Nuria
Het enige wat me overeind houdt is de zee.
Het land kan me gestolen worden. De liefde heeft me ernaartoe gehaald, me een paar maanden van geluk geschonken, en me daarna net zo snel weer in de steek gelaten. Zonder waarschuwing vooraf, zonder verklaring heeft ze me in de polders uitgespuugd. Ik leef vervreemd en doelloos, omringd door mensen met een gesloten hart, mensen die op verjaardagsfeestjes in een kring zitten te wachten tot het tijd is om weer naar huis te gaan.

Hoe gaat het met jou?
Goed, en met jou?
Ook goed.

Dansen doen ze alleen als ze te veel gedronken hebben, in dit oord waar men zich het het liefst nog zou verzekeren tegen het uitdoven van de zon.

Maar dan de zee. Haar golven brengen de belofte van een betere wereld. De zee baart hoop uit een onzichtbare bron aan de horizon. Altijd. En omdat de zee me roept zit ik in een treinstel dat zijn beste jaren heeft gehad en ga ik westwaarts, naar de kust. Ik wil in de branding staan, de wind in mijn gezicht voelen, proeven van de zilte druppeltjes die op mijn lippen landen. Ik wil dat de zee me omarmt, dat de wind me influistert wat me te doen staat. Maar bovenal wil ik dansen, met mijn voetstappen een notenbalk in het zand achterlaten. Dansen, met heel mijn hart en ziel, nu ik het kan. Dansen, omdat de muziek zomaar kan stoppen.

Het boek op schoot heeft mijn aandacht al verloren. Ik kijk naar buiten en even lijkt het alsof het niet de trein is die zich over het vlakke land verplaatst, maar dat de wagon stilstaat en de aarde onder ons doorschuift. Dan – ik kan het niet laten – kijk ik weer naar de vrouw die al sinds ons vertrek tegenover me zit. Ze heeft lang donker haar dat langs haar gezicht naar haar schouders golft. Haar zwarte wenkbrauwen hebben een geprononceerde knik die haar amandelvormige ogen benadrukt. Ze draagt een mintgroene blauwe tuniek over een jeans.
We kijken naar elkaar. Dat gebeurt wel vaker in een trein, maar dit is anders. In dit land vermijden mensen oogcontact, te bang dat iemand in hun ziel kan kijken. Maar de vrouw tegenover me kent die angst niet. Een paar seconden lang sluiten onze blikken een verbond en zijn we verwikkeld in een onaangekondigde, zoete wedstrijd wie het eerste zijn ogen afwendt. Het wordt een gelijkspel. Ze steekt haar hand uit en biedt me met een zwijgende glimlach een Oreo uit een rolletje aan. Ik kijk naar haar vingers, naar haar verzorgde rode nagels, naar de kleine aderen op haar handpalm die dicht onder de koperkleurige huid liggen. Met een beleefd knikje neem ik het koekje aan. Ze neemt er zelf ook een en ik zie hoe ze het secuur met haar voortanden stuk bijt, om te voorkomen dat er kruimeltjes blijven hangen op haar met zorg gestifte lippen. Ik doe geen moeite te verbergen wat ik denk. Met jou zou ik wel willen dansen.

Thomas
Ik leg mijn pen op het uitgeklapte tafeltje dat aan de stoel vóór me is bevestigd. Het notitieblokje dat er naast ligt is nog leeg. Ik ben niet alleen in de coupé. Verderop zitten andere reizigers, maar ik zie slechts de bovenkant van hun jassen aan de haakjes die als kapstok dienen. Onwillekeurig voel ik met mijn hand aan de rugzak die op de zitplaats naast me ligt. Dat is eigenlijk niet nodig, want ik weet wat er in zit en ik heb mijn bagage niet meer uit het oog gelaten sinds ik van huis ben weggegaan. Ik voel de harde, cylindrische vorm onder het canvas en kijk ondertussen naar het vel papier vóór me. Zijn leegte heeft me opgesloten en houdt me gevangen, met blauwe, onbeschreven lijntjes als de tralies van mijn cel. Excuses gaan me gemakkelijker af dan schrijven: het gehobbel van de trein over de bielzen dat netjes schrijven lastig maakt; het storende gekletter van de regen tegen de dunne ramen van de coupé; mijn donkere onverschilligheid op de dag dat de noordelijke helft van de aarde zich het verst van de zon heeft afgekeerd.

