De Lotus

In De Lotus offeren we iedere woensdag onze zwijgende blikken aan de goden van verlangen. Jij en ik. We zijn pelgrims in een heiligdom, die vast vertrouwen op iets wat nooit zal komen. Toch is de Lotus allesbehalve een tempel. Het is een restaurant. Ik ken ons zoete ritueel tussen druk pratende gasten en haastige obers. Als de serveerster je rekening brengt zul je het gelukskoekje van het schaaltje nemen en het bekijken, alsof je aarzeling de boodschap nog kan veranderen. Daarna zul je naar mij kijken en het harde koekje openbijten. Het krokante deeg eet je niet; het is het briefje binnenin dat je aandacht heeft. Terwijl je het leest zal je blik een moment lang uitdrukkingsloos zijn. Dan zul je lachen, je blik fronsen, een enkele keer haal je je schouders op. Vervolgens zul je opstaan, je rok gladstrijken, je laptoptas oppakken en met hooggehakte, elegante tred naar de uitgang lopen. Dan, als je mijn tafel passeert, zullen onze blikken elkaar ontmoeten. Heel even, maar lang en intens genoeg om te weten dat ik alleen voor dat moment gekomen ben en dat het eten in De Lotus slechts een bijzaak is. Ik ben hier voor jou.

Ik dacht dat ik het ritueel kende. Maar vandaag verloopt het anders. Vandaag is je glimlach meedogenlozer, de twinkeling in je ogen indringender als je je papiertje leest. Je staat op, loopt naar mijn tafeltje en legt het briefje zwijgend naast mijn bord. Dan keer je terug naar je eigen plaats en gaat zitten. Jij wacht. Ik lees de kleine letters.

Wees niet bang met een vreemdeling te praten.

Even later zit ik tegenover je, je warme nabijheid een déjà vu van mijn fantasie.
“Heb je je wel eens afgevraagd waar het op lijkt?” vraag je. Demonstratief hou je mijn gelukskoekje omhoog.
“Wat bedoel je?”
“Wat ik zeg. Waar doet de vorm van een gelukskoekje je aan denken?”
Ik kijk naar het halfronde deeg, met in het midden een vouw die aan een kant nauw is en zich aan de andere kant licht opent.
“Een mondhoek,” zeg ik voorzichtig.
Je glimlacht.
“Je moet beter kijken en je fantasie gebruiken,” zeg je. Je draait het gelukskoekje een kwartslag zodat de vouw een verticale lijn vormt, met de verdikking in het deeg aan de bovenkant.
“Ik zal je helpen,” zeg je. Je stem is anders nu, dieper en warmer.
Je sluit je ogen en brengt het koekje langzaam naar je mond. Je lippen openen zich, je draait het koekje in je vingers om en laat je tong door de vouw naar boven glijden, lenig en langzaam. Op het puntje dat iets naar voren steekt houdt het krullende roze halt.  Mijn hoofd tolt en mijn hart staat stil als je de likkende beweging tergend langzaam herhaalt.
“Nu jij,” fluister je en je reikt me het koekje aan. Het personeel is te druk om te zien hoe je mijn blik vasthoudt, hoe je je amandelvormige ogen tot spleetjes vernauwt en achterover leunt. Met één hand streel je je slanke hals, de andere verdwijnt onder de tafel. Ik doe wat jij deed en voel hoe het deeg verzacht door het speeksel op mijn tong. De bewegingen van je bovenarm en je ademhaling verraden het synchrone ritme van de hand die je onder de tafel verborgen hebt. Je mond vormt steeds opnieuw twee woorden die je niet uitspreekt maar die me oorverdovend hard raken.

Lik me, lees ik op je lippen. Lik me.

Als de gehaaste ober achteloos het schaaltje met de betaling heeft opgepakt breng je je hand tevoorschijn. Je pakt het gelukskoekje uit de mijne. Zacht en langzaam streel je de vouw in het midden met je wijsvinger, die glimt van je vocht. Nat en verzadigd breekt het koekje open. De papieren inhoud dwarrelt naar het damast.
“Wij weten hoe je een hard koekje zacht moet maken,” zeg je tevreden, bijna zuchtend. “Je weet dat ik mijn fortune cookie nooit eet, maar dit keer maak ik een uitzondering. Je weet niet waar het op lijkt, maar zo leer je in ieder geval hoe het smaakt.”
Je glimlacht als je me de helft van het gelukskoekje aanreikt en zelf het andere stukje in je mond neemt. Ik sluit mijn mond zacht om je slanke vingers en eet uit je hand. Ik proef zoet en zilt. Ik proef jou.
“Kom,” gebied je.
Je staat op en pakt wat van jou is: je portemonnee, je laptop, en als laatste mijn hand. Zwijgend laat ik me leiden. Het briefje laat ik ongelezen achter; ik weet dat zijn boodschap waar is.

