Kruiswijk wilde dat ik zelf kwam kijken. Om me voor te bereiden op – ja, waarop eigenlijk? – neem ik de waterbus vanaf de stad naar de Stormpolder. De ijskoude wind op de kade waait door wol en weefsel en versteent mijn botten. In de cabine van de bus is het gelukkig warm. De Oude Maas is een zee van grijs, de lucht doet zijn best om nog grijzer te zijn en de Hef heeft een vers kleurtje gekregen: antraciet. Dertig jaar Rotterdam, nooit in de Stormpolder geweest. Waarom zou je ook? Behalve als je bij Hollandia werkt, of in een van de bedrijfjes die in fantasieloze industrieblokken gehuisvest zijn. De Stormpolder, driehoeksland, weggestopt in de rand van de stad, omgeven door de Nieuwe Maas, de Hollandsche IJssel en de Sliksloot als een ringvaart van bluswater om een eiland met een brandende naam. Ik wist niet dat daar mensen leefden. Ik wist ook niet dat je er dood kon gaan. Maar als Kruiswijk belt, dan moet het wel waar zijn.

Ze hebben het lichaam al weggehaald en de ramen opengezet maar de lijkenlucht geeft zich niet gemakkelijk gewonnen. De kamer is klein, de wanorde groot. Flessen, op een enkele uitzondering na leeg. Ongeopende enveloppen. Een lege vogelkooi. Vochtplekken tegen het plafond en de muren.

“Meneer O.,” zegt Kruiswijk. De ambtenaar staat met zijn handen op de rug naast me en praat voor zich uit. Hij heeft het tegen mij. Tegen wie anders? Er is verder niemand.
“Vijfenzeventig jaar. Geen familie bekend, niemand om te waarschuwen. Hij lag er al een tijdje.”
Kruiswijk is een man van weinig woorden maar hij heeft het hart op de goede plaats. Anders zou hij dit werk niet doen. Ook al staat je karakter als een huis, het Oproepprotocol bij Lijkvinding is een sloper.

Mijn aandacht wordt getrokken door een poster aan de muur, een gedateerde print van een schilderij. Het is met punaises in het oude stucwerk gedrukt en hangt boven een kastje dat met een laken is bedekt.
“Bosch,” zegt Kruiswijk, die ziet waar mijn oog op rust. “De Tuin der Lusten. Hangt in het Prado. Vorig jaar nog met het vrouwtje geweest.”
“En verder?” vraag ik.
“Alleen dit.”
Kruiswijk komt in beweging, loopt in de richting van het kastje en trekt er met een ruk het laken vanaf, als een goochelaar aan het verrassende einde van een truc. Maar konijnen zijn er niet. In plaats daarvan een hoekig object met witte en zwarte toetsen. Ik weet onmiddellijk dat het er vijfendertig zijn, want behalve gedichten maak ik ook muziek.
“Die rare piano is het enigste wat er nog een beetje toonbaar uitziet in deze tyfuszooi,” meent Kruiswijk. “Stofvrij gehouden door die ouwe baas. Kennelijk iets dierbaars. Misschien kun je er iets mee.”
Ik laat mijn hand over het hout en de toetsen glijden.
“Geen piano,” zeg ik. “Dit is een Mellotron. Populair instrument in de jaren zestig en zeventig. En zo te zien is dit een originele.”
Ik ga door mijn knieën op zoek naar de stekker. Er schiet een muis weg onder de plint.
“Doe nou godverdomme latex handschoenen aan,” vloekt Kruiswijk. Ik realiseer me dat ik zijn voornaam niet ken en plug de stekker in het stopcontact. Een lampje licht rood op en er is een lichte zoem. Als ik weer rechtop sta druk ik een toets in. Een zuivere A van een cello galmt door de morsige ruimte.
“Godskolere,” zegt Kruiswijk verbaasd. “Wat voor een ding zei je?”
“Een Mellotron.” Ik druk een tweede toets in. Violen dit keer, een halve octaaf hoger.
Kruiswijk krabt zijn kalende schedel.
“Krijg nou de tering. Een muzikale ouwe baas. Hoe werkt zo’n ding?”
Met enige moeite haal ik de bovenkant los en samen werpen Kruiswijk en ik een blik op de ingewanden van het instrument.
“Een voorloper van de synthesizer,” zeg ik. “Volledig mechanisch. Achter iedere toets zit een stukje magnetische tape, je weet wel, zoals vroeger op een bandrecorder. Op die tape staat een geluid. Als je de toets indrukt, wordt de tape door een motor langs een leeskop getrokken en wordt het geluid versterkt afgespeeld.”
Kruiswijk kan nu zijn vingers niet meer van de Mellotron afhouden en met zijn latex-wijsvinger drukt hij een zwarte toets in. Er klinken blaasinstrumenten, zuiver van toon. Kruiswijk kijkt me glimlachend aan.
“Wat wil je horen, Vader Jacob of de Frikandellenwals?” vraagt hij, blij als een kind.
Kruiswijk wacht mijn antwoord niet af en zet zijn vingers enthousiast op het ivoor.

Bij de tweede toetsaanslag kijken we elkaar verbaasd aan. Dit keer klinkt er geen instrument, maar de nauwelijks ingehouden, opgewonden kreten van een vrouw.
“Krijg nou wat,” zegt Kruiswijk en drukt de toets opnieuw in. De Mellotron doet zijn werk en weer vult het extatische geluid van een menselijke stem de kamer.
“Denk jij wat ik denk?” vraagt Kruiswijk.
“Yep,” antwoord ik. “Een vrouwelijk orgasme. Ze komt klaar.”
“Godskolere. Hij heeft het vrouwtje vereeuwigd op het moment suprème. Een geile muzikale ouwe baas.”
Voor de derde keer drukt hij de toets in en luisteren we vol ongeloof. Door het open raam horen we een voorbijganger op straat.
“Hey joh! Gaat-ie lekker? Leg je nou midden op de dag te krikke?!”
“Hier kan ik wel wat mee,” zeg ik tegen Kruiswijk.

Als ik de Stormpolder achter me laat schittert een vale zon in het grijze water van de Oude Maas. Ik denk aan de Tuin der Lusten en hoor het geluid op de Mellotron. Wat meneer O. in gedachten had zal ik nooit weten. Maar een dichter omarmt onzekerheden, een dichter maakt eenzaamheid het hof en verwoordt wat niet meer kan worden gezegd. Sterven moet je in je eentje doen, afscheid nemen kun je niet alleen. Mijn notitieboek gaat open, het gedicht begint. De begrafenis is over twee dagen. Ik ben de Dichter van Dienst.

 

***

Stichting “De Eenzame Uitvaart” begeleidt eenzaam gestorvenen naar hun graf. Dichters van Dienst schrijven voor iedere eenzaam overledene een gedicht en lezen dat voor tijdens de uitvaart, die door de Gemeente wordt geregeld. Zo krijgen ook mensen die niemand meer hebben een waardig en respectvol afscheid. De onlangs overleden dichter F. Starik was een van de initiatiefnemers.