Vandaag neem ik definitief afscheid van haar. Aan zee, zoals ze het graag wilde. De tijd dringt. Of ik de woorden zacht zal uitspreken of hardop in gedachten weet ik nog niet, dat is van later zorg. Eerst moeten ze geschreven worden.

Niloufar
Ze is wat jonger dan ik, de blonde vrouw die tegenover me zit. En mooi is ze ook. Ze kijkt naar me en ik geniet van haar nieuwsgierigheid. Misschien zie ik er simpelweg anders uit dan ze gewend is, maar haar ogen zeggen iets anders. Het boek dat op haar schoot ligt is een excuus. Telkens als ze een paar tellen heeft gelezen wendt ze haar blik van de het boek af, alsof ze de betekenis van de woorden die ze leest kan vinden in de lucht die haar omringt, en iedere keer weer streelt haar blik de mijne. Sinds ons vertrek heeft ze nog geen pagina omgeslagen. Ze neemt het koekje aan. Zo te zien houden we beide van zoetigheid.

Ik kijk op mijn horloge. De trein vermindert plots vaart en komt uiteindelijk met een lichte schok helemaal tot stilstand. Weer is de vrouw tegenover me afgeleid, maar dit keer niet door mij. Ze kijkt naar buiten, dan om zich heen. Als een moment later ook de lampen uitgaan en de coupé alleen nog wordt verlicht door het grijs van de hemel buiten kijkt ze over haar schouder, licht bezorgd, in de verwachting dat er ieder moment een conducteur de coupé zal binnenkomen om ons te vertellen wat er aan de hand is. Ik zie haar gedachten: we horen hier niet te stoppen. Er is hier geen station. Ik ben nog niet waar ik moet zijn. Maar soms vergissen mensen zich daarin. Zo nu en dan zijn we zonder het te weten op de juiste plaats, op de plek die voor ons is bestemd. Soms zijn we ergens exact op het juiste tijdstip: op het moment dat de wende zich inzet en de kosmos ons leven verandert en alles alleen maar beter kan worden.


Het midden van nergens
Een paar minuten gaan voorbij. Er is geen mededeling over de luidsprekers, geen conducteur.
“Wat zou er aan de hand zijn?” vraagt Nuria.
Verderop in de coupé staat een jongeman op van zijn plaats. Nuria heeft hem niet eerder opgemerkt. De man opent de schuifdeur en maakt aanstalten naar de voorkant van de trein te lopen.
“Ik ga wel even vragen,” zegt hij geruststellend in de richting van de twee vrouwen een paar meter verderop. Twee minuten later is hij terug in de coupé.
“Mechanische storing, volgens de machinist. Het gaat een tijd duren.”
Niloufar stopt haar Oreo-rol in een kleine heuptas en trekt haar jas aan.
“Wat ga je doen? Er is hier geen station, we staan in de middle of nowhere,” zegt Nuria verbaasd.
“Het midden van nergens. Dat is een treffende omschrijving,” zegt Niloufar met een glimlach terwijl ze een bonte doek over haar golvende haar drapeert.
Nuria pakt haar telefoon. “Ook dat nog. Geen bereik hier.”
Niloufar zwiept haar heuptas om.
“Nou, dan zit er niets anders op,” zegt ze met zekere stem. “Gaan jullie mee? Of heb je soms haast?”
“Mee waarnaartoe in hemelsnaam?” vraagt Thomas. “Ik wilde naar zee. Nu zijn we…eh… tja, waar zijn we eigenlijk?”
“In het midden van nergens,” antwoordt Niloufar met zachte stem. Dan wijst ze naar het raam, naar buiten.
“Zien jullie die kerktoren in de verte? Dat is mijn bestemming. Er woont familie. Jullie zijn welkom.”
Nuria voelt dat ook de verwarming in de trein niet meer functioneert. Ze rilt.
“Ik wilde ook naar de kust. Ziet er naar uit dat dat niet meer gaat lukken.”
Thomas drukt zijn neus bijna tegen het glas van het coupéraam en staart naar de torenspits aan de horizon.
“Dat is een eindje lopen,” zucht hij.
“Ik wil je niet tot last zijn,” zegt Nuria tegen Niloufar, net iets te voorkomend.
“Je bent het tegendeel.” Niloufar schenkt Nuria een glimlach en stapt het gangpad in. “Soms ben je precies waar je moet zijn. Kom. De zee is er morgen ook nog.”

