Het was de vijfde dag van de onlusten en er was geen enkel teken dat de rellen en de vernielingen die avond minder zouden zijn. Daarom begon ik halverwege de middag mijn administratie al bij te werken – niet dat er veel te administreren viel, maar zo had mijn vader me dat nou eenmaal geleerd; van uitstel komt afstel – en maakte me op om ruim voor de avond viel de winkel te sluiten en naar huis te gaan.

In de straten heerste angst. Er waren die dag welgeteld twee klanten in de zaak geweest. Eentje had wat rondgekeken en was zonder aankoop en zonder gedag te zeggen vertrokken. De ander, een pezige oude man met een verweerd gezicht, had een oud sextant gekocht. Aan de manier waarop hij het instrument hanteerde kon ik zien dat het niet de eerste keer was dat hij er een in zijn handen had. Een oud zeeman wellicht, maar toen ik er naar vroeg glimlachte hij alleen maar en haalde zijn schouders op.
“Eeuwenlang hebben mensen de noodzaak gevoeld te weten waar ze zijn,” zuchtte hij. “Een sextant helpt daarbij. Maar de laatste tijd lijkt iedereen de weg kwijt. De waanzin en het geweld, doelloos. Geen wonder dat u ook daarmee blijft zitten.”
Hij knikte met zijn hoofd in de richting van de grote collectie oude globes die achter in mijn antiekzaak op een aantal oude kasten stond uitgestald. Ik keek hem vragend aan.
“Waarom worden globes gemaakt?” vroeg hij zonder intentie op mijn antwoord te wachten. “Om dezelfde redenen als een sextant. Omdat we behoefte hebben aan te kunnen wijzen waar we zijn, aan oriëntatie en richting. Als je niet weet waar je bent, weet je ook niet wie je bent of waar je naartoe moet. We hebben allemaal onze eigen plek in het universum en de aarde is het grootste dat we kunnen bevatten. Zonder kaart, zonder globe, zonder sextant zijn we ontheemd. De gevolgen daarvan zie je vandaag op straat. De klootzakken.”
Hij legde het gevraagde bedrag op de toonbank en vertrok. Ik keek hem na door de winkelruit terwijl hij langs de restanten van twee uitgebrande personenauto’s in de richting van de tramhalte liep. Ik vroeg me af wie hij bedoelde. De wereld was vol met klootzakken.

Over de globes had hij gelijk. Misschien waren ze ook wel de reden waarom ik tegen beter in de zaak van mijn vader na diens overlijden had voortgezet. Tussen de rest van het antiek en de prullaria waren de bollen van verschillende omvang en ouderdom in zekere zin het pronkstuk van de winkel. Of de vlag op de modderschuit, het was maar hoe je het bekeek. Als kind was ik al gefascineerd door de ronde voorwerpen die mijn vader voortdurend verzamelde maar zelden verkocht. Dan liet ik mijn handjes zacht over het gekromde oppervlak glijden, door het blauw van de oceanen, het groen van het laagland en het okerbruin van de bergen. Ik liet de bol draaien in zijn standaard, probeerde te voelen hoe goed de naden van de duigen op elkaar aansloten. Al snel wist ik waar Amerika was en kon ik Japan aanwijzen. Ik legde mijn vinger op de stad van oom Tony, die naar Canada was geëmigreerd. Ik vond uit dat als je een tunnel vanuit Spanje loodrecht omlaag zou boren je in Australië weer boven de grond komt. Ik leerde dat de seizoenen veranderden omdat de as van de aarde, net als die van een globe, drienentwintig en een halve graad uit het lood staat. Maar het belangrijkste: ik wist waar ik zelf was, dat ieniemienieplekje op die glanzende bol aan de rand van een kleine noordelijke zee, niet groter dan een speldenprik. De aarde was immens en er leek nog zoveel te ontdekken.
Maar dat was toen.

Ik keek wat nerveus over mijn schouder toen ik de winkeldeur afsloot en het rolluik naar beneden liet. Het werd al langzaam donker, ik moest opschieten. De weinige mensen die op straat waren haastten zich door de natte kou naar de veiligheid van hun huizen. In de verte waren sirenes hoorbaar, weer talrijker dan gisteren en bovendien een uur eerder. De stomerij aan de overkant was al twee dagen dicht, de houten panelen voor de ramen en deur beklad met leuzen die opriepen tot een revolutie zonder leider en zonder idealen. Ik knielde om de rolluiken te vergrendelen en schrok van een stem vlak achter me.

