aspergesveld

Een nieuwe nacht, dezelfde droom. Ik sta in een verlaten akker. De lucht is grijs, er is alleen maar stilte. Geen wind, geen vogel, niks. Toch is er iets gebeurd; dat voel ik. De eenzaamheid verlamt me. Waarom is er niemand die me zegt waar ik ben? Waarom vertelt niemand me waar ik naar toe moet? Twee stippen aan de horizon worden langzaam naderende mensen. Een kleine, gedrongen vrouw met een hoofddoek. Een ongeschoren man in vuile kleding, die zijn pet afneemt. Ze dragen plastic tassen die ze me aanreiken en spreken woorden die ik niet versta.
“Nee,” roep ik, “nee, alstublieft. Ik hoef ze niet!”
Uit de tassen druppelt dik rood vocht dat wegzakt in de droge, dorstige grond.

Vandaag ging de hond dood. Gewoon, zo. We liepen onze ochtendroute door het park, toen hij bij het bruggetje plots niet meer verder wilde. Hij ging liggen, keek nog een keer naar me op, sloot vervolgens zijn ogen en stierf. Terwijl ik hem in mijn armen naar huis droeg voelde ik hoe de warmte uit zijn lijfje verdween. Thuis legde ik hem in zijn mand, ging in een fauteuil zitten en keek een tijdje naar het levenloze dier. Een oude belofte verbond ons. Er was weinig tijd.

Ik belde Hannah en twee uur later stond ze met een grote koelbox en een weekendtas voor de deur. Ze had niet geaarzeld en zag er goed uit. Sinds Herman een paar jaar geleden zijn rust had gevonden hadden we elkaar alleen telefonisch gesproken. Het voelde vertrouwd haar weer te omhelzen. We deden het hondenlijkje in de koelbox en bedekten het met alle ijsblokjes die in de vriezer lagen. Ik haalde een schop uit het schuurtje, pakte wat kleren in een reiskoffer en een uur later waren we op weg, schop, bagage en hond in de kofferbak.

Het eerste uur zeiden we niet veel. Ik vroeg Hannah of ze nog schreef. Weinig, zei ze. Ze leek rustiger dan vroeger. Terwijl ze het landschap in zich opnam vertelde ze dat ze zich verheugde op de asperges.
Waar Herman ligt hebben ze de beste.
Het is het seizoen.
Nooit koken maar een kwartiertje in water van 90 graden.
Het is zonde om met een lege koelbox terug te komen.

Hannah, met haar liefde voor verhalen, goed eten, en het toeval. Hannah, die herinneringen verzamelde en ze aan elkaar reeg als een parelsnoer, waarvan ze soms niet wist of ze het als een sieraad moest dragen of zich er aan moest opknopen. Daarom was ze ook met Herman geweest. Waarom denkt een vrouw vaak dat juist zij degene is die een foute vent kan helen? Een onmogelijke vraag. Het voelde goed dat ze bij me was.

Bij het tankstation kwam ze uit de shop terug met een fles mineraalwater, een zak zoete drop en een jonge, roodharige vrouw. Die bleek Pools en stelde zich vrolijk voor als Ilona.
We geven haar een lift,” zei Hannah. Ik was lang geleden opgehouden om haar tegen te spreken. Zonder verder iets te zeggen namen de vrouwen op de achterbank plaats en zat ik plots alleen voorin, als een taxichauffeur.
“Drrrop”, zei Ilona, smakkend.
“Ja, zachte zoete drop,” antwoordde Hannah.
Ze giechelden. Ik dacht aan Herman. Dat hij intelligent was wisten we, maar een ontvoerder, dat was toch wel een verrassing. De politie was ervan overtuigd geweest dat er een georganiseerde bende achter het losgeld aanzat, maar Herman was in geen ander gezelschap geweest dan zijn kwaadaardige alter ego.

In de spiegel zag ik hoe Hannah en Ilona aan elkaar zaten te vlooien en plezier hadden. Ik vroeg Ilona waar ze eigenlijk naar toe moest.
Rijksweg, Weermond. Club Eva,” zei ze staccato.
“Werk je daar?” wilde Hannah weten.
“Ik heb vergoenning!” antwoordde Ilona, speels verongelijkt over de vraag.
“Jullie gaan waar naar toe?” vroeg ze en liet Hannah’s haar langzaam tussen haar vingers doorglijden.
Ik vertelde dat we een hond gingen begraven.
“Waarom?”
“Omdat we dat hebben beloofd,” vulde Hannah aan.
“Aan de hond?”
“Nee, aan zijn baasje.”
“Waarom begraaft baasje hond niet zelf?”
“Het baasje is ook dood.”

