Adrastos

Een half jaar later, toen hij in het zand knielde met een roos in zijn ene en een pistool in zijn andere hand, herinnerde Nick Adrastos zich de eerste keer dat hij de zee had gezien. Nu lag ze als een donkere spiegel uitgestrekt voor hem. Hij huiverde. Er was storm op komst.

Het enige dat Stavros’ gewelddadigheid kon intomen was zijn bijgeloof. Hij was meedogenloos in het beschermen van zijn familiebelangen tegen vijandelijke clans, tegelijkertijd ontbood hij wekelijks de oude waarzegster om haar te vragen of de tekenen gunstig waren om een duistere deal te sluiten, of om een vijand om te leggen. Dit was de Mani, waar tradities wetten zijn en familieclans al eeuwen een strijd uitvechten waarvan niemand zich de aanleiding meer kan herinneren.
“Ik droom steeds hetzelfde,” zei Stavros. “Over Elektra. Hoe ze doodgaat.”
De oude vrouw in zwart keek hem een moment zwijgend aan.
“We gaan allemaal dood, Stavros, ook jouw dochter.”
“Ik zie haar jonge gezicht in bloed, vrouw. Het is een premature dood.”
“Jij piekert teveel, Stavros. Je bent een machtig man, maar de draad van het leven is al voor ons gespind, daar veranderen jij en ik niets aan. Pas goed op haar, dat is alles wat je kunt doen. En nog iets.”
“Wat?”
“De vreemdeling die zal komen. Ontvang hem volgens de wetten van de gastvrijheid.”

En dus deed Stavros twee dingen. Hij legde zijn net volwassen dochter preventief huisarrest op. En hij ontving Nick Adrastos in zijn huis, een jongeman uit een bevriende familie in het bergachtige noorden, die getekend was door bloedschuld en voor zijn eigen veiligheid in ballingschap was gegaan. De zee had hij nog nooit gezien. Stavros reinigde hem volgens de oude rituelen van de katharsis en gaf hem onderdak. Vervolgens maakte hij van de nood een deugd en stelde Nick aan als de lijfwacht van zijn dochter.
“Pas goed op haar, hoor je? Ik hou je persoonlijk verantwoordelijk voor haar veiligheid.”
“U heeft me ontvangen en gereinigd. Daarvoor sta ik in uw schuld. Ik zal een muur om uw dochter zijn.”

Maar tegen de storm in de harten van jonge mensen is ook een muur niet opgewassen. Elektra hield ervan naar Nick te kijken als hij tijdens hun wandelingen over de zee uitkeek. De golven die op de rotsen beukten leken de jongen uit de bergen angst in te boezemen. Dan nam ze hem bij de arm, leidde hem giechelend naar de kleine baai aan de voet van de kliffen en danste met hem in het zand. Want dansen kon ze; iedereen in de streek kende de zwierige lichtvoetigheid van Stavros’ enige kind. Ze leerde Nick de vereiste passen, en kirde als hij haar uiteindelijk met zijn sterke armen lachend naar de hemel optilde.
“Genoeg nu, Elektra, je mat me af!” zei de jongen uit de bergen lachend.
“We beginnen net, Nikolaos!” antwoordde het meisje van de zee.
Hun lichamen draaiden rondes in de zon, en spoedig draaiden hun harten mee, in een draaikolk van verlangen die eindigde in de beschutting van een grot aan de baai.

Het gaat vanzelf, alsof de dans voortduurt. Zij streelt zijn ontblote bovenlichaam en voelt de spanning van zijn spieren. Zijn hardheid tussen haar dijen, zijn hunkerende ogen als hij aarzelend haar lichaam verkent, zijn ingehouden ongeduld. Ze moedigt hem aan. Niet voorzichtig met me zijn. Proef me. Lik me. Drink me. Neem me!  En hij gehoorzaamt. Hij scheurt de kleren van haar gebruinde lijf, spreidt haar benen en proeft haar, likt haar, neemt haar. Rots en water worden ze, branding en strand. Ze zijn anders, maar tot elkaar veroordeeld door een mild tribunaal van de Goden. Hun uitputting is zoet. Jij kunt best dansen, Nikolaos. Jij leidt me, Elektra.