Advertenties

Een verhaal in een verhaal

Het was een half jaar na mijn scheiding. Heel langzaam begon ik mijn draai weer te vinden na een emotionele en ingrijpende tijd, en mijn baan in het hotel hielp me daarbij. Ik was met mijn 40 jaar veel ouder dan de meeste van mijn collega’s, over het algemeen studenten van begin twintig die in de bediening werkten om hun studiebeurs wat aan te vullen. Voor mij was het nu mijn financiële houvast en iedere dag nog was ik de eigenaar van het hotel, een persoonlijke vriend, dankbaar dat hij me deze baan had gegeven om wat zekerheid te hebben in een moeilijke periode.

Lees verder

De Nacht op het Eiland

De hele nacht heb ik met je geslapen
aan zee, op het eiland.
Woest en zacht was je tussen het genot en de slaap,
tussen vuur en water.

Heel laat misschien
werden onze dromen één
in de hoogte en de diepte,
daarboven zoals takken door dezelfde wind bewogen,
beneden zoals rode wortels die elkaar raken.

Misschien maakte je droom
zich van de mijne los
en zocht me
op de donkere zee
zoals vroeger
toen je nog niet bestond,
toen ik zonder je te ontwaren
aan je voorbijvoer,
en je ogen zochten
wat ik je nu
—aan brood, wijn, en woede—
met volle handen geef
want je bent de kelk
die op mijn levensgaven wachtte.

Ik heb met je geslapen
de hele nacht, terwijl
de donkere aarde draait
met levenden en met doden,
en bij het plotseling ontwaken
in de volle schaduw
omvatte mijn arm je middel.
De nacht noch de slaap
konden ons scheiden.

Ik heb met je geslapen
en bij het ontwaken schonk je mond
—uit je droom gestapt—
me de smaak van aarde,
van zeewater, van algen,
uit het diepste van je zijn,
en ik ontving je kus
vochtig door de dageraad
alsof hij tot me kwam
vanaf de zee die ons omringt.

**

Pablo Neruda, La Noche en la Isla. Uit: Los versos del capitán, 1952.

Vertaling ©Mahotsukai 2015

 

Artho’s Biecht

“Vergeef me, ik heb gezondigd.”

Ik ken alleen je engelzachte stem en je duivelse ontboezemingen. Ik ben jong genoeg om de verlokkingen die je me toevertrouwt te begrijpen, ik ontbeer de wijsheid om er weerstand aan te bieden.

“Ik weet dat je geweten je plaagt. Maar als je eerlijk bent, niets achterhoudt en berouw toont zal God je opnieuw in zijn armen sluiten. Vertel me je zonden.”
“Ik heb lustvolle gedachtes. Lust omgeeft me. Voortdurend.”
“Voortdurend?”
“Ja, voortdurend. Ook nu.”

Mijn hart klopt in mijn keel. Slechts een houten wand en een gordijntje scheiden ons. Dat, en mijn geweten. Toen je enkele weken geleden voor het eerst in mijn biechtstoel kwam, dacht ik dat jij degene was die op de proef werd gesteld, dat je mijn absolutie nodig had om met jezelf in het reine te komen. Inmiddels weet ik beter. Jouw hunkering is de mijne geworden, het is mijn beproeving. Waarom doe je dit? Waarom geef je me vleugels als je weet dat ik niet mag vliegen? Ik zou je moeten verbannen van deze heilige plek, ik zou dit gesprek moeten afkappen, nu.

“Vertel me meer.”
“Ik fantaseer, Artho. Je vindt het toch niet erg als ik je Artho noem? Ik weet dat je zo heet. Ik fantaseer over jou. Ik fantaseer over het lichaam onder je soutane. Ik kom naar de mis om je te zien, ik kom om naar je te luisteren. Maar het is alsof je mijn lijf binnendringt en ik niet anders kan dan gehoorzamen aan de beelden in mijn hoofd.”
“Ook nu?”
Het gordijn gaat een klein stukje opzij. De slanke vingers van je hand reiken me een stukje stof aan.
“Ja, ook nu.”

Je trekt je hand terug. Je vochtige geur, in kant gevangen, dringt door in het binnenste van mijn geplaagde ziel. Dit moet stoppen.