“Bent u Blauw?”

Ik kwam meteen rechtop en draaide me om, mijn sleutelbos in de aanslag. Ik keek in de ogen van een jonge vrouw. Haar gezicht was half verborgen in een zwarte hoody, waaruit een paar blonde lokken probeerden te vluchten naar het schemerlicht rondom ons. Ze was een kop kleiner dan ik, als ze kwaad in de zin had kon ik haar misschien de baas. Om haar schouder droeg ze een grote weekendtas.
“Bent u Blauw?” vroeg ze nog eens. Haar stem was zacht en rustig, in scherp contrast met het rauwe geschreeuw dat steeds dichterbij klonk. Ik ontspande een beetje en realiseerde me dat ik er belachelijk uit moest zien met mijn sleutels als verdediging.
“Ja,” zei ik. Daniël Blauw. Wat wil je?”
Ze glimlachte.
“Een bos.”
Ik keek haar onbegrijpend aan.
“Neem me niet kwalijk, Daniël Blauw. Zoals de oude meester zei: de beste plek om een boomblad te verbergen is een bos. En dit is mijn boomblad.”
Ik was weer op mijn hoede toen ze haar weekendtas afzwiepte en met enige moeite de ritssluiting opende. Haar tas baarde een forse houten doos met een mooi ingelegde windroos op het deksel.

“Een globe?”

“Inderdaad,” zei de vrouw. “En niet zomaar een. Hij is nogal waardevol. Kun je hem voor me bewaren?”
“Eh…ik weet niet…ik ga net sluiten…”
“Daniël, please. Ik woon in de Hondiusstraat en daar is het zoals je weet erg onrustig de laatste dagen. Gisteren zijn ze bij de buren binnengedrongen. Alles kapot en aan stukken geslagen. Bewaar mijn globe tot het weer rustig is. Tussen die van jou valt hij niet op. Jij hebt een bos van globes, snap je? Ik ben Beatriz, overigens. Met een Z. Alsjeblieft?”
Ik keek haar zwijgend aan, alsof ik het antwoord kon vinden in haar brede kaaklijn of haar heldere groene ogen.
“Goed dan,” zuchtte ik en knielde om het rolluik te ontsluiten. “Haal hem uit de doos en zet hem bij de andere op de kast. Er is nog wel een plekje vrij. Haast je want ze komen dichterbij.”
Het rolluik ratelde omhoog en ik opende snel de winkeldeur. Terwijl Beatriz zich naar binnen spoedde keek ik nerveus naar het einde van de straat. Ik zag een groep schreeuwende mannen in het zwart die het voor iets of iemand op een lopen hadden gezet, en hoorde de sirenes nu vlakbij. Ik zag de gloed van vuur uit een van de zijstraten. Toen Beatriz weer uit de winkel stapte sloot ik haastig alles weer af.
“We moeten maken dat we wegkomen Beatriz. Het gaat mis hier.” Het lawaai en geschreeuw zwol aan. Er was een knal van een explosief en gerinkel van glas. Het leek Beatriz niet te deren. Ze lachte en kwam op haar tenen omhoog. Even verdween de dreiging en de kilte van de straat door de warmte van haar zoen op mijn wang.
“Geen zorgen Daniël. De oude meester en ik zijn je dankbaar. Over een paar dagen haal ik hem weer op.”
Ze draaide zich om en beende weg. Verdwaasd staarde ik naar de grond en bracht mijn vingertoppen naar mijn wang om haar kus vast te pakken en te bewaren.
“Oude meester?” mompelde ik in mezelf. “Welke oude meester?”

Twintig meter bij me vandaan hield Beatriz halt. Ze deed haar hoody af en draaide zich naar me om. De wind nam haar bevrijde blonde lokken ten dans.
“Borges natuurlijk!” riep ze. “Lees maar en je zult het begrijpen!”

Wordt hier vervolgd