. We kennen elkaar nauwelijks, en toch heb ik je laten zien hoe ik mezelf aanraakte, aan tafel, bij de Lotus. God, wat wilde ik dat, en god, wat wilde ik dat het jouw hand was die me streelde. Dat weet jij ook. En daar zit je, met je glas wijn, beleefd en bijna stoïcijns, alsof er niets is gebeurd. Maar ik doorzie je.

Je wil me neuken.

En ik? Ik wil dat je afmaakt waaraan we begonnen zijn. Ik wil dat jouw vingers met me spelen, ik wil dat je je laat gaan en neemt wat vanavond van jou is. Ik heb nodig wat er verscholen ligt achter je stilte, ik hunker ernaar en het maakt me geil. Zie je dat dan niet?

Ik wil dat je me neukt.

Ik moest te snel weg, vanmiddag. Ik wilde dat je me nam in dat steegje. Ter plekke, zo geil was ik van je. Maar ik heb je een beetje beloond, toch? Wat dacht je, toen je mijn voicemail hoorde? Vond je het lekker? Wond het je op om te luisteren en geen woorden te horen, maar de kreunende geluiden van een opgewonden vrouw die op jou geilt en de soppende geluiden van mijn eigen vingers? Ik bracht mezelf tot het randje, dat heb je vast gehoord. Ik heb het niet afgemaakt, omdat ik wil dat jij dat doet; jij in persoon en niet de gedachte aan jou. Ik stelde het uit. Toe, speel je voicemail nog eens af zodat we er samen naar kunnen luisteren, en dan zal ik je laten zien wat ik deed…
Hoor je het? Je wil weten wat ik deed, hè? Je wil het zien. Ik wil het je laten zien. Ontspan en kijk.Net als nu zat ik met mijn benen gespreid op de bank, mijn hand in mijn slipje. Vanmiddag had ik een telefoon in mijn hand en mijn ogen gesloten, nu kijk ik je aan. Vind je het mooi om te kijken? Word je er geil van? Kijk maar, en geniet. Ik zie je aarzeling en je lust, je zit in je fauteuil en je weet wat je te doen staat. Luister met me naar mijn voicemail. Ik heb nooit eerder gehoord hoe ik klink als ik met mezelf speel. Maar nu het zover is windt het me op, het is een echo van mijn lust. Ik zie hoe je staart naar mijn hand die, verborgen achter het zwarte kant van mijn slip, perfect synchroon beweegt met de geluiden die je hoort.

Kijk naar me. Doe mee. En daarna… daarna mag je me nemen. Daarna moet je me neuken.

Je bent mooi als je jezelf aftrekt. Je bent prachtig als je naar me verlangt. Je bent hard. Weet je hoe opwindend dat is? Dat je niet als een dwaas naar me toe stormt, maar mijn verlangen vergroot door met me mee te spelen, op twee meter afstand. Je hand maakt lange halen en laat me zien hoe je me wil neuken. Diep en hard. En zo maak je me nog natter. Kijk. Kijk maar, want ik wil je nog harder. Kijk wat je ziet als ik het kruisje van mijn slipje opzij trek. Ja… precies dat. Ik zie de bewegingen van je hand versnellen. Je ziet hoe mijn glinsterende vingers het stof opzij trekken. Zie je het? Ik ben nat en open. Voor jou.

Ik wil dat je kijkt hoe ik de laatste stukjes zelfbeheersing uit dat stille hoofd van je wegvinger. En als je weerstand eindelijk is gebroken en je de twee meter die ons scheiden overbrugt, wil ik dat je in me komt. Geen Lotus meer, geen fortune-cookies, geen voicemail, maar wij samen. Laat je gaan. Neuk me. En als je me straks schoonlikt wil ik dat mijn slipje half verscheurd om mijn dij ligt, als een stille getuige van je ongeduld. Je ongeduld om eindelijk te nemen wat de hele dag al van jou was.

 

Advertenties

De Schuldformule

Het is het lot van een natuurkundige: de obsessie met het onlosmakelijke verband tussen oorzaak en gevolg. Met de hypnotiserende cadans van de trein als tikkende klok overdacht ik de reis die achter me lag. Het verdriet waarmee ik mijn trip  was begonnen was weliswaar verdwenen, maar ik zocht nog steeds naar causaliteit, naar de variabelen die ervoor hadden gezorgd dat zij uit mijn leven was weggerukt. Ik zocht naar een Wet van Wrok, naar een Schuldformule. Over haar ga ik nu niets meer vertellen. Ze was er niet meer en zou ook nooit meer terugkeren. Ik had wolken gekust en was met een smak op aarde teruggegooid.