Het idee stond Stavros niet aan. Zijn dochter op de dansvloer bij het jaarlijkse oogstfeest?
“Papa, dit is het enige moment in het jaar dat de clans hun vetes even vergeten. Ik weet van je dromen en ik weet waarom je me angstvallig weghoudt van het leven, maar wees eerlijk, wat kan er gebeuren op een dansvloer? Ik smeek je, laat me dansen!”
Ook harde mannen uit de Mani kunnen hun geliefde dochters weinig ontzeggen en zo werd Elektra het stralende middelpunt van het feest. Er was wijn en lam van het spit, de mensen lachten, klapten, aten en zopen. Behalve Nick. Die vergat zijn opdracht niet en hield zijn geliefde en haar danspartners nauwgezet in de gaten. Toen het feestgedruis op zijn hoogtepunt was stapte Elektra op hem toe en pakte zonder aarzeling zijn hand.
“Nu jij, Nikolaos. Doe wat ik je heb geleerd. Dans met me!”
Hij voelde haar tengere lichaam tegen het zijne en ze zwierden over de houten vloer alsof ze nooit anders hadden gedaan, het meisje van de zee en de jongen uit de bergen. Een moment dacht Nick terug aan zijn jeugd. Hoe zijn vader hem met zijn ogen dicht rondjes had laten draaien tot het tolde in zijn hoofd, net als nu.
“Dat zal je helpen in de bergen je evenwicht te bewaren,” had zijn vader gezegd. Nu wist Nick dat het hem ook had geleerd te kunnen zwemmen in een kolkende zee van liefde.

Het eind van de dans. Een laatste draai. Hij omvat haar middel en tilt haar naar de sterrenhemel. Er is applaus. Dan maakt de doffe knal van een geweerschot een abrupt eind aan haar stralende lach. De kogel van zijn vijand uit het noorden was voor Nick bedoeld, maar heeft Elektra getroffen. Terwijl ze verslapt in zijn armen zoeken haar ogen vertwijfeld nog een laatste keer de zijne.

Hij knielt aan haar graf aan zee. Tevergeefs heeft hij geprobeerd het lot te ontvluchten. Nick Adrastos legt de roos op de stenen, pakt zijn pistool en plaatst de loop in zijn mond. Nog één keer kijkt hij met ontzag naar de woeste zee en denkt aan Elektra. Hij geeft de naderende storm haar naam en neemt dan met een kleine beweging van zijn vinger afscheid van zijn schuld.

***

Naschrift: 
Als jong pikkie op het gym leerde ik Herodotus kennen, en zijn verhaal over Adrastos, zoon van Gordias, uit het boek Cleo van de Historiën, heeft een diepe indruk bij me achtergelaten. Alhoewel ik me heel veel vrijheden heb veroorloofd in mijn interpretatie, is het verhaal wel door de vader van de geschiedschrijving geïnspireerd en is het een ode aan verhalen – sommige blijven je altijd bij.

Advertenties

El Corazón de las Tinieblas

En los destinos remotos que él solía visitar, simplemente le conocían como Marlow. Sólo su pasaporte mostraba su verdadero nombre, una reliquia de un anodino y lejano pasado.

Un hombre inteligente, navegando por el río de la vida entre orillas de locura de las que no podía formar parte. Sus compañeros de viaje: Desenvoltura y Soledad; el primero siempre en la superficie, el segundo profundamente escondido, un vacío enorme que nadie podía llenar. La vida había ahondado los surcos de su cara y había endurecido su corazón.