“Vertel me meer.”
Ik hoor hoe je ademhaling versnelt en je stem trilt.
“Alles is al gezegd, Artho. Mijn beelden zijn ook de jouwe, dat weet ik. Jij fantaseert ook over mij. Geef eraan toe. Stop met vragen, luister naar de schoonheid van mijn lust. Begeleid me.”
“Maar ik…”
“Ssst!”

Weerloos gehoorzaam ik en ontbloot ik mijn harde geslacht. De rusteloze ademhaling van ons verlangen doorsnijdt de koude stilte van eeuwen. Ik sluit mijn ogen en zie de beelden die bij het vochtige geluid horen: wijdbeens doop je je vingers in je eigen vocht en verlos je jezelf. Ik vergezel je, zoals je me hebt opgedragen. Schitterender heb ik zonde nooit gezien.
Samen spoelen we aan in een branding van lust. Als de golf zich terugtrekt blijf ik alleen achter, een schipbreukeling, het warme schuim van mijn schuld gevangen in jouw kant.

(Inzending voor ronde 6 van de EWA Schrijfmarathon)

Littlewood’s Law

Fletse zonnestralen verdrijven slechts langzaam de mist. Mijn schoenen knarsen op de kiezels van het kerkhofpad, en de ochtendkilte versteent de sporen van zwarte dromen in mijn hoofd. Ik denk aan Littlewood’s Law.

Premisse: Gemiddeld is één op de miljoen gebeurtenissen een wonder.

Sinds het ongeluk heeft de maan de aarde één keer omcirkeld. Keer op keer dicteert de pijn me naar Sophia’s graf, en telkens lokt de troostbelofte van alcohol me weer snel daar weg. Als ik zo doorga, hoor ik binnenkort bij de permanente bewoners van deze plek. Verderop staat een groep mensen bij elkaar rondom een verse wond in de aarde. Mijn kiezelknarsen stopt en ik luister naar het geluid van verdriet. Een snik. De woorden van de priester. Loodzware leegte. De rook van mijn sigaret danst als een geest in de ijle lucht. Ik vervolg mijn weg.

Premisse: Een mens is gemiddeld gedurende acht uur per dag wakker en maakt dan iedere seconde een gebeurtenis mee.

Het zijn niet de stenen doodsengelen aan weerszijden van het grote familiegraf die me tegenhouden, maar de geluiden die door de geopende deur naar buiten zweven. Ik kan de verleiding niet weerstaan en werp een blik naar binnen.
Een man en een vrouw. Zwarte rouwkleding die haastig en hoognodig opzij is geschoven voor de naaktheid van heimelijke passie. Zij ligt op haar rug op het kleine altaar, haar borsten ontbloot. Hij knielt voor haar, heeft zijn handen op de onderkant van haar dijen en dwingt haar gekouste benen omhoog naar de hemel. Haar zwarte kanten slipje is op kniehoogte gespannen; het dwingt haar benen dichter bij elkaar dan ze eigenlijk wil. Ik zie haar natte glinstering.
“Geduld. Nog even, dan mag je ze spreiden.”
Zijn stem sterft in de klamheid van de oude muren, zijn tong spreekt nu. Ze laat hem toe, werpt haar hoofd met een kreet naar achteren en kromt haar rug tot een sierlijke brug van genot. Hier, in het huis van de dood, wordt levenslust herboren. Als de goden ons verlaten is er geen andere keuze dan overvloedig te offeren aan het leven. Ik laat hen achter, verlaat het kerkhof en denk aan Littlewood’s conclusie.

Je mag gemiddeld iedere vijf weken een wonder verwachten.

Een maand geleden brak een klap van staal en aluminium Sophia’s lichaam. Ik geef Littlewood het voordeel van de twijfel. Nog een week overleven, dan wordt alles beter.

(Inzending ronde 5 van de EWA Schrijfmarathon. John Edensor Littlewood (1885-1977) was een Brits wiskundige.)

De Kalahari Roos

Binnenkort verschijnt De Kalahari Roos van Emanuel Claessens (ook bekend onder het pseudoniem Luckyman) bij uitgeverij Eroscripta. Het is een prachtige verhalenbundel; ik weet dat, want ik kreeg een sneak preview en mocht er een inleiding bij schrijven. Die kun je hier (of hier) al lezen; publicatie van het boek staat gepland voor eind april.

