Toen ik eenmaal heelhuids thuis was ging ik rechtstreeks naar de vliering en haalde een paar oude dozen tevoorschijn. Daarin zaten de weinige spullen van mijn vader die ik niet had weggegooid, en één van die dozen was gevuld met boeken. Voor het eerst sinds de begrafenis, vier jaar geleden, wierp ik een blik op de inhoud. Er waren boeken over de Tweede Wereldoorlog, bundeltjes met de titel Antiques and how to collect them (deel 1 tot en met 15), en een enkele roman. Plotseling had ik vast waar ik naar gezocht had.

Jorge Luis Borges
De Aleph en andere verhalen

Het was een kloeke soft-cover met de nodige gebruikssporen. Ik sloeg de omslag open en zag de hanenpoten waarmee mijn vader het boek in zwarte inkt het zijne had gemaakt.

J.J. Blauw
Alkmaar 1963

Blauw in zwart dacht ik, en glimlachte bij die merkwaardige tegenstelling. Ik liet de dozen voor wat ze waren en nam het boek mee naar beneden waar ik het op de salontafel legde. Ik ging op de bank liggen en dacht aan de ontmoeting met Beatriz. De geluiden van het oproer in de binnenstad drongen slechts met vlagen door mijn ramen naar binnen, en waar ik de afgelopen dagen de tv onmiddellijk na thuiskomst had ingeschakeld liet ik die nu bewust uit. Ik had er geen behoefte aan getuige te zijn hoe de stad werd gesloopt, het gezemel van machteloze machtshebbers aan te horen, of de quasi-wetenschappelijke duiding van volkswoede door inderhaast opgetrommelde talkshowsociologen. In plaats daarvan rekte ik me uit, keek naar het boek van Borges en besloot mijn ogen even te sluiten.

Het café is vol met mensen, ouder dan ik. Ze zijn rumoerig maar vriendelijk tegen me, alsof ze allemaal een oogje in het zeil houden omdat ik nog zo jong ben in deze ruimte voor volwassenen. Of is het uit medelijden? Plots galmt er een luide stem door de gelagkamer.
“Mag ik even jullie aandacht!?”
Op een tafel achter me staat een man die een megafoon voor zijn mond houdt. Zijn gezicht is bleek, uitgemergeld, zijn ogen staan hol in hun kassen. Het is mijn vader, opgestaan van zijn sterfbed. Hij wijst naar me.
“Dat, beste mensen, is mijn zoon.”
De muziek verstomt. De aanwezigen zwijgen, zetten hun glazen neer, enkelen leggen hun speelkaarten op tafel. Ze richten hun blik op mijn vader. Het wordt stil.
“Dat is mijn zoon, en mijn zoon, ik kom er eerlijk voor uit, is een nietsnut. Jullie vinden hem o zo schattig, maar ik ken hem het beste, geloof me. Praatjes heeft hij genoeg, maar karakter ontbreekt hem. Hij is niks en zal ook nooit wat worden. Besteed aan mijn zoon geen aandacht, ga niet met hem om. Je krijgt er alleen maar spijt van.”
De gasten draaien hun hoofden naar mij, sommigen verbaasd, de meesten woedend. Het is de boosheid over bedrog. Ik kijk naar mijn vader, smeek om zijn hulp, maar hij laat de megafoon uit zijn handen vallen, slaat zijn ogen neer en buigt dan zijn hoofd. In paniek kijk ik naar het raam. Buiten staat een jonge vrouw met een zwarte hoody, engelachtig knap, met lokken als vlammen. Door betraande ogen kijkt ze naar me. Nooit was ik zo alleen.

Ik werd wakker met een droge mond en een naar gevoel. Aan de dromen met mijn vader als nemesis was ik inmiddels wel gewend, maar de zware mist in mijn hoofd na afloop van een uit de hand gelopen hazeslaapje voelde telkens weer onrustbarend nieuw. Zonder van mijn plek op de bank te komen strekte ik mijn hand uit naar het boek van Borges om mijn zinnen te verzetten. Ik besloot te beginnen bij het titelverhaal, dat volgens de inhoudsopgave op pagina 408 te vinden was. Meteen bij de eerste woorden kwam ik met een schok rechtop.

“De brandende morgen in februari waarop Beatriz Viterbo stierf…

Niet alleen de naam Beatriz – met een Z – deed me huiveren, maar ook het feit dat een eerdere lezer haar naam met zwarte inkt had omcirkeld. Mijn kille verbazing dreef de huiveringwekkende droom naar de achtergrond en ik las verder.

Het was een raadselachtig verhaal waarin Borges, de hoofdpersoon, in aanraking komt met een Aleph, een klein bolvormig object dat hem in duizelingwekkende beelden een blik gunt op de gehele kosmos. De Aleph, een singulariteit van alle gebeurtenissen en alle toestanden van het universum, de oneindigheid gevangen in een minuscuul bolletje. Dan somde Borges, in een enkele zin die wel tot de langste uit de literatuur moest behoren, op wat hij in een fractie van een seconde in de Aleph zag. Ik las de zin en het duizelde me, net als de Borges in het verhaal. Maar om een andere reden. Middenin het verslag van zijn waarnemingen stond het volgende.

(…) ik zag in een kabinet in Alkmaar een globe tussen twee spiegels die hem eindeloos vermenigvuldigden (…)

Het woord globe was omcirkeld met zwarte inkt. In de kantlijn had mijn vader een uitroepteken gezet, als een stille schreeuw uit het verleden.