A los ojos de las mujeres no pasaba desapercibido. Cedían a Desenvoltura y alimentaban a Soledad. Ellas eran las lanchas que necesitaba para llegar a las orillas, para sentir tierra firme bajo sus pies, y para llenar por un segundo – solo un segundo– el hueco en su pecho. Le gustaba el contraste entre su curtida piel y la dulzura de sus caricias, amaba el sonido de su respiración acelerada, asfixiada por un beso abrasador. Cuando sentía sus uñas por su espalda, en el momento en que se entregaban, sabía que todavía vivía. Los muslos que le rodeaban eran su ancla en ese mundo ajeno donde no quería quedarse. Pero el vacío regresaba, regresaba cuando ellas, en un momento de éxtasis, pronunciaban su nombre.

“¡Marlow!”

Podía ser tras un grito o en un tierno susurro… Pero su verdadero nombre siempre quedaba escondido.

Nachtheksen

lancaster_denhaag4type

Het verhaal ‘Nachtheksen’ schreef ik samen met Luckyman voor de EWA bijeenkomst van 30 september 2017. Het thema van die bijeenkomst is: Crime Passionel. Je kunt dit verhaal trouwens ook lezen op de site van Luckyman. 

Andrea
Het is een avond in mei en het regent zachtjes op de Gerdesiaweg. Onder de kap van het metrostation straalt licht vanuit de tunnelbuis. De granieten gedenksteen van het bombardement glimt dreigend in de duisternis en rode spots in de stoeptegels markeren de brandgrens van 1940. De roltrap van het station zet zich om kwart over elf schokkerig in beweging. Een jonge vrouw komt naar boven. Ze heet Andrea en haar blonde krullen vallen als borduurwerk op de rug van haar groene bomberjack. Een bruine pitbull vergezelt haar en zodra ze boven is bukt ze zich naar de hond en maakt zijn halsband los. Het dier gaat er meteen bevrijd vandoor in de richting van de vijver aan de overkant van de weg. Een verregende fietser komt in de bocht aanzetten, trapt zachtjes in zichzelf vloekend hard op de pedalen. Een jogger wijkt voor de hond uit naar het fietspad maar heeft de fietser niet gezien. De hond hapt naar de fietser, het meisje schreeuwt ‘Floyd!’ en de jogger springt voor het wiel van de fietser weg.
‘Lekker bijdehand!’
‘Is die hond van jou?’
‘Mafkees!’
‘Floyd!’
De hond loopt los en licht zijn poot. Hij pist tegen het gedenkteken van het bombardement. Er staat: de oorlog is zoet, tot je hem proeft – Erasmus. Andrea trekt haar capuchon omhoog en tuurt op haar telefoon.
‘Floyd, kom nou,’ roept ze naar de hond. ‘Floyd kom nou. Jezus!’

Lees verder

Sunset Hotel

Ik kijk opzij naar de zachte golvingen van je lijf. Je ligt roerloos. De ondergaande zon die door de open balkondeuren van de hotelsuite naar binnen valt kleurt de huid van je rug en accentueert de donshaartjes in je nek. Je voeten heb je begraven in de kreukelige lakens, alsof je wortel wil schieten in dit zachte bed. Maar voor jou is het te vroeg om te aarden. Je hebt nog dingen te doen, er wordt nog iets van je verwacht. Je bent jong en mooi, je houdt van muziek die ik niet ken. Je had mijn dochter kunnen zijn. Ik ben je dankbaar, omdat je me mijn schuld laat afkopen. Ik ben gek op je, omdat je zo goed kunt verbergen dat je niet echt van me houdt. Je bent wat ik verdien.

Ik stap uit ons bed en steek een sigaret op. Ik kijk uit over de zee en denk aan mijn vader. Toen hij weduwnaar werd was hij drie jaar ouder dan ik nu ben. Zo goed en zo kwaad als het kon droeg hij zijn verdriet met zich mee. Hoe hij het kon verzachten wist hij niet, hoe ik hem kon helpen had hij me nooit geleerd. Zo lag de dood van mijn moeder als een gapend gat tussen ons in en waren mijn vader en ik door leegte verbonden. Acht jaar lang zwegen we, tot ook hij overleed. Ik heb daarna geprobeerd mijn leven op te pakken en er het beste van te maken, maar wat hij me naliet was een geketend hart. Ik was succesvol in mijn zaken, maar de belangrijkste dingen in het leven zijn altijd een te grote verantwoordelijkheid voor me geweest. Herken je dat? Natuurlijk, je maakt me immers iedere dag mee.