Ik keek uit het raam van mijn coupé. Die middag waren we vertrokken uit Istanbul, waar ik een aantal maanden eerder berooid was aangekomen na een reis van een jaar door het Verre Oosten. Ik had er een baantje gevonden als privéleraar van een jong meisje met een talent voor exacte vakken. Haar vader gaf me een prima honorarium en als bonus boekte hij een ticket op de Oriënt Express voor mijn terugreis.

Tijdens mijn jaar in Azië had ik me verplaatst in derdeklas-coupés en aftandse bussen, met opdringerige medepassagiers en de stank van hun meereizende veestapel. Nu was er de gedistingeerde afstandelijkheid van vermogende reizigers en de geur van Chanel. Ik voelde me weemoedig. Overvloedige luxe vult nu eenmaal nooit de leegte in een hart.

Toen het te donker was geworden om nog iets van het landschap te kunnen zien stond ik op, controleerde het koperen slot van mijn coupé en maakte me op voor de nacht. Het zal een paar uur later zijn geweest dat ik wakker werd van een gedempte schreeuw. Ik luisterde roerloos. Er was een kreet, en nog een, en even later nog een. Ik stond op het punt poolshoogte te nemen, toen het kwartje viel. Ik glimlachte in het donker. Dit waren geen noodkreten; dit was extase. In het compartiment naast het mijne werd de liefde bedreven en mijn buurvrouw – want het was onmiskenbaar een vrouw – deed dat met overgave. Terwijl ik geamuseerd bleef luisteren moest ik denken aan Agatha Christie’s roman, waarin Poirot’s slaap op de Oriënt Express wordt verstoord door de doodskreet van Samuel Ratchett.
Uiteindelijk werd het stil. Het enige dat ik nog hoorde was hoe een deur zich opende en sloot, en hoe voetstappen in het gangpad oplosten in de nachtelijke stilte.

Er was inderdaad geen moord gepleegd, want toen ik in de ochtend mijn coupé verliet op weg naar het ontbijt stapte ook mijn buurvrouw de gang in. Ik keek net iets te lang naar haar, een stijlvolle brunette met opgestoken haar. We knikten elkaar beleefd toe, liepen naar de saloncoupé en zochten onze plaatsen. Ze ging aan de tafel tegenover de mijne zitten. Tot mijn verbazing schoof er niemand bij haar aan. Reisde ze alleen? Terwijl ik ontbeet gleed ik als vanzelf in de rol van detective, nam mijn medepassagiers in me op en zocht aanwijzingen. Wie was er die nacht bij haar geweest?
Verderop zat een ouder echtpaar, onmiskenbaar Brits.
Uitgesloten.
Iets verderop een man van middelbare leeftijd, goedgekleed en in gedachten verzonken boven een notitieblok, met de droevige ernst van een schrijver.
Mogelijk.
Dan nog een blonde jonge vrouw alleen aan een tafeltje, met een opvallende tatoeage van het Horusoog – de Wedjat – aan de binnenkant van haar onderarm.
Lag niet voor de hand.
Achteraan, twee jonge mannen met baard en dure horloges die met ernstige blik over zaken praatten. Eén van hen? Een trio?
Het zou kunnen.
Het personeel was er natuurlijk ook nog. Ik keek naar de knappe ober die mijn buurvrouw koffie inschonk en merkte toen pas dat ze naar me keek. Ze nam haar kopje, stond op en liep in mijn richting.
“Heeft u bezwaar als ik aanschuif?” vroeg ze. Haar zangerige accent verraadde een Franse afkomst.
Ik maakte een uitnodigend handgebaar. Ze nam plaats aan mijn tafel.
“U bent een observator. U kijkt en neemt iedereen in zich op. Ik vraag me af waarom,” zei ze met een speelse glimlach. Ik besloot mee te spelen.
“Kunt u een geheim bewaren?” vroeg ik retorisch. “Ik ben een detective en probeer te achterhalen wie het gedaan heeft.”
Mon Dieu!” giechelde ze. Wie wat gedaan heeft? Er is toch niets ernstigs gebeurd?”
“Tot dusver slechts vreemde geluiden in de nacht,” antwoordde ik.
“Zozo. Ik hoop dat ik geen verdachte ben! Ik ben Julie, overigens.”
“Geen verdachte, maar wellicht het slachtoffer. Oscar, aangenaam.”
Ik zag aan de glans in haar ogen dat ze precies wist waarover ik het had.
“Als je die geluiden vreemd vindt heb ik een beetje medelijden met je, Oscar.”
“Tja. Het was een lange en eenzame reis.”
“Vertel.”
Ik liet mijn detectivewerk voor wat het was en vertelde over het afgelopen jaar. Hoe ik had geprobeerd de demonen in mijn hoofd te doden. Hoe ik was verzand in het zoeken naar oorzaken. Julie luisterde aandachtig. Het luchtte me op dat ik mijn gedachten kon delen met deze charmante en mooie vrouw. Julie op haar beurt liet over haar leven niet veel los. Ze was in goeden doen, dat was me snel duidelijk.
“Het protocol in Parijs is verschrikkelijk,” zei ze. “Af en toe spuug ik het gif van de stad uit en vlucht ik, zoals nu.”
Toen we van tafel opstonden gaf ze me een zoen op mijn wang.
“Ik zou het leuk vinden ons gesprek bij het diner voort te zetten. En natuurlijk breng je dan verslag uit van je onderzoek, monsieur l’inspecteur,” voegde ze er met een glimlach aan toe.

