Mahotsukai

(Disclaimer: “De zaak Groothuis” is volkomen fictief. Eventuele overeenkomsten met reële gebeurtenissen of echte personen zijn zonder intentie van de auteur en berusten op toevalligheid. Alle materiaal ©Mahotsukai 2016).

(deel 1 – Aftandse Hond)

“Neemt u even plaats, professor Liszt geeft nog college maar komt zo meteen”.
Philip was blij dat hij nog even tijd had en zijn gedachten kon ordenen. Hij ging zitten op een van de plastic stoelen in de gang van de faculteit. Hij zette zijn leren aktentas op de grond tegen een van de stoelpoten en liet zijn hand even langs zijn ongeschoren kin raspen. Hij keek naar de studenten die hem voorbij liepen, en die in het geheel geen acht sloegen op die man van middelbare leeftijd met dat uitgebluste uiterlijk. Hij voelde zich oud en nutteloos tegelijk, hier in dit bolwerk van jonge academische ambitie. Natuurlijk, hij zag er niet slecht uit voor zijn leeftijd, en op het bureau noemden ze hem wel eens een sharp dresser, maar dat waren politiemaatstaven. Hij voelde hoe de jaren hun tol eisten, niet alleen vanwege zijn vak maar ook vanwege zijn leefstijl. Je kon dan wel een mooie kamgaren jas en Santoni schoenen dragen, de vermoeide oogopslag zou hem te allen tijde verraden, en dat wist Philip. Al maanden nam hij zich voor, iedere katerochtend opnieuw, de drank die avond te laten staan, maar het lukte hem niet. Al maanden niet, sinds de Groothuis-zaak. Ook gisteren had hij gefaald, en dat falen vertroebelde zijn intelligente geest, vermoeide zijn heldere oogopslag, en maakte hem somber. Het was eigenlijk een wonder dat hij op tijd was, zo halverwege de ochtend. In de rusteloze nacht had hij twee dingen gegoogled: “darmkanker symptomen” en “blog Isa Garcia”. Het eerste, omdat hij bang was het te krijgen. Het tweede, omdat hij bang was het voorgoed kwijt te zijn. Hij boog zijn hoofd voorover en staarde zelfverwijtend naar het linoleum, totdat twee immens hooggehakte benen vlak voor hem in zijn beeld verschenen.
“Inspecteur Chevalier?”
Philip schrok op en rechtte zijn rug. In de hoge hakken stond een rijzige vrouw. Hij had zijn automatismen om vrouwen in een oogopslag in zich op te nemen niet verloren. Soms maakte hij zich wijs dat dat professionaliteit was, het inschatten van mensen én hun verhaal in één ogenblik. Nu was hij even uit het veld geslagen omdat het beeld dat hij voor zich zag niet pastte bij de voorstelling die hij zich bij een hoogleraar in de egyptologie had gemaakt. Hij stond onhandig op en strekte zijn hand uit.
“Inderdaad, Philip Chevalier, landelijke recherche, aangenaam.”
Ze nam zijn hand aan, en hem nam ze in zich op. Philip voelde zich betrapt.
“Lana Liszt, aangenaam.”

Met haar hakken torende ze een paar centimeters boven hem uit. Ze was een jaar of 45, schatte Philip. Ze droeg een purperkleurige kokerrok die haar dijen benadrukte en hoog om haar middel sloot. Daarboven een witte blouse met frivole kanten randjes, een kettinkje om haar nek dat de huid boven haar grote borsten accentueerde. Philip deed zijn best te verbergen dat hij een fractie van een seconde te lang naar haar boezem keek. Haar gezicht was klassiek, met doordringend grijze ogen en hoge jukbeenderen, een gezicht waarop de restanten van jeugdige sproeten nog zichtbaar waren. Ze had brede, zachtgekleurde wenkbrauwen. Philip hield van mooie wenkbrauwen. Haar haar was rossig, en ze droeg het strak naar achteren in een knot. Philip nam zich voor die avond niet te drinken.
“Volgt u mij,” zei Lana Liszt, draaide zich om en stapte kordaat klikkend haar werkkamer binnen. Philip pakte zijn tas, keek naar haar wiegende kont, en volgde. Als een aftandse hond, godverdomme, dacht hij.

(wordt hier vervolgd)

A

Advertenties