Niet dat je er iets aan kan of moet doen, lief. Het is goed zo. Misschien komt het voor jou nog, dat moment waarop je je de omvang en de onvermijdelijkheid van de kloof realiseert. Wanneer je op een dag, net als ik lang geleden, met een schok moet erkennen dat je op je ouders bent gaan lijken, ook al had je je nog zo voorgenomen beter te worden dan zij. Niet lang daarna zul je je realiseren dat ze er met al hun goede bedoelingen vooral in geslaagd zijn hun eigen angsten op jou af te wentelen. Ze hebben hun strijd en hun demonen de jouwe gemaakt, en laten je achter met roestig gereedschap. Hier, sleutel het zelf maar in elkaar; het leven als een IKEA-kast zonder handleiding. Maar, lief, zo moet het zijn. Het startschot voor volwassenheid ligt ook in kwaadheid en teleurstelling. Ik zal mijn best doen die voor jou niet groter te maken, dat garandeer ik je. Meer dan dat durf ik je niet te beloven, ook die verantwoordelijkheid is me te groot.

Ik neem plaats in de fauteuil naast het bed en kijk naar je. Langzaam verlaat de slaap je gebruinde lijf. Je draait, je woelt, en het ontroert me als je ergens in de schemer tussen droom en werkelijkheid je arm opzij beweegt, op zoek naar mijn lichaam dat er niet is. Je opent je ogen en kijkt me aan. Dan glimlach je en strek je je hand naar me uit. Jij vraagt niet naar mijn verleden, ik bemoei me niet met jouw toekomst. Dat is de afspraak, en wat resteert is de lichtheid van het heden.

“Kom bij me.”
Ik ga naast je liggen. Ik ken je huid, ik ken het antwoord van je lichaam op de strelende vraag van mijn vingers. Je komt overeind en knielt schrijlings over mijn borst. Je kijkt me aan.
“Je ziet er moe uit, oude man.”
Je bent de enige van wie ik die aanspreektitel glimlachend verdraag.
“Weet je wat jij nodig hebt? Levensnectar. En laat ik die nou net in overvloed hebben.”
Je verplaatst je omhoog en knielt boven mijn hoofd. Je blijft me aankijken als je je schaamlippen spreidt en jezelf langzaam begint te strelen. Ik pak je strakke billen beet en trek je naar mijn mond. Ik weet dat je het heerlijk vindt om zo gelikt te worden. Je armen zoeken steun tegen de muur achter mijn hoofd en je lichaam beweegt in een steeds woester ritme mee met mijn tong. Als je schokkend klaarkomt en me laat drinken van je jeugd voel ik hoe de last van jaren van me afglijdt. Het is maar voor even, dat weet ik, maar naar eeuwigheid zoek ik niet meer.

Weet je, lief? De generatie vóór je begrijp je pas als je je realiseert dat je, net als zij, vergeefs hebt geprobeerd je dromen te realiseren. Dat geeft niet, het is  ons lot. En mijn vader? Uiteindelijk was ik dol op hem, omdat hij zo slecht kon verbergen dat hij echt van me hield.