Ik staarde de rest van de dag naar letters in een boek en de regen buiten. Regelmatig dwaalden mijn gedachten af naar de mooie Julie.
Ik had voor het avondeten mijn best gedaan iets toonbaars uit mijn versleten rugzak naar boven te halen, maar het stak schril af bij de elegantie van mijn tafeldame. Het eten was verfijnd, ons gesprek geanimeerd en door de wijn onverhuld flirterig.
“En, ben je al wat gevorderd in je recherchewerk naar die schandelijke misdaad?” vroeg ze.
Ik zag hoe Julie’s vingers het zachte blanke landschap tussen haar decolleté en haar hals beroerden.
“Zoals het hoort zoek ik naar motief en gelegenheid,” antwoordde ik. “Dat is nog niet zo gemakkelijk in deze zaak.”
“Dat valt me een beetje van je tegen. Ik zal je een beetje helpen.”
Ze pakte mijn hand en vormde die met haar slanke vingers tot een vuist. Ze doopte haar vinger in een restje olijfolie dat op haar bord was achtergebleven.
“Aanwijzing één: de dader is hier, in de trein.”
Zachtjes smeerde ze de olijfolie met de top van haar vinger uit over de bovenkant van mijn gebalde vuist en keek me strak aan.
“Aanwijzing twee: de gelegenheid is er ook nog, in de vorm van mijn coupé.”
Op het moment dat ze die woorden uitsprak liet ze haar vinger, glad van de olie, langzaam in mijn vuist glijden.
“Ten derde: het motief gaat nooit weg. Dat motief heet lust.”
We zwegen en keken elkaar aan. Ik had het warm. De reiskilometers hadden mijn herinneringen aan lichamelijk contact vervaagd; door haar aanraking en haar woorden kwamen ze nu met een schok weer tot leven. Ik kneep mijn vuist dicht en omklemde haar geoliede vinger.
“Ik fris me even op,” zei ze toen. “Kom over een half uurtje naar mijn coupé. We zullen je mysterie samen oplossen.”

