De hele nacht heb ik met je geslapen
aan zee, op het eiland.
Woest en zacht was je tussen het genot en de slaap,
tussen vuur en water.

Heel laat misschien
werden onze dromen één
in de hoogte en de diepte,
daarboven zoals takken door dezelfde wind bewogen,
beneden zoals rode wortels die elkaar raken.

Misschien maakte je droom
zich van de mijne los
en zocht me
op de donkere zee
zoals vroeger
toen je nog niet bestond,
toen ik zonder je te ontwaren
aan je voorbijvoer,
en je ogen zochten
wat ik je nu
—aan brood, wijn, en woede—
met volle handen geef
want je bent de kelk
die op mijn levensgaven wachtte.

Ik heb met je geslapen
de hele nacht, terwijl
de donkere aarde draait
met levenden en met doden,
en bij het plotseling ontwaken
in de volle schaduw
omvatte mijn arm je middel.
De nacht noch de slaap
konden ons scheiden.

Ik heb met je geslapen
en bij het ontwaken schonk je mond
—uit je droom gestapt—
me de smaak van aarde,
van zeewater, van algen,
uit het diepste van je zijn,
en ik ontving je kus
vochtig door de dageraad
alsof hij tot me kwam
vanaf de zee die ons omringt.

**

Pablo Neruda, La Noche en la Isla. Uit: Los versos del capitán, 1952.

Vertaling ©Mahotsukai 2015

 

Advertenties