Het baasje was onder een graafmachine terecht gekomen toen hij zijn hond uitliet, om precies te zijn. Toen Herman zijn straf had uitgezeten trok hij zich terug op het platteland, hield zich gedeisd, schafte een teckel aan en vond een nieuwe vriendin. De hond lag nu dood in een koelbox onder de achterklep. De vriendin zat vol leven op mijn achterbank, flirtend en fluisterend met een roodharig Pools meisje.
Ze boog zich naar voren.
“Chris, heb je even vijftig euro voor me? Je krijgt het straks terug.”
“Vijftig euro? Waarvoor in godsnaam?”
“Ik heb altijd al eens voor seks willen betalen. En Ilona geeft korting.”
“Jezus Hannah, moet dat nú?”
“Wees een keer geen spelbreker en geef me vijftig euro.”

Spelbreker. Het was lang geleden dat ze me zo genoemd had maar het sneed nog steeds. Ik reikte Hannah mijn portemonnee. Buiten schemerde het.
“Chris? Jouw vriend heet Chris?” Ilona stopte het bankbiljet zorgvuldig in haar tasje.
Hannah knikte. Ze beschouwde de deal als gesloten, kuste Ilona’s witte hals en knoopte haastig haar blouse los.
“Krzysztof. Is goede naam. Patroonheilige van reiziger en tuinman,” merkte de Poolse op.
Reiziger en tuinman. Toepasselijk, dacht ik. Achter het stuur en met een schop in de kofferbak had ik de vaardigheden van beide nodig. Het gegiechel op de achterbank maakte plaats voor zacht gekreun en hitsige aanmoedigingen op fluistertoon.

Dat met die graafmachine was nooit helemaal opgehelderd. Officieel was het “een tragisch ongeval” geweest, maar Herman was gewoon platgewalst. We hadden hem ook niet meer opgebaard mogen zien. Plat als een dubbeltje, had de begrafenisondernemer me toegefluisterd. Herman’s hondje had machteloos moeten toekijken hoe het baasje werd geplet en liet sindsdien bij elk geluid van zwaar transport neurotisch rillend zijn plas de vrije loop. Ik ontfermde me over hem, zoals ik Herman had beloofd. Hannah reeg een nieuwe verdrietige herinnering aan haar parelsnoer en verhuisde naar het noorden, in stilte. Nu gilde ze op de achterbank.

“Oh God ja, lik me klaar!”
“Co masz mokre, kochanie!”

Terwijl het buiten donker werd besloegen binnen de ramen. De cabine vulde zich met de geur van seks en in het diffuse licht van koplampen en lantaarns realiseerde ik me dat ik Hannah soms haatte. Toen ze me voor Herman had verlaten bijvoorbeeld. Nu was ik blij dat ze bij me was. Ik hoorde hoe haar ademhaling tot rust kwam en nam afslag 13.

“We zijn bijna daar, Krzysztof?” Ilona boog tussen de autostoelen naar voren. Er bubbelde tandpasta rond haar lippen.
“Nog tien minuten rijden.”
Ze spoelde haar mond met mineraalwater, draaide het achterraam open en spoog het spoelwater de buitenlucht in. Rijen zwarte bomen flankeerden de donkere provinciale weg, slechts hier en daar stond een huis. In de verte doemden rode neonletters op. CLUB  VA, stond er. Toen we de lege parkeerplaats opreden zag ik hoe de E donker en levenloos ondersteboven aan de muur bungelde.
“Kom mee binnen,” zei Ilona. “Drankje van huis.”
Hannah was opeens klaarwakker en enthousiast.
“Ja, kom mee Chris, ik heb altijd al een hoerenkast van binnen willen zien!”
Ilona gaf Hannah een verongelijkte duw.
“Is kloeb, geen kast!”
Gegiechel. Ik zuchtte. Het was te laat om de hond vanavond nog te begraven. Ik draaide de sleutels uit het contact, stapte uit, en volgde de vrouwen naar binnen.

“Erger dan zijn misdaad vond ik dat Herman een vriendschapscode had overtreden: van elkaars vrouwen blijf je gewoon af. Dus heb ik ook Herman gehaat toen Hannah bij me wegging en bij hem introk. Maar later dacht ik: misschien heeft hij me wel van haar verlost. Misschien gaan we er wel allemaal op vooruit. Leven met Hannah was niet gemakkelijk, weet je. Het leven is voor haar een groot ganzenbord. Ik was de dobbelsteen die steeds op de één rolde. Ik was haar rem. Een spelbreker.”
Terwijl ze glazen schoonmaakte hoorde de barvrouw zwijgend mijn monoloog aan. Het luchtte me op mijn verhaal aan een vreemde te vertellen, ook al zag ze er vervaarlijk uit, met haar ooglapje onder uitgegroeid geblondeerd haar, lange nagels als vuurrode messen en een boezem die je kon verpletteren. Er was verder niemand in de tot zwoele bar omgebouwde, schaars verlichte huiskamer van de oude boerderij. Ilona gaf Hannah een rondleiding door het pand. Ik hoorde hen boven giechelen.
“Wat een drukte daarboven,” zei de barvrouw. “Die vriendin van jou doet toch geen pillen? De gemeente houdt me in de gaten. Zodra ze drugs vinden kunnen we de zaak sluiten.”
“De kloeb,” corrigeerde ik haar.
“Whatever. Trouwens, jij ziet er gestudeerd uit. Kun je niet eens naar de neonreclame kijken in plaats van te drinken op mijn kosten?”