Op het afgesproken tijdstip klopte ik op haar deur. Ze deed open, oogverblindend mooi. Ze droeg een zwart satijnen negligé met een witte kanten zoom en haar lokken golfden om haar fijne gezicht.
“Oh sorry”, stamelde ik. “Je bent nog niet zover.”
Ze pakte mijn hand en trok me zachtjes naar binnen.
“Jawel hoor, Oscar. Ga zitten. Champagne?”
Toen ik de coupé binnenstapte kwam de volgende verrassing. Op een van de banken zat de blonde  vrouw met de tatouage van het Horusoog op haar arm. Ze nipte van haar champagne en keek me verleidelijk aan.
“Oscar, dit is Daphne. We zijn al jaren goede vriendinnen, maar – hoe zal ik dat zeggen? – de sociale conventies verhinderen dat we elkaar vaak zien. Een korte jaarlijkse vakantie is de enige voeding die we aan onze vriendschap kunnen geven.“
Terwijl Julie zich naast haar vlijde gaf ik Daphne een hand, ging tegenover hen zitten en kreeg een glas aangereikt.
“Oscar is natuurkundige, reiziger en detective en hij heeft zich de hele dag het hoofd gebroken over wat er zich in deze coupé afgelopen nacht heeft afgespeeld, ma cherie. Zullen we het hem laten zien?”
Ik verslikte me toen Daphne als antwoord haar handen op Julie’s knieën plaatste en haar benen met een korte, felle ruk opende.
“Je bent toch een observator? Kijk dan maar,” zei Julie met hese stem.
Terwijl hun tongen elkaar vonden in een vochtige dans zag ik hoe Daphne’s vingers hun weg zochten, langs Julie’s dijen omhoog, naar de plek die zich voor mijn ogen opende en glinsterde van verlangen.
Daphne maakte zich nu los van de bank en knielde tussen Julie’s benen, met haar billen in mijn richting. Een zucht ontsnapte aan Julie’s vochtige mond toen Daphne haar begon te likken. Julie’s ogen lieten de mijne niet los.
Ik verloor mijn schroom, tilde Daphne’s rokje op en stroopte haar zwart-kanten slipje omlaag, tot net boven haar gebogen knieën. De geluiden en de geur van de twee vrouwen maakten iets in me wakker wat ik lang niet had gevoeld.
Terwijl ik Julie liet zien hoe ik masturbeerde, ging het duet van twee vrouwen verder. Hun schaakspel was teder en ruw tegelijk. Voor ik het wist proefden ze elkaar en herinnerden me aan de Franse origine van soixante-neuf.
Daphne strekte haar hand naar me uit.
“Kom bij ons, Oscar.”
Natuurlijk was ik opgewonden, maar ik voelde ook ontroering dat deze twee vrouwen me zonder aarzeling of ratio onderdeel maakten van hun warme cirkel. Ik ontdeed me van mijn laatste kleding en knielde schrijlings boven Daphne’s hoofd. Julie spreidde haar benen verder, klaar om me te ontvangen. Daphne omvatte mijn pik en stuurde die doelbewust langs Julie’s clitoris en haar schaamlippen, als een kunstenaar die schildert in natte verf, en leidde me zo naar Julie’s glinsterende hart. Ze verplaatste haar handen en duwde tegen mijn billen. Ze sprak de woorden niet en toch hoorde ik ze: neuk haar, neuk haar nu!
Ik greep Julie’s heupen stevig beet en stootte mijn onderlichaam hard naar voren. Ze ontving me met een schreeuw van genot, een schreeuw die ik herkende. Dit keer was ik de dader en ik was blij dat ik schuldig was. Terwijl ik voelde hoe Daphne’s vingers ruw langs Julie’s clitoris op en neer bewogen, neukte ik Julie.
De ultieme opwinding is niet het lichaam van een vrouw, maar de blik in haar ogen wanneer ze haar ziel aan lust overgeeft. Toen ze zich omdraaide, haar mond open en haar ogen verwijd, liet ik me gaan. Met haar bruine haar in mijn vuist trok ik haar naar me toe en met een schreeuw kwam ik in haar klaar. Daphne leidde me uit haar en laafde zich aan het ziltzoete mengsel van ons vocht tussen Julie’s dijen.

Enkele uren later werd ik wakker met de zijdezachte huid van twee slapende vrouwen tegen mijn lichaam. Ik maakte me voorzichtig los uit onze omstrengeling, schoot wat kleding aan en verliet stilletjes de coupé. In het gangpad opende ik een raampje en snoof de kille lucht van de ochtendschemer op. Meer dan ooit realiseerde ik me dat ik mijn hele leven naar voorspelbare zekerheden had gezocht terwijl schoonheid juist ligt in het omarmen van het toeval. Ik was klaar met mijn recherche naar de cynische scriptschrijvers van mijn lot. Weemoed is het lijk van een gestorven droom, had Daphne gefluisterd toen we gedrieën samenlagen en ze een traan van mijn wang had gekust. Een Schuldformule zou ik nooit vinden, en ik besloot dat het verleden er niet meer toe deed. Ik was op weg naar huis.

(Inzending voor de finale van de EWA Schrijfmarathon 2017). Winnaar!

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

 

 

Adrastos

Een half jaar later, toen hij in het zand knielde met een roos in zijn ene en een pistool in zijn andere hand, herinnerde Nick Adrastos zich de eerste keer dat hij de zee had gezien. Nu lag ze als een donkere spiegel uitgestrekt voor hem. Hij huiverde. Er was storm op komst.

Lees verder

El Corazón de las Tinieblas

En los destinos remotos que él solía visitar, simplemente le conocían como Marlow. Sólo su pasaporte mostraba su verdadero nombre, una reliquia de un anodino y lejano pasado.

Un hombre inteligente, navegando por el río de la vida entre orillas de locura de las que no podía formar parte. Sus compañeros de viaje: Desenvoltura y Soledad; el primero siempre en la superficie, el segundo profundamente escondido, un vacío enorme que nadie podía llenar. La vida había ahondado los surcos de su cara y había endurecido su corazón.