(Inzending voor ronde 8 van de EWA Schrijfmarathon 2017)

De Lotus (2)

Naast de Lotus ligt een doodlopend straatje. Het doet denken aan een groezelig steegje uit een Amerikaanse film, waarin de held vlucht als hij achterna gezeten wordt door gangsters, zich een weg baant langs een nietsvermoedende zwerver en een paar vuilcontainers, en aan het einde nog net aan zijn belagers kan ontsnappen door over een roestig hek te klimmen. Ik daarentegen heb geen intentie om te vluchten als ik me gewillig aan haar hand laat meenemen. Zij en ik, we creëren onze eigen film en ik wil niets liever dan weten hoe het plot zich ontvouwt. Naarmate we verder het straatje in verdwijnen sterven de geluiden van de stad uit tot ze niets meer dan grijze tonen zijn, een kosmische achtergrondruis in ons eigen universum. We storen een hond in zijn zoektocht door het afval, en als het beest schielijk zijn hielen licht zijn we eindelijk alleen. Ze laat mijn hand los en gaat met haar rug tegen een van de muren staan. Daar staat ze, bewegingsloos, met haar handen naast haar lichaam tegen de koude stenen. Ze heeft me losgelaten maar als ik haar zo zie, kwetsbaar, weerloos bijna, is het alsof ze mijn hele wezen omarmt. Alsof ze zegt: “neem me, neem alles wat je wil.”

Ik strek mijn hand uit en streel haar hals met mijn vingertoppen. Ik zie hoe ze haar ogen sluit, alsof ze me dan beter kan voelen, en met een korte knik van haar hoofd in de richting van mijn vingers verwelkomt ze me. Haar armen blijven langs haar lichaam, haar borsten drukt ze licht vooruit. Ik buig mijn hoofd naar het hare en vindt de holte van haar slanke hals. In de voorbije weken had ik me vaak voorgesteld hoe haar lippen zouden proeven en nu, met ongeduldig karmozijnrood zo dichtbij, wil ik weten hoe ze ruikt. Ik snuif haar op, tot diep in mijn binnenste, ik ruik het mengsel van haar parfum en haar huid, een dier op zoek naar de geur van het nest waarvan hij niet wist dat hij het zo gemist had. Ik laat haar heden en haar verleden in me doordringen en luister naar haar ademhaling. Als ik mijn been zacht tegen haar aan druk laat ze me toe om de opwinding in mijn onderlichaam te kunnen voelen. Een paar centimeter spreidt ze haar dijen. Het is geen aarzeling die haar tegenhoudt, maar het textiel van haar rok. Even kijken we elkaar aan.
“Verzin een list,” fluistert ze met hese stem.
Ik laat mijn handen zakken naar de zoom van haar rok, zij legt haar armen op mijn schouders. In één krachtige beweging trek ik haar rok omhoog, ze slaakt een diepe zucht en bevrijd spreidt ze haar benen onmiddellijk verder. Ik voel haar warmte en haar opwinding als ik me laat overspoelen door de warme welvingen van haar lichaam. Ik weet niet of het door het tollen van mijn hoofd of door mijn opwinding komt, maar ik kan niet anders dan door mijn knieën zakken. Ze legt een been over mijn schouder en laat haar handen door mijn haar glijden en ik, ik snuif haar opnieuw op, laat me verder bedwelmen door de geur van haar vocht. Nu spreekt ze de woorden wel uit.
“Lik me!”
Ik wil haar uitstellen, ik wil haar bewaren, ik wil haar in een doosje doen en het pas op zondag openen, ik wil van haar vasten tot het suikerfeest. Maar het moet nu. Mijn vingers glijden ongeduldig langs de binnenkant van haar dijen naar boven.

Het geluid van een mobiele telefoon doorbreekt de spanning. De hare.
“Godver. Sorry, ik moet antwoorden.”
Ik voel me ongemakkelijk als ze haar attentie verplaatst van onze nabijheid naar een beller op afstand. Terwijl ze praat maakt ze zich van me los, strijkt haar rok glad en fatsoeneert zich. Ik kom terug in de kille werkelijkheid van een doodlopend steegje naast een Chinees restaurant. Dan verbreekt ze de verbinding en richt zich weer tot mij.
“Het spijt me. Een noodgeval.”
Ik kom weer recht op mijn benen en kijk haar bedremmeld aan.
“Snap ik,” zeg ik, maar overtuigend klinkt het niet.
Ze legt haar handen op mijn wangen, trekt me naar zich toe en kust me.
“Ik wil dit,” zegt ze. “Ik wil jou. Van uitstel komt geen afstel. Geef me je nummer. Om drie uur vanmiddag bel ik je. Je mag niet opnemen, maar ik spreek je voicemail in. Luister daar naar. Als je me dan nog wil zien, komt alles goed.”