Drie mensen laten een gestrande trein achter zich. Ze lopen over een onverhard weggetje tussen de kale akkers in de richting van het dorp aan de horizon. De grijze lucht is uitgeregend, maar het drietal is onbeschut tegen de kilte van de wind uit het westen. Plassen water tekenen de bochtige landweg, als vlekken op het vel van een slang die traag over de natte aarde kronkelt. Niloufar en Nuria lopen naast elkaar, de blonde vrouw weggedoken in haar jas. Nuria heeft zich erbij neergelegd dat ze de zee vandaag niet zal zien. In het dorp zal ze een taxi moeten bellen. Ze loopt langzaam, deels om de ergste modder te ontwijken, maar vooral om de nabijheid van Niloufar zo lang mogelijk te laten duren.
Thomas slentert een paar meter achter hen. Ergens aan de hemel in het zuidwesten probeert hij tevergeefs de positie van de zon achter het dikke wolkendek te bepalen, om vervolgens afgeleid te worden door een haas die even verderop wegvlucht in de dikke klei van de akker. Minder en minder voelt hij de last van zijn rugzak, alsof de frisse lucht die hij inademt hem lichter maakt. Thomas had al geen haast, en nu heeft hij zelfs een nieuw excuus in zijn moeizame zoektocht naar woorden.
“Jullie zaten samen in de coupé, kennen jullie elkaar eigenlijk?” roept hij tegen de wind in.
Nuria en Niloufar draaien hun hoofd en kijken elkaar aan.
“Nee,” antwoordt Niloufar. “Maar zo voelt het wel.”
Ze strekt haar arm opzij in de richting van Nuria. Nuria is verrast en aarzelt even, doet dan hetzelfde. En zo, een meter boven een waterplas op een weggetje tussen de akkers, in het midden van nergens, ontmoeten hun vingers elkaar voor het eerst. Een vluchtige aanraking, dan een warme verstrengeling.
“Ik ben Niloufar. En jij?”
“Nuria.” Ze voelt de kou niet meer. Haar hart danst.
“Fijn dat jullie het vragen,” zegt Thomas quasi-cynisch. “Ik ben Thomas.”
“Aangenaam, Thomas” zegt Niloufar. “We hebben nog een half uur lopen voor de boeg. Waarom vertel je ons ondertussen niet waarom je naar zee wil?”
Thomas denkt even na.
“Ik heb mijn moeder hier bij me.”
Hij brengt zijn hand naar achteren en tikt tegen de onderkant van zijn rugzak.
“Dat wil zeggen, haar urn. Ze hield erg van de zee. Nu breng ik haar terug.”

Het is een lintdorp met een twintigtal huizen. Kraaien cirkelen om het dak van de kerktoren die ze vanuit de trein hebben gezien. Er is niemand op straat.
“Weet je zeker dat we hier moeten zijn, Niloufar?” vraagt Thomas. “Het ziet er nogal verlaten uit. Het voelt alsof ik in een scène van de Noorderlingen verzeild ben geraakt.”
“Vertrouw me nou maar, ongelovige Thomas. Dit is precies waar we moeten zijn.”
Vijftig meter verder houdt Niloufar halt voor een klein pand met een forse winkelruit die van grote, goudkleurige letters is voorzien.