A los ojos de las mujeres no pasaba desapercibido. Cedían a Desenvoltura y alimentaban a Soledad. Ellas eran las lanchas que necesitaba para llegar a las orillas, para sentir tierra firme bajo sus pies, y para llenar por un segundo – solo un segundo– el hueco en su pecho. Le gustaba el contraste entre su curtida piel y la dulzura de sus caricias, amaba el sonido de su respiración acelerada, asfixiada por un beso abrasador. Cuando sentía sus uñas por su espalda, en el momento en que se entregaban, sabía que todavía vivía. Los muslos que le rodeaban eran su ancla en ese mundo ajeno donde no quería quedarse. Pero el vacío regresaba, regresaba cuando ellas, en un momento de éxtasis, pronunciaban su nombre.

“¡Marlow!”

Podía ser tras un grito o en un tierno susurro… Pero su verdadero nombre siempre quedaba escondido.

Nachtheksen

lancaster_denhaag4type

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Luckyman voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Luckyman. 

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon.
‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!’

Lees verder

Sunset Hotel

Ik kijk opzij naar de zachte golvingen van je lijf. Je ligt roerloos. De ondergaande zon die door de open balkondeuren van de hotelsuite naar binnen valt kleurt de huid van je rug en accentueert de donshaartjes in je nek. Je voeten heb je begraven in de kreukelige lakens, alsof je wortel wil schieten in dit zachte bed. Maar voor jou is het te vroeg om te aarden. Je hebt nog dingen te doen, er wordt nog iets van je verwacht. Je bent jong en mooi, je houdt van muziek die ik niet ken. Je had mijn dochter kunnen zijn. Ik ben je dankbaar, omdat je me mijn schuld laat afkopen. Ik ben gek op je, omdat je zo goed kunt verbergen dat je niet echt van me houdt. Je bent wat ik verdien.

Ik stap uit ons bed en steek een sigaret op. Ik kijk uit over de zee en denk aan mijn vader. Toen hij weduwnaar werd was hij drie jaar ouder dan ik nu ben. Zo goed en zo kwaad als het kon droeg hij zijn verdriet met zich mee. Hoe hij het kon verzachten wist hij niet, hoe ik hem kon helpen had hij me nooit geleerd. Zo lag de dood van mijn moeder als een gapend gat tussen ons in en waren mijn vader en ik door leegte verbonden. Acht jaar lang zwegen we, tot ook hij overleed. Ik heb daarna geprobeerd mijn leven op te pakken en er het beste van te maken, maar wat hij me naliet was een geketend hart. Ik was succesvol in mijn zaken, maar de belangrijkste dingen in het leven zijn altijd een te grote verantwoordelijkheid voor me geweest. Herken je dat? Natuurlijk, je maakt me immers iedere dag mee.

Niet dat je er iets aan kan of moet doen, lief. Het is goed zo. Misschien komt het voor jou nog, dat moment waarop je je de omvang en de onvermijdelijkheid van de kloof realiseert. Wanneer je op een dag, net als ik lang geleden, met een schok moet erkennen dat je op je ouders bent gaan lijken, ook al had je je nog zo voorgenomen beter te worden dan zij. Niet lang daarna zul je je realiseren dat ze er met al hun goede bedoelingen vooral in geslaagd zijn hun eigen angsten op jou af te wentelen. Ze hebben hun strijd en hun demonen de jouwe gemaakt, en laten je achter met roestig gereedschap. Hier, sleutel het zelf maar in elkaar; het leven als een IKEA-kast zonder handleiding. Maar, lief, zo moet het zijn. Het startschot voor volwassenheid ligt ook in kwaadheid en teleurstelling. Ik zal mijn best doen die voor jou niet groter te maken, dat garandeer ik je. Meer dan dat durf ik je niet te beloven, ook die verantwoordelijkheid is me te groot.

Ik neem plaats in de fauteuil naast het bed en kijk naar je. Langzaam verlaat de slaap je gebruinde lijf. Je draait, je woelt, en het ontroert me als je ergens in de schemer tussen droom en werkelijkheid je arm opzij beweegt, op zoek naar mijn lichaam dat er niet is. Je opent je ogen en kijkt me aan. Dan glimlach je en strek je je hand naar me uit. Jij vraagt niet naar mijn verleden, ik bemoei me niet met jouw toekomst. Dat is de afspraak, en wat resteert is de lichtheid van het heden.

