Naast de Lotus ligt een doodlopend straatje. Het doet denken aan een groezelig steegje uit een Amerikaanse film, waarin de held vlucht als hij achterna gezeten wordt door gangsters, zich een weg baant langs een nietsvermoedende zwerver en een paar vuilcontainers, en aan het einde nog net aan zijn belagers kan ontsnappen door over een roestig hek te klimmen. Ik daarentegen heb geen intentie om te vluchten als ik me gewillig aan haar hand laat meenemen. Zij en ik, we creëren onze eigen film en ik wil niets liever dan weten hoe het plot zich ontvouwt. Naarmate we verder het straatje in verdwijnen sterven de geluiden van de stad uit tot ze niets meer dan grijze tonen zijn, een kosmische achtergrondruis in ons eigen universum. We storen een hond in zijn zoektocht door het afval, en als het beest schielijk zijn hielen licht zijn we eindelijk alleen. Ze laat mijn hand los en gaat met haar rug tegen een van de muren staan. Daar staat ze, bewegingsloos, met haar handen naast haar lichaam tegen de koude stenen. Ze heeft me losgelaten maar als ik haar zo zie, kwetsbaar, weerloos bijna, is het alsof ze mijn hele wezen omarmt. Alsof ze zegt: “neem me, neem alles wat je wil.”

Ik strek mijn hand uit en streel haar hals met mijn vingertoppen. Ik zie hoe ze haar ogen sluit, alsof ze me dan beter kan voelen, en met een korte knik van haar hoofd in de richting van mijn vingers verwelkomt ze me. Haar armen blijven langs haar lichaam, haar borsten drukt ze licht vooruit. Ik buig mijn hoofd naar het hare en vindt de holte van haar slanke hals. In de voorbije weken had ik me vaak voorgesteld hoe haar lippen zouden proeven en nu, met ongeduldig karmozijnrood zo dichtbij, wil ik weten hoe ze ruikt. Ik snuif haar op, tot diep in mijn binnenste, ik ruik het mengsel van haar parfum en haar huid, een dier op zoek naar de geur van het nest waarvan hij niet wist dat hij het zo gemist had. Ik laat haar heden en haar verleden in me doordringen en luister naar haar ademhaling. Als ik mijn been zacht tegen haar aan druk laat ze me toe om de opwinding in mijn onderlichaam te kunnen voelen. Een paar centimeter spreidt ze haar dijen. Het is geen aarzeling die haar tegenhoudt, maar het textiel van haar rok. Even kijken we elkaar aan.
“Verzin een list,” fluistert ze met hese stem.
Ik laat mijn handen zakken naar de zoom van haar rok, zij legt haar armen op mijn schouders. In één krachtige beweging trek ik haar rok omhoog, ze slaakt een diepe zucht en bevrijd spreidt ze haar benen onmiddellijk verder. Ik voel haar warmte en haar opwinding als ik me laat overspoelen door de warme welvingen van haar lichaam. Ik weet niet of het door het tollen van mijn hoofd of door mijn opwinding komt, maar ik kan niet anders dan door mijn knieën zakken. Ze legt een been over mijn schouder en laat haar handen door mijn haar glijden en ik, ik snuif haar opnieuw op, laat me verder bedwelmen door de geur van haar vocht. Nu spreekt ze de woorden wel uit.
“Lik me!”
Ik wil haar uitstellen, ik wil haar bewaren, ik wil haar in een doosje doen en het pas op zondag openen, ik wil van haar vasten tot het suikerfeest. Maar het moet nu. Mijn vingers glijden ongeduldig langs de binnenkant van haar dijen naar boven.

Het geluid van een mobiele telefoon doorbreekt de spanning. De hare.
“Godver. Sorry, ik moet antwoorden.”
Ik voel me ongemakkelijk als ze haar attentie verplaatst van onze nabijheid naar een beller op afstand. Terwijl ze praat maakt ze zich van me los, strijkt haar rok glad en fatsoeneert zich. Ik kom terug in de kille werkelijkheid van een doodlopend steegje naast een Chinees restaurant. Dan verbreekt ze de verbinding en richt zich weer tot mij.
“Het spijt me. Een noodgeval.”
Ik kom weer recht op mijn benen en kijk haar bedremmeld aan.
“Snap ik,” zeg ik, maar overtuigend klinkt het niet.
Ze legt haar handen op mijn wangen, trekt me naar zich toe en kust me.
“Ik wil dit,” zegt ze. “Ik wil jou. Van uitstel komt geen afstel. Geef me je nummer. Om drie uur vanmiddag bel ik je. Je mag niet opnemen, maar ik spreek je voicemail in. Luister daar naar. Als je me dan nog wil zien, komt alles goed.”

In de uren na het steegje komt er niet zoveel uit mijn handen. Met een akelig zoet vergif heeft ze al mijn zintuigen verdoofd en mijn aandacht tot eeuwig klokkijken veroordeeld. Twee collega’s vragen of het wel goed met me gaat.
“Was een kwestie van tijd dat je een keer niet lekker wordt van die Chinees. Jij met je lunches buiten de deur.”
Stipt om drie uur gaat de telefoon en ik betrap me erop dat ik ervan schrik. Ik doe wat ze me gevraagd heeft, ik doe niets. Hoe kan ik dat weigeren? Ik laat de beltoon uitsterven en tel vervolgens de minuten totdat een piepje verraadt dat er een nieuw voicemailbericht is. Ik zoek een rustige plek op kantoor zodat ik zeker weet dat ik haar bericht kan verstaan.
Maar het zijn geen woorden die ik hoor. Het is de ademhaling die ik ken, haar ademhaling. Onrustig, snel, ritmisch, begeleid door een even ritmisch geluid van kreetjes en een vochtig geluid dat wordt  weerkaatst in een kleine, gesloten ruimte. Heel even flitsen er zorgen door mijn hoofd, maar dan vallen de puzzelstukjes op hun plek. Ik zie haar opnieuw voor me, aan het tafeltje in de Lotus, waar ze haar hand onder tafel liet verdwijnen naar het zenith van haar verlangen. Toen kon ik alleen kijken, nu kan ik alleen luisteren hoe ze zich aan genot overgeeft.
Ik heb het warm als er een sms’je volgt.

Ik heb met mezelf gespeeld terwijl ik aan jou dacht. Ik wil dat we het spel samen afmaken. Vanavond, Oranjesingel 27, 20u. Be there?

Advertenties