Face à la Mer

Volgzaam was ik nooit, maar op die zomerdag liet ik me aan je hand meevoeren naar een onbekende bestemming.
Ik herinner me het dijkhuisje en het uitzicht op zee. We knielden. De zachtheid van jouw lichaam vóór me en zijn mannenwarmte in mijn rug vormden een cocon van begeerte waaruit ik niet kon en niet wilde ontsnappen. Voor het eerst proefde ik de lippen van een vrouw. Vier ervaren handen ontdeden me met geveinsd geduld van mijn kleding. Ik zag geilheid in je ogen toen je je vingertoppen over mijn tintelende huid liet glijden, langs mijn hals, omlaag, naar mijn borsten, neerwaarts, naar mijn buik, mijn dijen en – eindelijk- tussen mijn benen. Je ogen glinsterden toen je mijn lipjes spreidde en je het bewijs vond waar je zo naar had verlangd.
“Wat ben je nat,” fluisterde je.
De sporen die je met jouw vingers en mijn vocht over mijn wang trok wiste hij met zijn tong onmiddellijk weer uit, alsof hij wilde onderstrepen dat dit pad alleen voor ons was bestemd. Jij leunde achterover en spreidde je benen. Je ogen hielden me vast toen je me liet me zien hoe je jezelf vingerde. Zijn hand in mijn haar dwong me voorover, dichtbij je. Jouw lust was de mijne geworden; ik wilde je ruiken, proeven, drinken. Dat mocht ik pas na je verlossende woorden.
“Neuk haar. Neuk haar voor mij.”

Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt.
Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt.

(Inzending voor ronde 4 van de EWA-schrijfmarathon)

Een Slotgedachte

Zij probeert zich te herinneren wie haar de sleutel heeft gegeven. Tevergeefs zoekt ze in de kieren van haar geheugen naar zijn naam. In plaats daarvan vindt ze zijn zachte lach, in een tijd ver van hier. Ze waren jong genoeg om nog niet te beseffen dat onsterfelijkheid slechts kort zou duren. De warmte van de herinnering verjaagt de kille mist die over haar verleden ligt en geeft haar weer even adem.

Een sleutel is gekarteld. Elk scherp hoekje en iedere inkeping is belangrijk. Ze tillen alle sluitpinnetjes in het slot tot precies de juiste hoogte om de cilinder te laten draaien. Het eerste pinnetje viel op zijn plaats toen hij haar kuste, het tweede toen hij haar lichaam met jeugdige onbeholpenheid ontkleedde. De warme, natte cirkels van zijn tong  klikten het derde pinnetje op zijn plek. Ongeduldig verwelkomde ze zijn jonge, gespierde lichaam. Met een gesmoorde kreet van pijn, en niet veel later een extatische schreeuw van genot ging het slot van haar hart open en nam ze afscheid van het onwetende kind in haar ziel.

 Een man in het wit zit naast haar. Ze kent hem niet, maar de warmte van zijn hand op haar voorhoofd en zijn zachte glimlach zijn troostend. Vanaf het moment dat ze de sleutel kreeg heeft ze vertrouwd op de taal van een blik. Waar monden vaak naar de juiste woorden zoeken, spreken ogen vloeiend stilte.

Nog één keer ademt ze. Dan omklemt ze haar sleutel en opent rustig de allerlaatste deur.

(inzending ronde 3 van de EWA-schrijfmarathon 2017)

Heart of Darkness

img_2943

In the distant places he visited and where he guided his tourists, people simply knew him as Marlow. Only his passport still carried his real name, a relic from a far and meaningless past. An intelligent man, navigating life’s river between banks of folly that he could not be part of. Nonchalance and Loneliness were his loyal travel companions; the former always on the surface, the latter deep inside, an enormous void that no splendid view could fill. Life had furrowed his face and roughened his heart.
To women he never went unnoticed. They fell for Nonchalance and he fed Loneliness. They were the sloops he needed to reach the banks, to feel the ground beneath his feet and – for the shortest of moments – fill the emptiness in his chest. He loved the contrast between his weathered skin and the tenderness of their caresses, the sound of their quickening breath, sweltered in a scorching kiss. When he felt their nails piercing his back as they surrendered themselves to him he felt that he was still alive, and their thighs wrapped around him for a short moment were his anchor in that strange world he did not want to remain in. The void only became apparent again when, in that moment of ultimate fusion, they mentioned his name.
“Marlow!”
It could be uttered ecstatically or whispering, tenderly or encouraging. But never was it his real name.

ww
For the “One Man”-prompt on WickedWednesday. More English stories via the category  link in the left-hand column.