In de uren na het steegje komt er niet zoveel uit mijn handen. Met een akelig zoet vergif heeft ze al mijn zintuigen verdoofd en mijn aandacht tot eeuwig klokkijken veroordeeld. Twee collega’s vragen of het wel goed met me gaat.
“Was een kwestie van tijd dat je een keer niet lekker wordt van die Chinees. Jij met je lunches buiten de deur.”
Stipt om drie uur gaat de telefoon en ik betrap me erop dat ik ervan schrik. Ik doe wat ze me gevraagd heeft, ik doe niets. Hoe kan ik dat weigeren? Ik laat de beltoon uitsterven en tel vervolgens de minuten totdat een piepje verraadt dat er een nieuw voicemailbericht is. Ik zoek een rustige plek op kantoor zodat ik zeker weet dat ik haar bericht kan verstaan.
Maar het zijn geen woorden die ik hoor. Het is de ademhaling die ik ken, haar ademhaling. Onrustig, snel, ritmisch, begeleid door een even ritmisch geluid van kreetjes en een vochtig geluid dat wordt  weerkaatst in een kleine, gesloten ruimte. Heel even flitsen er zorgen door mijn hoofd, maar dan vallen de puzzelstukjes op hun plek. Ik zie haar opnieuw voor me, aan het tafeltje in de Lotus, waar ze haar hand onder tafel liet verdwijnen naar het zenith van haar verlangen. Toen kon ik alleen kijken, nu kan ik alleen luisteren hoe ze zich aan genot overgeeft.
Ik heb het warm als er een sms’je volgt.

Ik heb met mezelf gespeeld terwijl ik aan jou dacht. Ik wil dat we het spel samen afmaken. Vanavond, Oranjesingel 27, 20u. Be there?

De Lotus

De Lotus is geen tempel, en toch offeren we hier iedere woensdag onze lunchtijd en ons zwijgen aan de goden van verlangen. Zij en ik. Ik ken ons zoete ritueel tussen druk pratende gasten en haastige obers. Als een serveerster haar rekening heeft gebracht, zal ze het gelukskoekje van het schaaltje nemen en het bekijken, alsof haar aarzeling de boodschap nog kan veranderen. Dan zal ze naar mij kijken en het openbijten. Het koekje eet ze niet, het briefje heeft haar aandacht. Even zal haar blik uitdrukkingsloos zijn als ze het leest. Dan is er een lach, een gefronste blik, of haalt ze haar schouders op. Vervolgens zal ze opstaan, haar rok gladstrijken, haar laptoptas oppakken en met hooggehakte, elegante tred naar de uitgang lopen. Dan, als ze mijn tafel passeert, zullen onze blikken elkaar ontmoeten. Heel even, maar lang en intens genoeg om te weten dat het eten in De Lotus geworden is wat het verdient te zijn: een bijzaak.  

Vandaag verloopt het ritueel anders. Vandaag is haar glimlach meedogenlozer, de twinkeling in haar ogen indringender als ze haar papiertje leest. Ze staat op, loopt naar mijn tafeltje en legt zwijgend het briefje naast mijn bord. Dan keert ze terug naar haar eigen plaats. Ik lees.

 Don’t be afraid to talk to a stranger.