Fashion Hashemi
Al uw verstelwerk – Stomerij – Gordijnen

Binnen brandt licht. Nuria probeert door de winkelruit te gluren maar de bontgekleurde paspoppen in de etalage belemmeren haar zicht. Niloufar laat Nuria’s hand los en loopt naar de deur aan de zijkant van het pand.
“Kom,” zegt ze.
Een winkelbel tingelt als ze de deur openmaakt en naar binnen stapt. Nuria en Thomas volgen haar.
Fashion Hashemi is een eenvoudige zaak. Witte muren, witte plafonds. Een lange wand met rekken vol kleding, sommige in doorzichtige plastic hoezen gehuld: kostuums, jurken, spijkerbroeken, tunieken, avondkleding. Na de kou van de akkers heeft Nuria het idee dat het in de winkel veertig graden moet zijn. Aan het plafond hangen zoemende neonbalken, en vanuit een kooitje zingt een kanarie op de gedempte tonen van muziek die vanuit een belendende ruimte klinkt.
Een deur achterin de winkel gaat open en een kleine gestalte stapt de zaak binnen.
“Goedenavond, oom Jalal,” zegt Niloufar vrolijk.
De tengere man houdt halt. Zijn korte, zwarte haar glanst in het neonlicht. Hij buigt zijn hoofd licht naar voren en kijkt verbaasd over de glazen van zijn leesbril in de richting van de bezoekers. Dan verschijnt er een brede lach op zijn gezicht.
“Niloufar! Lieve nicht!”
Hij strekt zijn armen uit, komt met haastige passen dichterbij en neemt Niloufar’s hoofd tussen zijn handen.
“Je verblijdt mijn hart met je komst, Niloufar. Je straalt. Moge je levenspad vol vreugde blijven.”
Dan wendt oom Jalal zijn hoofd en kijkt vragend naar de anderen.
“Dit zijn Nuria en Thomas, oom.”
De kleine man schudt lachend de hand van Nuria, dan die van Thomas.
“Welkom. Gasten zijn een geschenk van God. Zeker met Yalda.”
“Yalda?” vraagt Nuria verbaasd.
Oom Jalal trekt zijn wenkbrauwen op.
“Heeft Niloufar dat niet verteld? Zoals je aan de muziek hoort zijn we in voorbereiding op het feest. Het is de korste dag van het jaar, voorafgaand aan de langste nacht, Shab-e Yalda. De zon wordt opnieuw geboren, vanaf nu worden de dagen langer, we laten de zorgen van het afgelopen jaar achter ons en gaan op weg naar de lente. Ik hoop dat je trek groter is dan je haast?”
Hij wacht hun antwoord niet af.
“Vooruit, doe je schoenen uit en kom mee naar achteren. Eet en drink. Vereer mijn huis met jullie aanwezigheid.”