“Kom bij me.”
Ik ga naast je liggen. Ik ken je huid, ik ken het antwoord van je lichaam op de strelende vraag van mijn vingers. Je komt overeind en knielt schrijlings over mijn borst. Je kijkt me aan.
“Je ziet er moe uit, oude man.”
Je bent de enige van wie ik die aanspreektitel glimlachend verdraag.
“Weet je wat jij nodig hebt? Levensnectar. En laat ik die nou net in overvloed hebben.”
Je verplaatst je omhoog en knielt boven mijn hoofd. Je blijft me aankijken als je je schaamlippen spreidt en jezelf langzaam begint te strelen. Ik pak je strakke billen beet en trek je naar mijn mond. Ik weet dat je het heerlijk vindt om zo gelikt te worden. Je armen zoeken steun tegen de muur achter mijn hoofd en je lichaam beweegt in een steeds woester ritme mee met mijn tong. Als je schokkend klaarkomt en me laat drinken van je jeugd voel ik hoe de last van jaren van me afglijdt. Het is maar voor even, dat weet ik, maar naar eeuwigheid zoek ik niet meer.

Weet je, lief? De generatie vóór je begrijp je pas als je je realiseert dat je, net als zij, vergeefs hebt geprobeerd je dromen te realiseren. Dat geeft niet, het is  ons lot. En mijn vader? Uiteindelijk was ik dol op hem, omdat hij zo slecht kon verbergen dat hij echt van me hield.

(Inzending voor ronde 8 van de EWA Schrijfmarathon 2017)

De Lotus (2)

Naast de Lotus ligt een doodlopend straatje. Het doet denken aan een groezelig steegje uit een Amerikaanse film, waarin de held vlucht als hij achterna gezeten wordt door gangsters, zich een weg baant langs een nietsvermoedende zwerver en een paar vuilcontainers, en aan het einde nog net aan zijn belagers kan ontsnappen door over een roestig hek te klimmen. Ik daarentegen heb geen intentie om te vluchten als ik me gewillig aan haar hand laat meenemen. Zij en ik, we creëren onze eigen film en ik wil niets liever dan weten hoe het plot zich ontvouwt. Naarmate we verder het straatje in verdwijnen sterven de geluiden van de stad uit tot ze niets meer dan grijze tonen zijn, een kosmische achtergrondruis in ons eigen universum. We storen een hond in zijn zoektocht door het afval, en als het beest schielijk zijn hielen licht zijn we eindelijk alleen. Ze laat mijn hand los en gaat met haar rug tegen een van de muren staan. Daar staat ze, bewegingsloos, met haar handen naast haar lichaam tegen de koude stenen. Ze heeft me losgelaten maar als ik haar zo zie, kwetsbaar, weerloos bijna, is het alsof ze mijn hele wezen omarmt. Alsof ze zegt: “neem me, neem alles wat je wil.”

Ik strek mijn hand uit en streel haar hals met mijn vingertoppen. Ik zie hoe ze haar ogen sluit, alsof ze me dan beter kan voelen, en met een korte knik van haar hoofd in de richting van mijn vingers verwelkomt ze me. Haar armen blijven langs haar lichaam, haar borsten drukt ze licht vooruit. Ik buig mijn hoofd naar het hare en vindt de holte van haar slanke hals. In de voorbije weken had ik me vaak voorgesteld hoe haar lippen zouden proeven en nu, met ongeduldig karmozijnrood zo dichtbij, wil ik weten hoe ze ruikt. Ik snuif haar op, tot diep in mijn binnenste, ik ruik het mengsel van haar parfum en haar huid, een dier op zoek naar de geur van het nest waarvan hij niet wist dat hij het zo gemist had. Ik laat haar heden en haar verleden in me doordringen en luister naar haar ademhaling. Als ik mijn been zacht tegen haar aan druk laat ze me toe om de opwinding in mijn onderlichaam te kunnen voelen. Een paar centimeter spreidt ze haar dijen. Het is geen aarzeling die haar tegenhoudt, maar het textiel van haar rok. Even kijken we elkaar aan.
“Verzin een list,” fluistert ze met hese stem.
Ik laat mijn handen zakken naar de zoom van haar rok, zij legt haar armen op mijn schouders. In één krachtige beweging trek ik haar rok omhoog, ze slaakt een diepe zucht en bevrijd spreidt ze haar benen onmiddellijk verder. Ik voel haar warmte en haar opwinding als ik me laat overspoelen door de warme welvingen van haar lichaam. Ik weet niet of het door het tollen van mijn hoofd of door mijn opwinding komt, maar ik kan niet anders dan door mijn knieën zakken. Ze legt een been over mijn schouder en laat haar handen door mijn haar glijden en ik, ik snuif haar opnieuw op, laat me verder bedwelmen door de geur van haar vocht. Nu spreekt ze de woorden wel uit.
“Lik me!”
Ik wil haar uitstellen, ik wil haar bewaren, ik wil haar in een doosje doen en het pas op zondag openen, ik wil van haar vasten tot het suikerfeest. Maar het moet nu. Mijn vingers glijden ongeduldig langs de binnenkant van haar dijen naar boven.