De ladder was stevig en het rode licht van de intacte V scheen voldoende bij om te zien dat de reparatie eenvoudig was. Losse keilbout, gekantelde letter, elektriciteitskabel uit het schoentje. Met aarzelend geknipper en een brom kwam de E na tien minuten weer rechtop tot leven. Ik daalde van de ladder af, ging op de grond tegen de gevel zitten en stak een sigaret op. Ik dacht aan Herman de ontvoerder. Het betaalde losgeld was nooit meer teruggevonden. En hoewel ik er niet naar gevraagd had wist ik bijna zeker dat een deel ervan aan mij was uitgegeven. Een paar maanden na Hannah’s vertrek werden mijn ouders, op weg naar een vakantie in het verre oosten, ergens boven een Oekraïens knollenveld uit de lucht geschoten. Wat er van hen over was hadden de boeren in plastic zakken verzameld en aan de autoriteiten overgedragen. Was Herman er niet geweest, dan had ik die stukjes en beetjes nooit kunnen begraven; de erfenis liet me met meer schulden achter dan ik al had. Met het geld dat Herman me gaf had ik de resten van mijn ouders fatsoenlijk aan de aarde terug kunnen geven.
“Ik weet dat je me een klootzak vindt,” had Herman gezegd. “Maar laat me dit voor je doen. Je bent mijn vriend, ook al ben ik de jouwe niet meer. Ik hoef er niks voor terug, zeker geen dankbaarheid. Alleen dat je voor de hond zorgt als ik er niet meer ben.”
“Waarom zou je hond jou overleven?” had ik gevraagd.
“Beloof het nou maar. En als-ie ook doodgaat, begraaf hem bij mij.”

Binnen vulde de barvrouw dankbaar mijn glas bij. Ilona en Hannah kwamen van hun tour terug. Ze gingen tegen me aan staan en Hannah legde een hand op mijn been.
“Hee, knappe vreemdeling, wat brengt jou hier? Koop je een drankje voor ons?”
Ik knikte moedeloos naar de barvrouw die twee glazen nepchampagne inschonk, hopend dat Hannah haar toneel achterwege zou laten. Niet dus.
“Proost, handsome,” zei ze. Ilona snuffelde in mijn nek en bracht haar hand naar mijn kruis.
“Wat denk je,” zei Hannah op zwoele toon. “Wij samen, boven in de Jungle Room?”
“Ja, wij allemaal samen,” fluisterde Ilona in mijn oor. Haar hand maakte knedende bewegingen tussen mijn benen. Ze boog zich voorover en gaf Hannah een tongzoen. Ik zuchtte geërgerd. Hannah keek me strak aan.
“Je noemde me een hoer toen ik bij je wegging, Chris. Nu kun je je gelijk halen,” zei ze. “Laat zien dat je om me geeft en betaal voor me.”
De barvrouw legde haar doek neer en richtte zich tot mij.
“Als ik jou was zou ik snel beslissen. Ik ga zo sluiten. Er komt toch niemand meer. Voor honderd euro extra mag je hier blijven slapen.”
Ilona verankerde haar vingers in mijn kruis.
“Krzysztof is een beetje hard!” kirde ze.
Ze had een heel knap gezicht.

Onze lichamen waren ouder geworden. Hun taal, al jaren verstomd, kwam opnieuw tot leven, en waar ze haperde tolkte Ilona. Hannah zat geknield boven Ilona’s gezicht en hield de melkwitte, slanke benen van de kleine Poolse gespreid. Ilona likte Hannah voor de tweede keer vandaag terwijl ik traag en diep in haar gleed, mijn handen om haar slanke middel. Hannah boog zich naar me toe, legde een hand om mijn nek en bracht haar mond bij mijn oor. In haar schokkende bewegingen fluisterde ze kreunend.
“Zie je me? Wil je me? Laat zien dat je me wil, Chris! Neuk haar, maar kom in mij.”
Ik deed wat ze vroeg, trok me uit Ilona terug en kroop achter Hannah, net als vroeger. Met één hand pakte ik Hannah’s haar beet, met de ander spreidde ik haar billen en ik stootte van achteren in haar, boven Ilona’s gezicht.
Hannah schreeuwde.
“Geil,” siste Ilona. Ze krulde haar vingers om mijn pompende lid en voelde mee.
Voor even verdween de herinnering aan Herman, een moment speelde de dode hond geen rol. Er was een hijgende Hannah, een Krzysztof die eindelijk zijn gevoel volgde, en een jonge Poolse die zonder gêne of jaloezie uitsprak wat gezegd moest worden.