Thomas
Kaarsen branden, verse bloemen geuren. Brood, zoetigheid, vruchten en noten zijn zorgvuldig uitgestald op de tafel. De kleine, eenvoudige kamer is gehuld in een zweem van rood en groen: granaatappels, watermeloen, pistachenoten, gebak, een vlag in dezelfde kleuren. Niloufar’s familie praat en lacht, we eten en drinken thee. Ik heb oom Jalal verteld over mijn moeder, en op zijn aandringen heb ik de urn uit mijn rugzak gehaald en op een kastje naast me gezet.
“Ook zij is mijn gast,” zei hij. Hij meende het.
Als oom Jalal opstaat en het boek ter hand neemt dat al de hele avond voor hem ligt doven de vrolijke stemmen van de gasten en wordt het stil. Zelfs de stoeiende kinderen staken hun spel en richten hun ogen op de heer des huizes. Jalal zet de leesbril op zijn neus en opent het boek. Dan leest hij de woorden voor. Hardop maar vooral bedachtzaam, alsof iedere lettergreep van kristal is en bij de geringste verspreking zal breken. De taal klinkt warm en zangerig. Verstaan doe ik het niet.
Hafez,” fluistert Niloufar in mijn oor. “Een groot dichter. Het is traditie hem voor te lezen in de Yalda-nacht.”
“Waar gaat het over?” fluister ik terug.
“Waar gaat het niet over? Het leven, de liefde, vreugde en vergankelijkheid.”
Ik laat de bronzen klanken tot me doordringen. Het leven en de vreugde zie ik om me heen. De liefde is er ook, in de ogen van Nuria en Niloufar die elkaar telkens weer zoeken. De vergankelijkheid, dat is de urn naast me.
Of het Hafez’ geest was die ze me influisterde zal ik nooit weten, maar plots zijn er de woorden die ik zocht, de woorden voor mijn moeder.

Ooit droeg je mij, en alles wat ik ging worden.
Nu draag ik jou en alles wat er van je over is.
As en herinnering.

Nuria
Alle familie en gasten zijn vertrokken, het feest is langzaam opgelost in de stille schemer van de ochtend. Tante Yazmin is naar de keuken. Oom Jalal heeft beloofd ons straks naar zee te rijden. Nu is hij met Thomas naar buiten om te roken. Voor het eerst sinds de trein ben ik met Niloufar alleen. Tevergeefs probeer ik te duiden hoe het leven me in de afgelopen uren heeft overrompeld. We zitten aan tafel en zwijgen. Niet omdat we de woorden niet vinden, zoals Thomas, maar omdat we geen woorden nodig hebben. Als vanzelf zoeken onze vingers elkaar weer. Zachtjes tilt Niloufar mijn hand op en brengt die naar haar wang. Haar huid is zacht en warm. Ze kijkt me aan.
“Je bent onbeschrijflijk mooi,” fluister ik.
Niloufar glimlacht als antwoord en staat dan op van haar stoel.
“Kom.”
Ze leidt me naar het midden van de kamer en brengt haar handen op mijn heupen. Op de zachte tonen van de muziek beweegt ze haar lichaam en ik heb geen andere keus dan haar te volgen. Ik kijk omlaag naar de trage, ritmische stapjes die onze voeten maken, beschroomd bijna. Met haar vinger tilt Niloufar zacht mijn kin omhoog.
“Kijk naar me, Nuria. Dansen doe je ook met je ogen.”
Haar armen sluiten zich om mijn rug. Ik voel de warmte van haar lichaam, haar borsten tegen de mijne, mijn hoofd dichtbij het hare. Een moment lang zijn onze lippen centimeters van elkaar. Dan verdragen ze ook die minieme afstand niet meer.

Niloufar
We zijn de enigen op het strand. Ik kijk naar Thomas die vijftig meter verderop staat. Ondanks de temperatuur is hij blootsvoets, zijn broek opgerold tot boven zijn kuiten. Het koude water rond zijn voeten lijkt hem niet te deren. Terwijl hij de as van zijn moeder in de ruisende branding uitstrooit bewegen zijn lippen en spreekt hij zijn woorden van afscheid.

Ik draai me om naar Nuria. Met een aangespoelde tak heeft ze vijf evenwijdige lijnen in het zand getrokken. Ze draait zich naar de zee, sluit haar ogen en strekt haar armen opzij alsof ze zich door de wind wil laten meevoeren. Dan begint ze te draaien, om haar eigen as, eerst met langzame passen en dan steeds sneller, als een derwish. Dansend en tollend over de lijnen in het zand vindt ze met gesloten ogen haar weg terug naar mijn omhelzing. Samen kijken we naar de voetstappen die ze op de lijnen heeft achtergelaten, naar haar notenbalk aan zee.
Het is het begin van ons lied.