 Even later zit ik tegenover haar, haar warme nabijheid een déjà vu van mijn fantasie.
“Heb je je wel eens afgevraagd waar het op lijkt?” vraagt ze. Demonstratief houdt ze mijn gelukskoekje omhoog.
“Wat bedoel je?”
“Wat ik zeg. Waar doet een gelukskoekje je aan denken?”
Ik kijk naar het halfronde deeg, met in het midden een vouw die aan een kant nauw is en zich aan de andere kant licht opent.
“Een mondhoek?” vraag ik aarzelend.
Ze glimlacht.
“Kijk goed,” zegt ze en ze draait het koekje een kwartslag zodat de vouw een verticale lijn vormt, met de verdikking in het deeg aan de bovenkant.
“Ik zal je helpen,” zegt ze. Haar stem is anders nu.
Ze sluit haar ogen en brengt het koekje langzaam naar haar mond. Haar lippen openen zich, ze draait het koekje in haar vingers om en laat haar tong langzaam door de vouw naar boven glijden. Op het puntje dat iets naar voren steekt houdt ze halt.  Mijn hoofd tolt en mijn hart staat stil als ze de beweging tergend langzaam herhaalt.
“Nu jij,” fluistert ze en reikt me het koekje aan. Het personeel is te druk om te zien hoe ze mijn blik vasthoudt, hoe ze haar amandelvormige ogen tot spleetjes vernauwt en licht achterover leunt. Met één hand streelt ze haar slanke hals, de andere verdwijnt onder de tafel. Ik doe wat zij deed en voel hoe mijn tong het deeg verzacht. De bewegingen van haar bovenarm en haar ademhaling verraden het synchrone ritme van een verborgen hand. Haar mond vormt steeds opnieuw twee woorden die ze niet uitspreekt maar die me oorverdovend hard raken.
Lik me.
Als de gehaaste ober achteloos de betaling oppikt brengt ze haar hand tevoorschijn. Ze pakt het gelukskoekje uit mijn hand. Nog één keer streelt ze zacht de vouw in het midden met haar vingers, die glimmen van haar vocht. Nat en verzadigd breekt het koekje open. De papieren inhoud dwarrelt naar  het damast.
“Je weet dat ik ze nooit eet, maar dit keer maak ik een uitzondering.”
Ze glimlacht opnieuw als ze me de helft van het gelukskoekje aanreikt en zelf het andere stukje in haar mond neemt. Ik sluit mijn mond zacht om haar slanke vingers en eet uit haar hand, zoet en zilt.
“Kom,” gebiedt ze en staat op.
Ze grist haar spullen bij elkaar en als ze mijn hand pakt lees ik nog de boodschap op het briefje. 

A ship in a harbour is safe. But that’s not the reason ships are built.

 Voor wijze woorden hoef je niet altijd in een tempel te zijn.

(Inzending voor ronde 7 van de EWA Schrijfmarathon)

Een verhaal in een verhaal

Het was een half jaar na mijn scheiding. Heel langzaam begon ik mijn draai weer te vinden na een emotionele en ingrijpende tijd, en mijn baan in het hotel hielp me daarbij. Ik was met mijn 40 jaar veel ouder dan de meeste van mijn collega’s, over het algemeen studenten van begin twintig die in de bediening werkten om hun studiebeurs wat aan te vullen. Voor mij was het nu mijn financiële houvast en iedere dag nog was ik de eigenaar van het hotel, een persoonlijke vriend, dankbaar dat hij me deze baan had gegeven om wat zekerheid te hebben in een moeilijke periode.

Lees verder

De Nacht op het Eiland

De hele nacht heb ik met je geslapen
aan zee, op het eiland.
Woest en zacht was je tussen het genot en de slaap,
tussen vuur en water.

Heel laat misschien
werden onze dromen één
in de hoogte en de diepte,
daarboven zoals takken door dezelfde wind bewogen,
beneden zoals rode wortels die elkaar raken.

Misschien maakte je droom
zich van de mijne los
en zocht me
op de donkere zee
zoals vroeger
toen je nog niet bestond,
toen ik zonder je te ontwaren
aan je voorbijvoer,
en je ogen zochten
wat ik je nu
—aan brood, wijn, en woede—
met volle handen geef
want je bent de kelk
die op mijn levensgaven wachtte.