Het geluid van een mobiele telefoon doorbreekt de spanning. De hare.
“Godver. Sorry, ik moet antwoorden.”
Ik voel me ongemakkelijk als ze haar attentie verplaatst van onze nabijheid naar een beller op afstand. Terwijl ze praat maakt ze zich van me los, strijkt haar rok glad en fatsoeneert zich. Ik kom terug in de kille werkelijkheid van een doodlopend steegje naast een Chinees restaurant. Dan verbreekt ze de verbinding en richt zich weer tot mij.
“Het spijt me. Een noodgeval.”
Ik kom weer recht op mijn benen en kijk haar bedremmeld aan.
“Snap ik,” zeg ik, maar overtuigend klinkt het niet.
Ze legt haar handen op mijn wangen, trekt me naar zich toe en kust me.
“Ik wil dit,” zegt ze. “Ik wil jou. Van uitstel komt geen afstel. Geef me je nummer. Om drie uur vanmiddag bel ik je. Je mag niet opnemen, maar ik spreek je voicemail in. Luister daar naar. Als je me dan nog wil zien, komt alles goed.”

In de uren na het steegje komt er niet zoveel uit mijn handen. Met een akelig zoet vergif heeft ze al mijn zintuigen verdoofd en mijn aandacht tot eeuwig klokkijken veroordeeld. Twee collega’s vragen of het wel goed met me gaat.
“Was een kwestie van tijd dat je een keer niet lekker wordt van die Chinees. Jij met je lunches buiten de deur.”
Stipt om drie uur gaat de telefoon en ik betrap me erop dat ik ervan schrik. Ik doe wat ze me gevraagd heeft, ik doe niets. Hoe kan ik dat weigeren? Ik laat de beltoon uitsterven en tel vervolgens de minuten totdat een piepje verraadt dat er een nieuw voicemailbericht is. Ik zoek een rustige plek op kantoor zodat ik zeker weet dat ik haar bericht kan verstaan.
Maar het zijn geen woorden die ik hoor. Het is de ademhaling die ik ken, haar ademhaling. Onrustig, snel, ritmisch, begeleid door een even ritmisch geluid van kreetjes en een vochtig geluid dat wordt  weerkaatst in een kleine, gesloten ruimte. Heel even flitsen er zorgen door mijn hoofd, maar dan vallen de puzzelstukjes op hun plek. Ik zie haar opnieuw voor me, aan het tafeltje in de Lotus, waar ze haar hand onder tafel liet verdwijnen naar het zenith van haar verlangen. Toen kon ik alleen kijken, nu kan ik alleen luisteren hoe ze zich aan genot overgeeft.
Ik heb het warm als er een sms’je volgt.

Ik heb met mezelf gespeeld terwijl ik aan jou dacht. Ik wil dat we het spel samen afmaken. Vanavond, Oranjesingel 27, 20u. Be there?

De Lotus

De Lotus is geen tempel, en toch offeren we hier iedere woensdag onze lunchtijd en ons zwijgen aan de goden van verlangen. Zij en ik. Ik ken ons zoete ritueel tussen druk pratende gasten en haastige obers. Als een serveerster haar rekening heeft gebracht, zal ze het gelukskoekje van het schaaltje nemen en het bekijken, alsof haar aarzeling de boodschap nog kan veranderen. Dan zal ze naar mij kijken en het openbijten. Het koekje eet ze niet, het briefje heeft haar aandacht. Even zal haar blik uitdrukkingsloos zijn als ze het leest. Dan is er een lach, een gefronste blik, of haalt ze haar schouders op. Vervolgens zal ze opstaan, haar rok gladstrijken, haar laptoptas oppakken en met hooggehakte, elegante tred naar de uitgang lopen. Dan, als ze mijn tafel passeert, zullen onze blikken elkaar ontmoeten. Heel even, maar lang en intens genoeg om te weten dat het eten in De Lotus geworden is wat het verdient te zijn: een bijzaak.  

Vandaag verloopt het ritueel anders. Vandaag is haar glimlach meedogenlozer, de twinkeling in haar ogen indringender als ze haar papiertje leest. Ze staat op, loopt naar mijn tafeltje en legt zwijgend het briefje naast mijn bord. Dan keert ze terug naar haar eigen plaats. Ik lees.

 Don’t be afraid to talk to a stranger.