“Zo mooi,” fluisterde ze. “Jullie zijn goede vrienden.”

***

Een paar uur later verlieten we Club Eva. Ilona sloot af en legde de sleutel onder de deurmat.
“Ik ga mee voor begraven hond,” had ze gezegd.
Een half uur lang reden we zwijgend over verlaten wegen naar de natuurbegraafplaats. De kille mist van de ochtendschemer zweefde nog tussen de takken van de dennenbomen. Zonder veel moeite vonden we Herman’s gedenksteen, een platte schijf met zijn initialen, zijn geboortedatum en zijn sterfdag. Terwijl ik de schop in de grond zette en naast de gedenksteen begon te graven stonden Hannah en Ilona op de uitkijk. Behalve een tiental aspergestekers in het veld honderd meter verderop was er niemand. Toen de kuil diep genoeg was opende Hannah de koelbox en haalde ik voorzichtig de hond eruit. Het dode diertje was kletsnat van het gesmolten ijs. Ik legde het in de kuil en om beurten gooiden we een kluit zand op het beest. Ilona sloeg een kruisteken.
“Arme hond,” mompelde ze.
Ik gooide de kuil dicht en we bedekten de plek met takken en bladeren. We stonden enkele minuten zwijgend rond het hondengraf. Ik keek naar de aspergebedden en plots had ik het koud; niet van de temperatuur, maar van een ongemakkelijke herkenning. Twee aspergestekers maakten zich los uit het veld en liepen op ons toe. Een man en een vrouw, met witte plastic tassen in hun hand. Het was alsof de droom die ik zo goed kende het juiste moment had gevonden om niet alleen mijn slaap, maar ook mijn werkelijkheid te verstoren. Maar het was anders nu. Ik wist waar ik was. Ik wist waarom ik hier stond. En anders dan in mijn droom was ik niet alleen.
Het stel legde de laatste meters aarzelend af. Ze sloegen een kruis en de man nam eerbiedig zijn pet af. De vrouw groette ons in een taal die ik niet kende. Ilona wel.
“Russkiy?”
“Ukrainskiy.”
Er volgde een zachte conversatie die ik niet verstond. De man gaf me een enorme, ruwe hand. Ze keerden terug naar de aspergebedden en lieten de twee witte plastic zakken achter. Er droop vocht uit de naden.
“Oekraïense arbeiders,” zei Ilona. “Gelovige mensen. Hebben gecondoleerd met verlies van familielid en vijf kilo asperges gegeven. Om verdriet te verzachten. Gratis.”
Ik dacht aan de pijn van de Oekraïense boeren, twee jaar eerder, toen het mensen regende op hun land en ze de druppels van verbrand vlees in zakken hadden verzameld.

Een kwartier later in de auto leek het leven lichter. Ik voelde me opgelucht. Op de achterbank rustte Ilona haar hoofd op Hannah’s schoot.
“Waarheen nu?” vroeg ik, terwijl ik me vanuit de bestuurdersstoel omdraaide.
“Naar huis, asperges eten. Het zijn de beste. Ilona gaat met ons mee.”
Hannah streelde het haar van de Poolse die van enthousiasme grote ogen opzette.
Ik ging recht zitten, startte de motor, keek in de spiegel naar de vrouwen achterin.
Ja, dat gaan we doen. Hannah is een goede kok.

***

De buurman met de labrador hield me staande.
“Hee, heb je je hond ingeruild?”
Hij keek me niet aan toen hij zijn vraag stelde. In plaats daarvan staarde hij met grote ogen Hannah en Ilona na, die gearmd het bruggetje in het park overstaken.
“Dood en begraven,” antwoordde ik.
“Zo gaan die dingen.” Hij trok zijn hond aan de riem mee en vervolgde zijn wandeling.
Ja, zo gaan die dingen. Mijn terugkerende droom had plaatsgemaakt voor een onwerkelijke realiteit. Met hollende passen haalde ik mijn vrouwen in. Hoe lang het ganzenbord dit keer zou duren wist ik niet, maar een spelbreker zou ik niet meer zijn. Ik was blij dat ik bij hen was.

 

 

Advertenties