Ik heb met je geslapen
de hele nacht, terwijl
de donkere aarde draait
met levenden en met doden,
en bij het plotseling ontwaken
in de volle schaduw
omvatte mijn arm je middel.
De nacht noch de slaap
konden ons scheiden.

Ik heb met je geslapen
en bij het ontwaken schonk je mond
—uit je droom gestapt—
me de smaak van aarde,
van zeewater, van algen,
uit het diepste van je zijn,
en ik ontving je kus
vochtig door de dageraad
alsof hij tot me kwam
vanaf de zee die ons omringt.

**

Pablo Neruda, La Noche en la Isla. Uit: Los versos del capitán, 1952.

Vertaling ©Mahotsukai 2015

 

Artho’s Biecht

“Vergeef me, ik heb gezondigd.”

Ik ken alleen je engelzachte stem en je duivelse ontboezemingen. Ik ben jong genoeg om de verlokkingen die je me toevertrouwt te begrijpen, ik ontbeer de wijsheid om er weerstand aan te bieden.

“Ik weet dat je geweten je plaagt. Maar als je eerlijk bent, niets achterhoudt en berouw toont zal God je opnieuw in zijn armen sluiten. Vertel me je zonden.”
“Ik heb lustvolle gedachtes. Lust omgeeft me. Voortdurend.”
“Voortdurend?”
“Ja, voortdurend. Ook nu.”

Mijn hart klopt in mijn keel. Slechts een houten wand en een gordijntje scheiden ons. Dat, en mijn geweten. Toen je enkele weken geleden voor het eerst in mijn biechtstoel kwam, dacht ik dat jij degene was die op de proef werd gesteld, dat je mijn absolutie nodig had om met jezelf in het reine te komen. Inmiddels weet ik beter. Jouw hunkering is de mijne geworden, het is mijn beproeving. Waarom doe je dit? Waarom geef je me vleugels als je weet dat ik niet mag vliegen? Ik zou je moeten verbannen van deze heilige plek, ik zou dit gesprek moeten afkappen, nu.

“Vertel me meer.”
“Ik fantaseer, Artho. Je vindt het toch niet erg als ik je Artho noem? Ik weet dat je zo heet. Ik fantaseer over jou. Ik fantaseer over het lichaam onder je soutane. Ik kom naar de mis om je te zien, ik kom om naar je te luisteren. Maar het is alsof je mijn lijf binnendringt en ik niet anders kan dan gehoorzamen aan de beelden in mijn hoofd.”
“Ook nu?”
Het gordijn gaat een klein stukje opzij. De slanke vingers van je hand reiken me een stukje stof aan.
“Ja, ook nu.”

Je trekt je hand terug. Je vochtige geur, in kant gevangen, dringt door in het binnenste van mijn geplaagde ziel. Dit moet stoppen.

“Vertel me meer.”
Ik hoor hoe je ademhaling versnelt en je stem trilt.
“Alles is al gezegd, Artho. Mijn beelden zijn ook de jouwe, dat weet ik. Jij fantaseert ook over mij. Geef eraan toe. Stop met vragen, luister naar de schoonheid van mijn lust. Begeleid me.”
“Maar ik…”
“Ssst!”

Weerloos gehoorzaam ik en ontbloot ik mijn harde geslacht. De rusteloze ademhaling van ons verlangen doorsnijdt de koude stilte van eeuwen. Ik sluit mijn ogen en zie de beelden die bij het vochtige geluid horen: wijdbeens doop je je vingers in je eigen vocht en verlos je jezelf. Ik vergezel je, zoals je me hebt opgedragen. Schitterender heb ik zonde nooit gezien.
Samen spoelen we aan in een branding van lust. Als de golf zich terugtrekt blijf ik alleen achter, een schipbreukeling, het warme schuim van mijn schuld gevangen in jouw kant.

(Inzending voor ronde 6 van de EWA Schrijfmarathon)