 Even later zit ik tegenover haar, haar warme nabijheid een déjà vu van mijn fantasie.
“Heb je je wel eens afgevraagd waar het op lijkt?” vraagt ze. Demonstratief houdt ze mijn gelukskoekje omhoog.
“Wat bedoel je?”
“Wat ik zeg. Waar doet een gelukskoekje je aan denken?”
Ik kijk naar het halfronde deeg, met in het midden een vouw die aan een kant nauw is en zich aan de andere kant licht opent.
“Een mondhoek?” vraag ik aarzelend.
Ze glimlacht.
“Kijk goed,” zegt ze en ze draait het koekje een kwartslag zodat de vouw een verticale lijn vormt, met de verdikking in het deeg aan de bovenkant.
“Ik zal je helpen,” zegt ze. Haar stem is anders nu.
Ze sluit haar ogen en brengt het koekje langzaam naar haar mond. Haar lippen openen zich, ze draait het koekje in haar vingers om en laat haar tong langzaam door de vouw naar boven glijden. Op het puntje dat iets naar voren steekt houdt ze halt.  Mijn hoofd tolt en mijn hart staat stil als ze de beweging tergend langzaam herhaalt.
“Nu jij,” fluistert ze en reikt me het koekje aan. Het personeel is te druk om te zien hoe ze mijn blik vasthoudt, hoe ze haar amandelvormige ogen tot spleetjes vernauwt en licht achterover leunt. Met één hand streelt ze haar slanke hals, de andere verdwijnt onder de tafel. Ik doe wat zij deed en voel hoe mijn tong het deeg verzacht. De bewegingen van haar bovenarm en haar ademhaling verraden het synchrone ritme van een verborgen hand. Haar mond vormt steeds opnieuw twee woorden die ze niet uitspreekt maar die me oorverdovend hard raken.
Lik me.
Als de gehaaste ober achteloos de betaling oppikt brengt ze haar hand tevoorschijn. Ze pakt het gelukskoekje uit mijn hand. Nog één keer streelt ze zacht de vouw in het midden met haar vingers, die glimmen van haar vocht. Nat en verzadigd breekt het koekje open. De papieren inhoud dwarrelt naar  het damast.
“Je weet dat ik ze nooit eet, maar dit keer maak ik een uitzondering.”
Ze glimlacht opnieuw als ze me de helft van het gelukskoekje aanreikt en zelf het andere stukje in haar mond neemt. Ik sluit mijn mond zacht om haar slanke vingers en eet uit haar hand, zoet en zilt.
“Kom,” gebiedt ze en staat op.
Ze grist haar spullen bij elkaar en als ze mijn hand pakt lees ik nog de boodschap op het briefje. 

A ship in a harbour is safe. But that’s not the reason ships are built.

 Voor wijze woorden hoef je niet altijd in een tempel te zijn.

(Inzending voor ronde 7 van de EWA Schrijfmarathon)

Een verhaal in een verhaal

Het was een half jaar na mijn scheiding. Heel langzaam begon ik mijn draai weer te vinden na een emotionele en ingrijpende tijd, en mijn baan in het hotel hielp me daarbij. Ik was met mijn 40 jaar veel ouder dan de meeste van mijn collega’s, over het algemeen studenten van begin twintig die in de bediening werkten om hun studiebeurs wat aan te vullen. Voor mij was het nu mijn financiële houvast en iedere dag nog was ik de eigenaar van het hotel, een persoonlijke vriend, dankbaar dat hij me deze baan had gegeven om wat zekerheid te hebben in een moeilijke periode.

Lees verder

De Nacht op het Eiland

De hele nacht heb ik met je geslapen
aan zee, op het eiland.
Woest en zacht was je tussen het genot en de slaap,
tussen vuur en water.

Heel laat misschien
werden onze dromen één
in de hoogte en de diepte,
daarboven zoals takken door dezelfde wind bewogen,
beneden zoals rode wortels die elkaar raken.

Misschien maakte je droom
zich van de mijne los
en zocht me
op de donkere zee
zoals vroeger
toen je nog niet bestond,
toen ik zonder je te ontwaren
aan je voorbijvoer,
en je ogen zochten
wat ik je nu
—aan brood, wijn, en woede—
met volle handen geef
want je bent de kelk
die op mijn levensgaven wachtte.

Ik heb met je geslapen
de hele nacht, terwijl
de donkere aarde draait
met levenden en met doden,
en bij het plotseling ontwaken
in de volle schaduw
omvatte mijn arm je middel.
De nacht noch de slaap
konden ons scheiden.

Ik heb met je geslapen
en bij het ontwaken schonk je mond
—uit je droom gestapt—
me de smaak van aarde,
van zeewater, van algen,
uit het diepste van je zijn,
en ik ontving je kus
vochtig door de dageraad
alsof hij tot me kwam
vanaf de zee die ons omringt.

**

Pablo Neruda, La Noche en la Isla. Uit: Los versos del capitán, 1952.

Vertaling ©Mahotsukai 2015